Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Maastricht · Eerste aanleg - enkelvoudig · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Maastricht, 3 november 2000
ECLI:NL:RBMAA:2000:AA9343 · Rechtbank Maastricht · 3 november 2000
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-maastricht/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmaa-2000-aa9343
Zaakgegevens
Op 3 november 2000 heeft de Rechtbank Maastricht in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank MaastrichtRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2000
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- AWB 99/294 AOW Z
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMAA:2000:AA9343
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT
Reg.nr.: AWB 99/294 AOW Z
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
[eiser], eiser,
en
de Sociale Verzekeringsbank -Vestiging Roermond-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.
Datum bestreden besluit: 6 januari 1999.
Kenmerk: 0210.43.140/MT 0592389-0.
Behandeling ter zitting: 18 oktober 2000.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 6 januari 1999 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 24 september 1998 tegen een door verweerder genomen besluit van 21 september 1998 ongegrond verklaard.
Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser op 2 maart 1999 beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eisers gemachtigde gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.
Bij brief van 2 november 1999 heeft eisers gemachtigde op het verweerschrift gereageerd.
Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 18 oktober 2000, alwaar van de kant van eiser niemand is verschenen.
Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
II. OVERWEGINGEN.
Volgens mededeling van verweerders gemachtigde ter zitting is eiser op 17 december 1999 overleden en zijn ondanks een door verweerder ingesteld onderzoek geen erfgenamen van eiser bekend geworden.
Eisers gemachtigde heeft desgevraagd bij brief van 19 oktober 2000 aan de rechtbank laten weten, dat zich geen erfgenamen van eiser bij hem gemeld hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank is hangende de procedure het belang bij een beslissing van de zaak ten gronde verloren gegaan, nu eiser is overleden en zich noch bij verweerder noch bij eisers gemachtigde noch bij de rechtbank erfgenamen van eiser hebben gemeld. Evenmin is gebleken dat een curator ex artikel 4:1173, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is benoemd ten behoeve van de onbeheerde nalatenschap.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING.
De arrondissementsrechtbank te Maastricht:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2000
door mr. van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. C. Kavelaars w.g. M.C. van Binnebeke
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op:
3 november 2000
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.