Bestuursrecht overig

Anoniem procederen. Vovo Woo toegewezen. Nu al openbaar maken maakt verdere beoordeling van beroepe zinloos.

Rechtbank Midden-Nederland, 28 januari 2026

Zaakgegevens

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 25/4479
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5407
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Anoniem procederen. Vovo Woo toegewezen. Nu al openbaar maken maakt verdere beoordeling van beroepe zinloos.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 25/4479, 25/4532, 25/4537 en 25/4596.


uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen

Verzoeksters 1 tot en met 4, verzoeksters

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),

en

de ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Als derde-partij neemt deel: [derde partij] .

Procesverloop

  1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit), waarin de minister het bezwaar van de derde-partij gegrond heeft verklaard. De derde-partij heeft op 23 april 2020 op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om openbaarmaking van alle bij de minister aanwezige documenten over alle bedrijven die onderdeel uitmaken van de [bedrijf] . De minister
    heeft in twee deelbesluiten op dit verzoek beslist.

  2. In het deelbesluit 9 januari 2023 (dat gaat over de aan de [bedrijf] verbonden slachterijen) en in het deelbesluit van 23 januari 2023 (dat gaat over de aan de [bedrijf] verbonden overige bedrijven) heeft de minister besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van de gevraagde documenten. Hiertegen heeft derde-partij bezwaar gemaakt.

  3. In het bestreden besluit heeft de minister dat bezwaar gegrond verklaard en heeft zij - onder andere - alsnog besloten tot openbaarmaking van de naam en adresgegevens van de betrokken bedrijven (zowel slachterijen als overige bedrijven). Ook heeft zij besloten dat naar deze bedrijven herleidbare gegevens openbaar worden gemaakt.

  4. Verzoeksters zijn het hiermee niet eens. Zij hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

  5. De verzoeken zijn, gelet op de vestigingsplaatsen van de verschillende bedrijven, bij meerdere rechtbanken ingediend en vervolgens doorgestuurd ter behandeling aan de rechtbank Midden-Nederland, waar het eerste verzoek is ontvangen.

6. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter verzocht om anoniem te mogen procederen. Dat houdt in dat de naam van verzoeksters wel bekend is bij de rechtbank en bij de minister, maar niet bij de derde-partij en andere belangstellenden. De rechtbank heeft dat verzoek in een besluit als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb ingewilligd. Als verzoeksters niet anoniem zouden deelnemen aan deze procedures, zou dat namelijk tot gevolg hebben dat derde-partij en anderen nu al kennis kunnen nemen van de naam en adresgegevens van verzoeksters, terwijl die gegevens juist het onderwerp van de beroepen over de Woo-procedure zijn.

7. Met de verzoeken om een voorlopige voorziening willen verzoeksters dus bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, in die zin dat de documenten die de minister openbaar wil maken, niet openbaar worden gemaakt totdat op de beroepen is beslist.

Overwegingen

8. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, als de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

9. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is. De procedures gaan over de vraag of de namen van de betrokken bedrijven en overige tot hen herleidbare gegevens openbaar gemaakt mogen worden. Deze rechtsvraag leent zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar moet in een bodemprocedure aan de orde komen.

10. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van de beroepen een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging. Het belang van verzoeksters is duidelijk: als de documenten nu al openbaar gemaakt worden, is een verdere beoordeling van de beroepen zinloos. Eén keer openbaar, blijft immers openbaar. Het belang van de minister en van de derde-partij is gelegen in het algemeen belang bij openbaarmaking. De voorzieningenrechter vindt dat het belang van verzoeksters in deze fase zwaarder weegt en daarom wijst zij de verzoeken toe.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op de beroepen. De documenten die betrekking hebben op verzoeksters worden dan ook nu niet openbaar gemaakt.

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht van verzoeksters moet vergoeden. Verzoeksters hebben allen €385,- aan griffierecht betaald. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten. De minister moet die vergoeding betalen. De proceskosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt vastgesteld. Het gaat hier om vier samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. De proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt, is het indienen van de verzoekschriften, waarde 1 punt ter waarde van € 934,-. Hierop wordt ingevolge C2 van het Bpb een factor 1,5 toegepast. Dat maakt dat verzoeksters recht hebben op een proceskostenvergoeding van in totaal € 1401,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit wat betreft de openbaarmaking van documenten die over verzoeksters gaan, tot de uitspraak op de beroepen;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan verzoeksters moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2028.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie overweging 6 van deze uitspraak. Artikel 8:81, eerste lid, in samenhang met artikel 8:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).