Bestuursrecht overig
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen over het besluit van verweerder…
Rechtbank Limburg, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11274 · Rechtbank Limburg · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rblim-2026-11274
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROE 26/2437
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11274
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen over het besluit van verweerder om de woning van verzoekster voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat het sluitingsbesluit naar verwachting standhoudt in de bezwaarprocedure. Daarom heft de voorzieningenrechter de op 6 oktober 2026 getroffen ordemaatregel op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/2437
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Sittard, verzoekster,
(gemachtigde: mr. M.F.E. Sprenkels),
en
de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder,
(gemachtigde: mr. P. Hellenbrand).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen over het besluit van verweerder om de woning van verzoekster voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat het sluitingsbesluit naar verwachting standhoudt in de bezwaarprocedure. Daarom heft de voorzieningenrechter de op 6 oktober 2026 getroffen ordemaatregel op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 21 september 2026 heeft verweerder besloten dat de woning van verzoekster in Sittard op 6 oktober 2026 voor de duur van zes maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast op 5 oktober 2026 de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Op 6 oktober 2026 heeft de voorzieningenrechter het (tevens ingediende) verzoek om een ordemaatregel te treffen toegewezen en bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster woont met haar minderjarige zoon van bijna 17 jaar in de woning aan de [adres] te Sittard (de woning). Zij huurt deze woning van Stichting ZOwonen.
Naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem (MMA) melding heeft de politie op 4 juni 2026 onderzoek verricht bij en daarna in de woning. De MMA-melding luidde als volgt:
“Drugshandel vanuit pand te Sittard vanuit een woning aan de Heistraat 73, wordt
vanaf de namiddag tot in de nacht gehandeld in drugs zoals cocaïne, GHB, speed.
Het is een komen en gaan van mensen aan het adres. Ook wordt er vaak geruzied
door de bezoekers.”
De politie heeft op 4 juni 2026 rond 21.00 uur een man staande gehouden die uit de woning kwam. Deze persoon had één XTC pil die hij volgens zijn verklaring had gekregen van de bewoonster van de woning. Hierna is de politie de woning binnengetreden. De politie heeft in de woning de volgende verdovende middelen van Lijst I van de Opiumwet aangetroffen:
-
83,82 gram netto amfetamine/methamfetamine;
-
30,84 gram netto MDMA (44 pillen);
-
25,33 gram netto GHB;
-
39,94 gram netto cocaïne;
-
31,92 gram netto amfetamine/methamfetamine;
-
28,52 gram netto MDMA (68 pillen);
-
0,70 gram netto MDMA (1 stuk).
Dit is in totaal 241,07 gram netto verdovende middelen van Lijst I van de Opiumwet. De verdovende middelen werden aangetroffen in de koelkast, op het aanrecht, op de keukentafel, in een handtas in het berghok, in een kluis op de slaapkamer en op een tafel naast het bed.
In de woning werden ook verdovende middelen van Lijst II van de Opiumwet aangetroffen. In totaal is een hoeveelheid van 464,6 gram bruto hasj aangetroffen.
Naast de verdovende middelen werd een geldbedrag van € 1.355,35 in de woning aangetroffen:
-
175 euro aan briefgeld in verschillende coupures (in de handtas);
-
475 euro (95 briefjes van 5 euro);
-
705 euro en 35 euro cent (pot met muntgeld).
In de keuken van de woning werd op het aanrecht een ploertendoder (= een illegaal gevechtswapen) aangetroffen.
Deze bevindingen heeft de politie in een bestuurlijke rapportage van 18 augustus 2026 opgenomen en aan verweerder toegezonden. Deze rapportage is op dezelfde dag door verweerder ontvangen.
Op grond van de bestuurlijke rapportage heeft verweerder aan verzoekster bij brief van 24 augustus 2026 het voornemen bekend gemaakt om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, haar woning te sluiten voor de duur van zes maanden.
Op 8 september 2026 heeft verzoekster een zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft verweerder niet tot een ander standpunt gebracht.
Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat sprake is van een ernstig geval. In de woning is een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid contant geld en de aanwezigheid van een wapen en de MMA-melding, versterken de handelsindicatie. Verweerder acht het ter voorkoming van (verdere) verstoring van de openbare orde en overtredingen (herhaling van de situatie) geschikt en noodzakelijk dat de woning zichtbaar wordt gesloten voor de duur van zes maanden. In het kader van de evenwichtigheid heeft verweerder rekening gehouden met de belangen van de minderjarige zoon van verzoekster. Het is verweerder gebleken dat meerdere instanties bij de zoon van verzoekster zijn betrokken. Zo is sprake van ondertoezichtstelling vanuit Bureau Jeugdzorg, is er sprake van een persoonlijk begeleider (straatcoach) vanuit Group XL en is de zoon van verzoekster bekend bij Team Jeugd en Team Leren en Jongeren van de gemeente. Zijn belangen worden volgens verweerder voldoende bewaakt. Om verzoekster voldoende gelegenheid te bieden vervangende woonruimte voor haar zoon en zichzelf te vinden, biedt verweerder haar een begunstigingstermijn van twee weken in plaats van 72 uur.
Toetsingskader woningsluitingen
4. In een uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
5. Verweerder voert beleid om de handel in drugs in de gemeente Sittard-Geleen tegen te gaan. Dit beleid staat in het Damoclesbeleid Sittard-Geleen (het beleid). In dit beleid staat dat bij een eerste constatering van een overtreding sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, de woning zonder waarschuwing wordt gesloten voor de duur van zes maanden.
Bevoegdheid
6. Op de zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder bevoegd was om de woning te sluiten. Het gaat daarom alleen nog over de vraag of verweerder gebruik mocht maken van deze bevoegdheid.
Samenvatting gronden
7. Verzoekster vraagt om haar persoonlijke situatie, haar daadwerkelijke rol, de positie van haar zoon en de gevolgen van een sluiting volledig en individueel mee te wegen. De aangetroffen middelen waren niet van haar. Door haar eigen drugsgebruik is verzoekster in een afhankelijke positie terechtgekomen tegenover iemand bij wie zij schulden had opgebouwd. Deze persoon heeft haar vervolgens onder druk gezet om spullen voor hem in haar woning te bewaren. Haar zoon is op geen enkele wijze betrokken geweest bij het bewaren, aanwezig hebben, verkopen of gebruiken van de aangetroffen drugs. Een sluiting van zes maanden zou hem desondanks rechtstreeks raken. De zoon van verzoekster heeft in het verleden zeer veel instabiliteit meegemaakt. Hij heeft gedurende deze moeilijke periode ongeveer dertien keer van school moeten wisselen. Nu is er eindelijk sprake van stabiliteit. Hij is vrijgesteld van de leerplicht en hij werkt een paar dagen per week bij de Jumbo. Hij wil daar graag blijven werken en verdergaan via een leercontract. Hij heeft dus juist nu een dagelijkse structuur en toekomstperspectief nodig. Een sluiting van de woning voor zes maanden zou deze ontwikkeling ernstig kunnen verstoren. Verder is verzoekster van mening dat een tijdelijke sluiting in haar geval volstrekt onnodig is en het achterliggende doel van het sluitingsbeleid voorbij streeft. Volgens verzoekster had kunnen worden volstaan met de inbeslagname van de aangetroffen drugs door de politie en eventuele strafrechtelijke vervolging door het openbaar ministerie. Tot slot is verzoekster van mening dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van toepassing van zijn sluitingsbevoegdheid. Verweerder heeft niet toegelicht waarom het plaatsen van een camera, een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing niet volstaat.
Voorlopig oordeel voorzieningenrechter
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gronden die verzoekster naar voren heeft gebracht, niet slagen. Verweerder mag gebruikmaken van de bevoegdheid om de woning te sluiten. De sluiting is geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Geschiktheid
9. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop verweerder ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Ten tijde van de zitting was het inmiddels vier maanden geleden dat de politie de drugs in de woning heeft gevonden. Ter zitting is gebleken dat tussen het moment van constateren van de overtreding en het moment van de zitting geen meldingen van buurtbewoners over toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving van de woning meer zijn geweest, althans bekend zijn bij verweerder. Toch heeft verweerder voldoende toegelicht dat sluiting van de woning nog een geschikt middel is. Het tijdverloop is niet zodanig dat de situatie al is hersteld en de doelen van de sluiting niet meer kunnen worden bereikt. Dat in dít geval sluiting van de woning nog steeds een geschikt middel is, betekent niet dat de voorzieningenrechter niet kritisch is op het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs en het moment waarop de politie de bestuurlijke rapportage aan verweerder heeft gestuurd. Dat dit tweeëneenhalve maand heeft geduurd, is veel te lang.
Noodzaak
10. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat verweerder die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de noodzaak tot sluiting voldoende heeft toegelicht en niet kan worden volstaan met een ingrijpend middel. De voorzieningenrechter vindt het, net als verweerder, aannemelijk dat vanuit de woning van verzoekster werd gehandeld in verdovende middelen. Dit blijkt uit de grote hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, de variëteit aan verdovende middelen en dat deze middelen op vele plekken in de woning zijn aangetroffen. In de woning is verder contant briefgeld gevonden en een wapen. Verder blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat een persoon is afgevangen die drugs van verzoekster heeft gekregen. De MMA-melding is weliswaar anoniem, maar biedt verdere steun voor het standpunt van verweerder dat vanuit de woning van verzoekster werd gehandeld. Verzoekster heeft ontkend dat de woning werd gebruikt voor drugshandel, maar de voorzieningenrechter vindt haar verklaring – gelet op de onderzoeksbevindingen – niet geloofwaardig. Maar ook als zou worden uitgegaan van de lezing van verzoekster, dan betekent dit nog steeds dat de woning een belangrijke rol vervult bij de handel van verdovende middelen, namelijk als opslaglocatie. Er is hoe dan ook sprake van een ernstig geval. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat de kans op herhaling heel erg groot is, zodat ook om die reden de sluiting van de woning noodzakelijk is. Waarom de voorzieningenrechter die kans op herhaling als hoog inschat, zal de voorzieningenrechter hierna onder het kopje ‘evenwichtigheid’ motiveren.
Evenwichtigheid
12. Nu de conclusie is dat de sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk is, moet verweerder zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.
13. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die verweerder met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient verweerder aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
14. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. Verweerder moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet verweerder de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient verweerder zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een verwijt kan worden gemaakt van de situatie. Dat verzoekster als drugsverslaafde schulden had gemaakt bij een persoon, maakt haar kwetsbaar en de voorzieningenrechter vindt dit zorgelijk. Maar dit doet niet af aan de verwijtbaarheid van verzoekster. Het maakt juist de kans op herhaling des te groter. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat de schulden bij deze persoon zijn toegenomen, doordat de verdovende middelen op 4 juni 2026 in beslag zijn genomen. Zij stelt wel dat deze persoon – wiens naam zij heeft genoemd tijdens de zitting – zich nu rustig heeft gehouden, waarschijnlijk omdat hij denkt dat de woning nog in de gaten wordt gehouden. Verzoekster heeft sinds 4 juni 2026 geen enkele kenbare, concrete actie ondernomen om haar situatie te veranderen. Zo had zij zich bijvoorbeeld kunnen wenden tot de politie of had zij hulpverlening kunnen inschakelen vanwege haar verslaving. Verzoekster heeft tijdens de zitting gezegd dit te zullen doen, maar hiervoor heeft zij al enkele maanden de tijd gehad. Dit zullen zeker geen gemakkelijke stappen zijn voor verzoekster, daarvan is de voorzieningenrechter zich bewust. Maar dat verzoekster helemaal niet in beweging is gekomen, betekent ook dat er niets is gewijzigd in de situatie van verzoekster. Hierdoor is de kans op herhaling zeer groot. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor al heeft overwogen, maakt ook dit aspect dat de sluiting van de woning onverminderd noodzakelijk is.
16. Dat ook de minderjarige zoon van verzoekster door de sluiting niet meer in de woning kan blijven wonen, maakt de sluiting niet onevenwichtig. De voorzieningenrechter wil op basis van de stukken van Bureau Jeugdzorg wel aannemen dat de zoon vanaf begin 2026 een stabieler leven leidt dan voorheen. Hij werkt enkele uren per week bij de Jumbo en hij is mede daarom vrijgesteld van de leerplicht. Daarvoor ging hij al langere tijd niet meer naar school. Vanaf begin 2026 overnacht de zoon weer in de woning, heeft hij een beter dag-nacht-ritme en zijn begeleider kan hem motiveren voor afspraken die hij heeft. Maar dat sprake is van een bijzondere binding met deze woning, heeft verzoekster niet gesteld en dit is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Ook ten tijde van de zitting was geen sprake van een leerwerktraject, maar de zoon werkte slechts enkele uren per week. Dit kan hij voortzetten vanuit een andere woonplek.
17. Verzoekster heeft er terecht op gewezen dat verweerder het belang van de zoon, als minderjarig kind, voorop moet stellen bij het nemen van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de zoon. Hij staat sinds 2021 onder toezicht. Verweerder heeft ter zitting verzekerd dat de zoon (en verzoekster) niet op straat komen te staan. Dit betekent niet dat verweerder een woning gaat regelen, want dat is aan verzoekster. Dit betekent wel dat er een netwerk van hulpverlening rondom de zoon aanwezig is, dat gezamenlijk een verantwoordelijkheid draagt om te zorgen voor het welzijn van de zoon.
18. Tegen deze achtergrond acht de voorzieningenrechter het belang van verweerder bij handhaving van het bestreden besluit zwaarder wegen dan het belang van verzoekster en haar zoon.
Conclusie en gevolgen
19. De voorzieningenrechter heft de door haar getroffen voorlopige voorziening in de uitspraak van 6 oktober 2026 op. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
20. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, hoeft verweerder geen proceskosten te betalen en ook niet het griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- heft de bij uitspraak van 6 oktober 2026 getroffen voorziening op;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026. .
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 oktober 2026.