Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening horend bij zaaknummers UTR 25/4557, UTR 25/4646, UTR 25/4953 en UTR…

Rechtbank Midden-Nederland, 30 juni 2026

Zaakgegevens

Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
30 juni 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/1185
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4423
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening horend bij zaaknummers UTR 25/4557, UTR 25/4646, UTR 25/4953 en UTR 25/4954. Het verzoek wordt afgwezen, omat is beslist op de beroepen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1185


uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Jansen),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

(gemachtigden: L.G. Rissema-van Haren en J.E. Tichelaar).

Procesverloop

1. De minister heeft aan verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd vanwege het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen. Daarnaast heeft de minister geen uitstel van betaling verleend aan verzoekster en bij haar de wettelijke rente en deurwaarderskosten in rekening gebracht. Ook heeft verzoekster een aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau gekregen. Verzoekster heeft tegen deze bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Bij uitspraak van vandaag in zaaknummers UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

5. Verzoekster heeft nog opgemerkt dat hoe dan ook de door haar gemaakte proceskosten zouden moeten worden vergoed. Daarbij wijst zij er op dat de minister als gevolg van haar verzoek de invorderingsmaatregelen heeft opschort en de beslaglegging niet heeft geëffectueerd. Wat daar ook van zij, overweegt de voorzieningenrechter dat van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet is gebleken. Zoals in de uitspraak van vandaag in zaaknummers UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954 uiteen is gezet, is namelijk geen sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.