Personen- en familierecht
De man is geslaagd in het leveren van het bewijs dat tussen de vrouw en haar nieuwe partner sprake was van…
Rechtbank Limburg, 13 juli 2018
ECLI:NL:RBLIM:2018:6414 · Rechtbank Limburg · 13 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/personen-en-familierecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2018-6414
Zaakgegevens
Op 13 juli 2018 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 13 juli 2018
- Datum publicatie
- 6 juli 2018
- Zaaknummer
- C/03/207768 / FA RK 15-2109
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.F Cohen, mr. D.N Lavain
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2018:6414
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De man is geslaagd in het leveren van het bewijs dat tussen de vrouw en haar nieuwe partner sprake was van een bestendige invulling van hun affectieve relatie op een wijze die getuigt van een (praktisch) dagelijks samenleven in lotsverbondenheid gedurende circa vier jaar, waardoor dit samenleven de kenmerken droeg van een huwelijksverhouding als bedoeld in artikel 1:160 BW. Daarmee is de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw geëindigd.
Uitspraak
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Zaaknummer : C/03/207768 / FA RK 15-2109
Beschikking van 13 juli 2017 betreffende alimentatie
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonend te [woonplaats] , [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. R.F. Cohen, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen;
tegen:
[verweerster] ,
wonend te [woonplaats] , [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. D.N. Lavain, gevestigd te Beek, gemeente Beek-Elsloo.
Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook de door de rechtbank Limburg op 22 november 2016 gegeven beschikking.
1 Het verdere verloop van de procedure
Ter voldoening aan de hem in de beschikking van 22 november 2016 verstrekte bewijsopdracht heeft de man zeven getuigen doen horen, onder wie de man zelf als partijgetuige en de vrouw. Van deze getuigenverhoren zijn processen-verbaal opgemaakt die zich bij de stukken bevinden. De vrouw heeft van contra-enquête afgezien.
De man en de vrouw hebben afgezien van conclusies na enquête, waarna beschikking is bepaald waarvan de uitspraak nader bepaald is op heden.
2 De verdere beoordeling
Bij voormelde beschikking is de man toegelaten te bewijzen dat tussen de vrouw en de heer [nieuwe partner] vanaf 1 januari 2013 sprake is van samenwonen, wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
Alvorens in te gaan op de vraag of de man is geslaagd in het leveren van het bewijs, zal de rechtbank het beroep van de vrouw op, kort gezegd, rechtsverwerking behandelen, aangezien dit haar meest verstrekkende verweer is.
Vooropgesteld zij dat voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking enkel tijdsverloop onvoldoende is. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan a) bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken of b) de positie van de wederpartij onredelijk benadeeld of bezwaard zou worden indien de rechthebbende zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.
De rechtbank oordeelt dat hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd niet kwalificeert als bijzondere omstandigheden, als hiervoor genoemd, en alleen al daarom niet tot de vaststelling kan leiden dat sprake is van rechtsverwerking. De man heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet jegens de vrouw gedragen op een wijze waardoor zij erop mocht vertrouwen dat de man zijn aanspraak jegens haar op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW niet meer geldend zou maken. Daar komt bij dat de man sedert februari 2014 de alimentatie steeds aan de vrouw heeft overgemaakt onder de vermelding “onder protest vanwege samenwoning” of opmerkingen van gelijke strekking. De vrouw wist althans kon op dat moment dus weten dat de man zich op het standpunt stelde dat sprake was van samenwoning. De slotsom is derhalve dat gesteld noch anderszins is gebleken dat zich de situatie voordoet dat het beroep van de man op artikel 1:160 BW naar maatstaven redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw onaanvaardbaar is, zodat het verweer van de vrouw wordt verworpen.
De rechtbank is van oordeel dat de man is geslaagd in het leveren van het bewijs van het samenwonen, de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding door de vrouw en [nieuwe partner] en overweegt in dit verband als volgt.
Het samenwonen
Op grond van de getuigenverklaringen is voldoende komen vast te staan dat de vrouw met [nieuwe partner] heeft samengewoond.
Volgens de getuigenverklaring van de vrouw had zij vanaf januari 2013 een volwaardige affectieve relatie met [nieuwe partner] en waren zij vaak bij elkaar in de woning van de vrouw: in het eerste jaar een paar maal per week en later nagenoeg iedere dag. De getuige [nieuwe partner] verklaart dat de affectieve relatie is begonnen in 2012. Verder verklaart hij specifiek dat hij na ‘een verkenningsfase’ van drie maanden gedurende zeven dagen per week bij de vrouw was en daar ook zeven nachten per week bleef slapen. De getuige [getuige 1] verklaart ook dat [nieuwe partner] vrijwel altijd in de woning van de vrouw verbleef. De getuige [getuige 2] , de zoon van [nieuwe partner] , verklaart eveneens dat [nieuwe partner] vanaf dat hij in december 2012 het ouderlijk huis aan hem had verkocht steeds bij de vrouw verbleef. Verder blijkt uit de als productie 7 door de man overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige 2] van 11 januari 2016 dat [nieuwe partner] tegen hem heeft gezegd dat hij zich niet op het adres van de vrouw wilde laten inschrijven omdat anders de alimentatie van de vrouw zou vervallen. [getuige 2] heeft tijdens zijn getuigenverhoor te kennen gegeven bij de inhoud van die brief te blijven en [nieuwe partner] heeft in zijn getuigenverklaring bevestigd dit tegen zijn zoon gezegd te hebben. [nieuwe partner] verklaart verder dat hij vanaf het moment dat het hem en de vrouw duidelijk was dat recherchebureau RBZ onderzoek had gedaan, wel nog dagelijks bij de vrouw was, maar er minder bleef slapen. Uit het samenstel van enerzijds de verklaringen van [getuige 2] en [nieuwe partner] en anderzijds de wijze waarop de vrouw en [nieuwe partner] invulling hebben gegeven aan hun feitelijk samenzijn nadat zij bekend waren geworden met het onderzoek van RBZ, leidt de rechtbank af dat de vrouw (evenals [nieuwe partner] ) bewust en met het oog op haar partneralimentatie hun relatie vanaf dat moment naar de buitenwereld toe op een andere wijze heeft willen presenteren. Dat doet echter niet eraan af dat er reeds daarvoor sprake was van samenwonen.
Het rapport van recherchebureau RBZ en de bevindingen van de man, die zijn vastgelegd door middel van foto’s van onder meer de auto van [nieuwe partner] die bij de vrouw of in de buurt van de woning van de vrouw geparkeerd staat, dragen in het licht van de hiervoor weergegeven verklaringen nader bij tot het bewijs dat sprake was van samenwoning van de vrouw en [nieuwe partner] . Waar de vrouw stelt dat het rapport van RBZ buiten beschouwing dient te worden gelaten, aangezien dit schending van haar privacy oplevert en het ingezette middel onevenredig zwaar is voor het gebruikte doel, gaat de rechtbank aan dat verweer voorbij. Nog daargelaten dat zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet valt in te zien dat sprake is van schending van privacy of het beginsel van proportionaliteit, kan het rapport op grond van het bepaalde in artikel 152 Rv als bewijs dienen.
RBZ constateert in de observatieverslagen dat [nieuwe partner] dagelijks in de woning van de vrouw aanwezig is en daar de nacht doorbrengt alsmede dat de auto van [nieuwe partner] aanwezig is bij de woning van de vrouw of in de nabije omgeving daarvan in een tijdsbestek van 18 dagen in de periode van 19 maart 2016 tot en met 21 april 2015.
De vrouw heeft nog als verweer aangevoerd - en als getuige verklaart - dat [nieuwe partner] niet over een sleutel van haar woning beschikte. Hoewel de getuige [nieuwe partner] die stelling bevestigt, voorts [nieuwe partner] en de vrouw verklaren dat [nieuwe partner] ook niet de alarmcode van de woning van de vrouw kende, en op basis van de overige getuigenverklaringen evenmin kan worden vastgesteld dat [nieuwe partner] over een sleutel of de alarmcode van de woning beschikte, kan dit, bezien in het licht van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen van met name de vrouw zelf en [nieuwe partner] niet de conclusie dragen dat er geen sprake was van samenwoning. Datzelfde geldt voor de verklaringen van de vrouw en [nieuwe partner] dat [nieuwe partner] niet permanent persoonlijke spullen, zoals bijvoorbeeld kleding of toiletartikelen, in de woning van de vrouw had liggen. Deze verklaringen leggen, afgezet tegen de intensiviteit van de door de vrouw en [nieuwe partner] gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning van de vrouw, onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen vaststellen dat de vrouw niet met [nieuwe partner] samenwoonde.
Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging
De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie blijkt dat aan deze criteria onder meer is voldaan als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat de vrouw en [nieuwe partner] een gemeenschappelijke huishouding voerden en dat er sprake was van wederzijdse verzorging. De vrouw verklaart immers dat zij de boodschappen deed en betaalde en dat zij kookte. [nieuwe partner] verklaart dat hij soms samen met de vrouw kookte en dat hij op zaterdag broodjes voor hem en de vrouw haalde. Daarnaast verklaart [nieuwe partner] dat hij nooit iets heeft betaald voor het eten in de woning van de vrouw, ook wel eens eten meenam voor hem en de vrouw, geregeld het gras voor de vrouw maaide, wekelijks (als enige) het zwembad stofzuigde, twee keer per week de kattenbak verschoonde en dat de vrouw desgevraagd voor hem streek. [nieuwe partner] en de vrouw verklaren verder dat [nieuwe partner] voor zijn rekening een deel van de tuin van de vrouw opnieuw heeft laten bestraten en verder verklaart [nieuwe partner] dat hij bomen in de tuin van de woning van de vrouw heeft gekapt. Volgens hun beider verklaring gingen de vrouw en [nieuwe partner] geregeld samen uiteten. Volgens [nieuwe partner] was dat op donderdagen en op zaterdagen. Dat kwam meestal en grotendeels voor rekening van [nieuwe partner] . De weekendjes weg, die de vrouw en [nieuwe partner] een aantal malen hebben ondernomen, kwamen geheel voor rekening van [nieuwe partner] . De kosten van de vier gezamenlijke vakanties naar Italië kwamen ook grotendeels voor rekening van [nieuwe partner] , nu zij volgens [nieuwe partner] met de auto van [nieuwe partner] reisden en [nieuwe partner] de kosten van de reis alsmede van het eten en drinken ter plaatse betaalde. De vrouw en [nieuwe partner] deelden eveneens de kosten van cadeaus voor vrienden en familieleden en [nieuwe partner] heeft verder de helft van de kosten van de auto voor de dochter van de vrouw ad € 3.000,- betaald. De getuige [getuige 1] verklaart dat hij regelmatig, ongeveer tweemaal tot vijfmaal per week, in de woning van de vrouw kwam, daar dan ook hele dagen aaneengesloten verbleef en dan ook meeat. [getuige 1] verklaart dat het avondeten gekookt werd door de vrouw, [nieuwe partner] of zijn ex-vriendin (de dochter van partijen). Als [getuige 1] de avondmaaltijd in de woning van de vrouw gebruikte, was [nieuwe partner] er vaker wel dan niet bij.
De verklaring van de vrouw en van [nieuwe partner] dat er geen sprake was van een huishoudpotje of gemeenschappelijke rekening kan in het licht van deze verklaringen niet afdoen aan het oordeel dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Niet vereist is immers dat van een financiële verstrengeling van inkomens is gebleken. Het “in elkaars verzorging voorzien” kan ook blijken uit een taakverdeling tussen samenwonenden en van een dergelijke taakverdeling is uit de verklaringen van de vrouw en [nieuwe partner] gebleken. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat het in het huidige tijdsgewricht in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, voor een modus kiezen waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen en geen gezamenlijke rekening voeren. Op grond van de getuigenverklaringen van de vrouw en [nieuwe partner] staat vast dat de vrouw en [nieuwe partner] beiden structureel en substantieel bijdroegen aan de kosten van de gezamenlijke huishouding en elkaar ook structureel en substantieel wederzijds verzorgden.
Daarnaast is uit de getuigenverklaringen en de door de man overgelegde foto’s voldoende gebleken dat de vrouw en [nieuwe partner] gezamenlijk naar buiten traden als stel, nu zij gezamenlijk vrienden en familie van beide kanten bezochten en in de woning van de vrouw ontvingen en zij gezamenlijk met hun kinderen en hun partners verjaardagen en feestdagen in de woning van de vrouw vierden. Verder wordt de naam van de vrouw in de rouwadvertentie en rouwkaart bij gelegenheid van het overlijden van de ouders van [nieuwe partner] samen met de naam van [nieuwe partner] genoemd. Tevens werden de onderhandelingen tussen de vrouw en de man met betrekking tot overname van de woning in naam van de vrouw en [nieuwe partner] gevoerd.
De conclusie is derhalve dat tussen de vrouw en [nieuwe partner] sprake was van een bestendige invulling van hun affectieve relatie op een wijze die getuigt van een (praktisch) dagelijks samenleven in een lotsverbondenheid gedurende zekere tijd, waardoor dit samenleven de kenmerken draagt van een huwelijksverhouding als bedoeld in artikel 1:160 BW. De man is daarmee geslaagd in het leveren van het bewijs.
Daarmee eindigt de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw en met inachtneming hiervan begrijpt de rechtbank het petitum onder a. voor zover daarin wordt verzocht om de alimentatie op nihil te stellen, als een verzoek tot vaststelling dat de alimentatieplicht van de man is geëindigd.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat de verklaringen van de vrouw en [nieuwe partner] , dat hun relatie inmiddels is beëindigd, aan voorgaand oordeel niet kan afdoen, aangezien dit de vastgestelde feiten die ten grondslag liggen aan het einde van de alimentatieplicht van de man niet ongedaan maken.
Ingangsdatum
De man heeft gesteld dat de vrouw sedert 1 januari 2013 met [nieuwe partner] samenwoonde als waren zij gehuwd en dat hij al sinds de zomer van 2012 daarvan weet heeft, doch dat hij restitutie wenst van door hem betaalde partneralimentatie vanaf 1 januari 2013.
De rechtbank acht bewezen dat de vrouw en [nieuwe partner] op 1 januari 2013 samenleefden als waren zij gehuwd. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de verklaring van [nieuwe partner] dat hij in 2012 een relatie met de vrouw heeft gekregen en dat hij na drie maanden ‘verkenningsfase’ zeven dagen per week bij de vrouw verbleef en overnachtte, alsmede voormelde schriftelijke verklaring van Bruce [nieuwe partner] waarin hij schrijft dat [nieuwe partner] in november 2012 al ongeveer één jaar een relatie had met de vrouw. Voorts is naar aanleiding van de getuigenverklaringen niet gebleken dat de invulling van de relatie door [nieuwe partner] en de vrouw (behoudens ten aanzien van de vermindering van het aantal overnachtingen sinds het bekend worden van het rapport van RBZ) is gewijzigd, zodat ervan uit wordt gegaan dat op 1 januari 2013 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.
Terugbetalingsverplichting
Nu de alimentatieverplichting van de man is geëindigd met ingang van 1 januari 2013 is de door de man vanaf die datum aan de vrouw betaalde partneralimentatie onverschuldigd betaald. Daaruit vloeit een terugbetalingsverplichting van de vrouw jegens de man voort, zodat het verzoek onder a. van het petitum van de man, op de wijze als hierna bepaald, evenals de verzochte terugbetaling onder b. van het petitum toewijsbaar zijn.
Wettelijke rente
De man maakt in het inleidend verzoek aanspraak op wettelijke rente vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening. Anders dan de man stelt, vindt de terugbetalingsverplichting niet haar grondslag in onrechtmatige daad, maar in onverschuldigde betaling. In geval van onverschuldigde betaling treedt verzuim pas in na ingebrekestelling. Nu de door de man overgelegde brief van 18 mei 2015 niet is aan te merken als een ingebrekestelling in de zin van de wet noch anderszins is gebleken dat de man de vrouw in gebreke heeft gesteld aangaande haar verbintenis tot ongedaanmaking van de onverschuldigde betaling, is de vrouw niet met ingang van 1 januari 2013 in verzuim is komen te verkeren, zodat de wettelijke rente niet vanaf 1 januari 2013 toewijsbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in verzuim is geraakt veertien dagen na indiening van het verzoek, zodat de vrouw ten aanzien van de bedragen die de man over de periode 1 januari 2013 tot 23 juni 2015 (datum indiening verzoekschrift) heeft voldaan zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf 7 juli 2015 en aangaande de bedragen die de man over de periode vanaf 23 juni 2015 heeft voldaan vanaf de datum waarop de bedragen door de man aan de vrouw zijn betaald doch niet eerder dan 7 juli 2015, tot aan de dag van voldoening.
De proceskosten en de kosten van RBZ
De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in de kosten van rechtsbijstand die aan de zijde van de man zijn gerezen, te weten een bedrag van € 427,-, alsmede veroordeling van de vrouw in de kosten van het door de man ingeschakelde recherchebureau RBZ te Geleen, zijnde een bedrag van € 2.000,-. De vrouw voert verweer en stelt dat er geen aanleiding is geweest voor het inschakelen van RBZ en trekt tevens de kwaliteit van het werk van RBZ in twijfel. Voorts stelt de vrouw dat uit betaalbewijzen, overgelegd door de man, aan RBZ blijkt dat niet een bedrag van € 2.000,- is voldaan, maar een bedrag van € 1.700,-.
Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de kosten gedeeltelijk te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt behoudens de taxe van de getuigen. De vrouw is in het ongelijk gesteld na het door de man met name geleverde getuigenbewijs van zijn stellingen, zodat de rechtbank het aangewezen acht deze bijzondere (proces)kosten, onder wie die van [nieuwe partner] , mede gelet op hun omvang van in totaal € 845,00 voor rekening van de vrouw te brengen.
De rechtbank wijst het verzoek van de man ter zake de kosten van RBZ af onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad d.d. 22 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:724). Indien de man deze veroordeling heeft verzocht als een (vorm van) proceskostenveroordeling, miskent hij dat artikel 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet voorziet in een veroordeling van dit soort kosten. Indien de man anderszins vergoeding van deze kosten heeft willen vorderen, heeft hij onvoldoende gesteld op grond waarvan de vrouw dan dient te worden veroordeeld in deze kosten.
6 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 november 2010, gegeven onder zaaknummer 155103/S RK 10-966 ten aanzien van de daarin vastgestelde partneralimentatie als volgt:
stelt vast dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd op 1 januari 2013;
veroordeelt de vrouw om aan de man terug te betalen hetgeen de man op basis van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 november 2010, gegeven onder zaaknummer 155103/S RK 10-966, teveel heeft voldaan aan kosten levensonderhoud van de vrouw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2015 ten aanzien van de bedragen die de man over de periode 1 januari 2013 tot 23 juni 2015 heeft voldaan en vanaf de datum waarop de bedragen door de man aan de vrouw zijn betaald doch niet eerder dan 7 juli 2015 aangaande de bedragen die de man over de periode vanaf 23 juni 2015 heeft voldaan, tot aan de dag van voldoening;
compenseert de proceskosten tussen partijen gedeeltelijk, namelijk in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt behoudens ten aanzien van de getuigentaxe van in totaal € 845,00 ter zake waarvan de vrouw tot betaling aan de man wordt veroordeeld;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. P.H. Brandts, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 13 juli 2017 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.G.J. Verbong, griffier. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. |
||