Bestuursrecht overig
Woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep. Geen…
Rechtbank Midden-Nederland, 26 juli 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:3492 · Rechtbank Midden-Nederland · 26 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbmne-2021-3492
Zaakgegevens
Op 26 juli 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 26 juli 2021
- Datum publicatie
- 26 juli 2021
- Zaaknummer
- UTR 21/3007
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:3492
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep. Geen sprake van spoedeisend belang. Verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3007
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juli 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J. Lokollo),
en
de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 25 januari 2021 (primaire besluit) heeft verweerder gelast de woning van verzoeker aan de [adres] te [plaats] voor de duur van drie maanden te sluiten.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 17 februari 2021 (UTR 21/368) heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en de werking van het besluit geschorst tot bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Bij besluit van 16 juli 2021 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit gehandhaafd, waarbij hij de nieuwe datum van de sluiting van de woning heeft bepaald op 27 juli 2021.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
3. Verzoeker heeft aangevoerd dat de spoedeisendheid blijkt uit de aard van de zaak. Daarnaast is sprake van spoedeisendheid omdat woningsluiting in het geval van verzoeker onomkeerbare gevolgen heeft. Het is belangrijk dat verzoeker gedurende zijn verblijf bij verslavingskliniek [naam kliniek] altijd kan terugvallen op zijn eigen veilige omgeving. In het geval de behandeling van verzoeker (tijdelijk) wordt stopgezet moet verzoeker terug kunnen naar zijn woning. Bovendien kan verzoeker een COVID besmetting oplopen en in quarantaine moeten waardoor zijn behandeling tijdelijk wordt stopgezet. In dat geval zal verzoeker op straat belanden, waardoor hij is aangewezen op de daklozenopvang. Vanwege zijn kwetsbaarheid ten aanzien van middelengebruik is dit zeer onwenselijk, voor verzoeker zelf en voor de openbare orde. Bovendien zal verzoeker minder goed bereikbaar zijn voor hulpverlening.
4. Verweerder heeft aangegeven geen spoedeisend belang te zien. De behandeling bij [naam kliniek] duurt twaalf weken, de hele periode dat de woning gesloten zal worden. Daarnaast geeft verweerder aan dat indien verzoeker de behandeling volgt en binnen de termijn van de voorgenomen sluiting terug wil keren naar de woning, in overleg met de hulpverlening en naar aanleiding van een verzoek, kan worden bekeken of de woning eerder open kan.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van spoedeisend belang. Het standpunt dat spoedeisendheid al blijkt uit de omstandigheid dat de woning van verzoeker wordt gesloten, volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de omstandigheden van het geval moet blijken of sprake is van spoedeisend belang. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de datum van de sluiting van de woning heeft vastgesteld op 27 juli 2021 omdat verzoeker dan wordt opgenomen in [naam kliniek] . Verzoeker heeft gesteld dat hij gedurende zijn verblijf bij [naam kliniek] zijn woning nodig heeft om daarop terug te vallen als het nodig is, in geval van een terugval of van een COVID besmetting. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit onzekere toekomstige gebeurtenissen zijn die op voorhand geen spoedeisend belang geven. Daarnaast blijkt uit de toelichting van verweerder dat verzoeker verweerder kan verzoeken om de sluiting van de woning eerder op te heffen, mocht verzoeker vroegtijdig de behandeling bij [naam kliniek] moeten stopzetten. Ook kan verzoeker, indien hij spoedeisend belang heeft, wederom de voorzieningenrechter verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft nu niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onomkeerbare omstandigheden waardoor van verzoeker niet gevergd kan worden dat hij de uitspraak op het beroep afwacht.
Evident onrechtmatigheid
6. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
7. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
8. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 26 juli 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: