Bestuursrecht overig
Verzoek om voorlopige voorziening. Niet-ontvankelijk. Er is geen afschrift van een besluit overgelegd.
Rechtbank Midden-Nederland, 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5749 · Rechtbank Midden-Nederland · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbmne-2026-5749
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/103
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5749
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening. Niet-ontvankelijk. Er is geen afschrift van een besluit overgelegd.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/103
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
Onbekende verweerder.
Inleiding
Verzoekster heeft op 8 januari 2026 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend (het verzoek).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Uit het verzoek is niet op te maken op welk besluit van welke instantie of bestuursorgaan dit verzoek betrekking heeft. Bij het verzoekschrift heeft verzoekster ook geen besluit overgelegd.
4. De rechtbank heeft verzoekster met de brief van 12 januari 2026 verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen. Verzoekster heeft binnen die termijn geen afschrift van het besluit overgelegd. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: