Europees civiel recht

Bevoegdheidsincident. Artikel 7 lid 1 Brussel I bis; plaats van levering. Nederlandse rechter niet bevoegd.

Rechtbank Limburg, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over europees civiel recht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
12204323 \ CV EXPL 26-2131
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:10826
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bevoegdheidsincident. Artikel 7 lid 1 Brussel I bis; plaats van levering. Nederlandse rechter niet bevoegd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12204323 \ CV EXPL 26-2131

Vonnis in incident van 14 oktober 2026

in de zaak van

[partij] ,

te [plaats 1] (Amerika),

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [partij],

gemachtigde: mr. D. Çölkusu,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

SALES OF HORSES INTERNATIONAL S.R.O.,

te Újezd u Cerné Hory (Tsjechië),

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: Sales of Horses,

gemachtigde: mr. D.M. Lamers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte houdende overlegging producties van [partij];

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in het incident

2.1.

Sales of Horses vordert dat de kantonrechter zich primair onbevoegd zal verklaren, subsidiair zich relatief onbevoegd zal verklaren en meer subsidiair de zaak zal verwijzen naar de bevoegde rechter mogelijk van de rechtbank Noord Holland (voor zover verwijzing mogelijk en aangewezen is) in alle gevallen met veroordeling van [partij] in de kosten van het incident (vermeerderd met nakosten en rente).

2.2.

Sales of Horses legt hieraan het volgende ten grondslag. Sales of Horses voert aan dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, omdat uit de door [partij] overgelegde stukken niet volgt dat Nederland de contractuele plaats van levering van het paard was. Uit de koopovereenkomst en de door [partij] overgelegde correspondentie volgt dat de levering van het paard in Tsjechië bij Sales of Horses heeft plaatsgevonden. Het transport is vervolgens door of namens [partij] verzorgd na de levering in Tsjechië. Schiphol was een logistieke schakel. Subsidiair voert Sales of Horses aan dat de overeenkomst een Tsjechische arbitrageregeling bevat. Voor zover de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is de rechtbank Limburg niet relatief bevoegd.

2.3.

[partij] heeft daartegen verweer gevoerd.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Bij het onderzoek ter beantwoording van de vraag of aan de kantonrechter ten aanzien van de door [partij] tegen Sales of Horses ingestelde vorderingen (internationale) bevoegdheid toekomt, is het uitgangspunt dat de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) van toepassing is. Gedaagde partij in de hoofdzaak (Sales of Horses) heeft immers woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie (te weten: Tsjechië).

3.2.

Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis “worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat”, in dit geval Tsjechië.

Artikel 7 lid 1 Brussel I bis bevat echter een alternatieve bevoegdheidsregel voor geschillen over ‘verbintenissen uit overeenkomst’. De rechtsbetrekking tussen [partij] en Sales of Horses kwalificeert als een verbintenis uit overeenkomst, namelijk een koopovereenkomst. Artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis bepaalt dat Sales of Horses in dit geval kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Op grond van artikel 7 lid 1 sub b van Brussel I bis geldt voor de koop en verkoop van een roerende lichamelijke zaak (een paard in dit geval) dat Sales of Horses in de lidstaat mag worden opgeroepen waar het paard volgens de overeenkomst geleverd werd of geleverd had moeten worden.

3.3.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) oordeelt over deze kwestie dat de kwalificatie van de plaats waar de zaken aan de koper zijn of hadden moeten worden afgegeven als ‘de plaats van levering’ het meest in overeenstemming is met de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van de Brussel I bis verordening. Het criterium waarborgt volgens het HvJEU een hoge mate van voorspelbaarheid en beantwoordt tevens aan de nabijheidsdoelstelling die inhoudt dat er een nauwe samenhang tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht moet worden verzekerd. Volgens het HvJEU bestaat de fundamentele doelstelling van een koopovereenkomst in de overdracht van de verkochte zaken aan de koper, welke verrichting pas tot stand is gekomen wanneer de zaken hun eindbestemming hebben bereikt. De eindbestemming wordt door het HvJEU gedefinieerd als de plaats waar de koper de feitelijke macht om over de zaken te beschikken, heeft verkregen of had moeten verkrijgen.

3.4.

De kantonrechter stelt vast dat in de koopovereenkomst en algemene voorwaarden geen contractuele plaats van levering is opgenomen, hetgeen niet ter discussie staat.

Niet ter discussie staat verder dat partijen hebben afgesproken (zie koopovereenkomst) dat de koper, [partij], het transport zou regelen en hij het risico hiervan zou dragen. [partij] erkent dit ook. Dit is een aanknopingspunt om aan te nemen dat [partij] dan wel zijn hulppersoon in Tsjechië de feitelijke macht heeft gekregen om over het paard te beschikken.

De kantonrechter verliest hierbij niet uit het oog dat partijen het erover eens zijn dat het paard vanuit Tsjechië naar de Verenigde Staten vervoerd moest worden ([partij] was hier niet fysiek bij betrokken) en dat bij het transport één dan wel meerdere bedrijven

betrokken waren.

3.5.

Een ander aanknopingspunt om aan te nemen dat de feitelijke macht van het paard is verkregen in Tsjechië is dat in de algemene voorwaarden is opgenomen: “The title is transferred at the moment of concluding the Purchase Agreement”. De Nederlandse vertaling hiervan is dat de eigendom van het paard is overgegaan op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst. De koopovereenkomst is op 4 december 2023 “op afstand” gesloten. Het paard bevond zich toen in Tsjechië. Zonder nadere toelichting leidt de kantonrechter uit deze bepaling af dat de levering van het paard in Tsjechië heeft plaatsgevonden.

3.6.

Dat uit de transportcorrespondentie volgens [partij] blijkt dat [persoon] (“executive” van Sales of Horses) het paard heeft geleverd in [plaats 2] Nederland legt – gelet op al hetgeen hiervoor is aangevoerd – onvoldoende gewicht in de schaal om aan te nemen dat de levering van het paard in Nederland heeft plaatsgevonden. In Nederland heeft het paard alleen maar een tussenstop gemaakt in een ‘layover farm’, een soort paardenmotel voor langeafstandstransporten.

3.7.

De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal dus worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen en het verweer niet slaagt.

3.8.

[partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sales of Horses worden begroot op € 432,00 (€ 288,00 aan salaris gemachtigde (1 punt × € 288,00) en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

De kantonrechter zal beslissen zoals hierna vermeld en merkt hierbij op dat Sales of Horses in de hoofdzaak nog geen proceshandelingen heeft verricht, zodat van een proceskostenveroordeling ten gunste van Sales of Horses geen sprake kan zijn.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

5.1.

wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,

5.2.

veroordeelt [partij] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

verklaart zich onbevoegd van de vordering(en) in de hoofdzaak kennis te nemen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Zie aant. 1.2 Commentaar BPR art. 7 Brussel I bis. conclusie van antwoord in het incident punt 3.7. productie 7 van [partij]; correspondentie tussen [partij] en het betrokken transportbedrijf.