Bestuursrecht overig
Verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing verzoek wegens ontbreken spoedeisend belang.
Rechtbank Midden-Nederland, 13 mei 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3908 · Rechtbank Midden-Nederland · 13 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbmne-2026-3908
Zaakgegevens
Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Datum publicatie
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2875
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3908
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing verzoek wegens ontbreken spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 26/2875
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: H. Rempe).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college waarin aan verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het gebruik van het perceel [perceel] ( [postcode] ) in [plaats] als beautysalon zonder de benodigde omgevingsvergunning.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker wil met zijn verzoek voorkomen dat hij vanaf 1 juni 2026 dwangsommen verbeurt als hij niet vóór die datum de gestelde overtreding van artikel 6.1 van het Omgevingsplan in samenhang met artikel 4 van de planregels van het vigerende bestemmingsplan ongedaan laat maken of maakt en ongedaan laat houden of houdt.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
5. Het college heeft laten weten de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom te verlengen tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak op het beroep heeft gedaan of tot de last onder dwangsom in rechte onaantastbaar is geworden.
6. Verzoeker heeft hierin geen aanleiding gezien om het verzoek in te trekken. Volgens verzoeker is er nog steeds sprake van spoedeisend belang. De last onder dwangsom is namelijk nog steeds van kracht en brengt voor hem voortdurende onzekerheid mee over het toegestane gebruik. Hierdoor wordt zijn bedrijfsvoering beperkt en kan hij zijn activiteiten niet op normale wijze voortzetten zolang er geen duidelijkheid bestaat over de rechtmatigheid van het besluit. Daarnaast blijft het risico op handhaving bestaan zodra de verlengde begunstigingstermijn verstrijkt.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van het verzoek. Het college heeft namelijk toegezegd de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom te verlengen tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoeker of tot de last onder dwangsom in rechte vaststaat. Er is dus geen sprake van onverwijlde spoed waardoor een voorziening getroffen moet worden. De door verzoeker aangevoerde redenen waarom er volgens hem wel sprake is van spoedeisend belang maken dit niet anders.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: