Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van connexiteit. Verzoeker heeft…

Rechtbank Midden-Nederland, 17 juni 2025

Zaakgegevens

Op 17 juni 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
17 juni 2025
Datum publicatie
11 juli 2025
Zaaknummer
UTR 25/2174
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:3395
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van connexiteit. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld nadat het CBR op zijn bezwaar had beslist.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2174


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2025 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de oplegging van een Lichte Educatieve maatregel Alcohol en verkeer.

  2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

  3. Het CBR heeft met het besluit van 9 december 2024 aan verzoeker de Lichte Educatieve maatregel Alcohol en verkeer opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

  4. Bij besluit van 10 april 2025 heeft het CBR het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Bij brief van 15 april 2025 is verzoeker in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen tegen dit besluit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Alleen als tegen een besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 10 april 2025, waardoor dit niet het geval is. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.

6. De voorzieningenrechter heeft bovendien vastgesteld dat verzoeker geen griffierecht heeft betaald en ook niet om vrijstelling heeft verzocht. Het verzoek om voorlopige voorziening kan ook om die reden niet inhoudelijk worden beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025.

griffier

De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.