Bestuursstrafrecht

Beroep tegen verlenging huisverbod op grond van Wet tijdelijk huisverbod. De rechtbank verklaart het beroep…

Rechtbank Midden-Nederland, 17 juli 2026

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/6297
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4972
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen verlenging huisverbod op grond van Wet tijdelijk huisverbod. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat op basis van de RiHG niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan. Nadat de burgemeester nadere stukken heeft ingediend, is wel aannemelijk geworden dat er sprake is van ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat er na oplegging van het huisverbod niets wezenlijks is veranderd en daarmee het ernstige vermoeden van gevaar zich heeft voortgezet. Uit het verlengingsbesluit en het zorgadvies volgt immers dat eiser niet open staat voor behandeling of begeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6298


uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2026 op het beroep van


[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De burgemeester van Laren

(gemachtigden: mr. L. Miltenburg, mr. F. Roesink en mevr. N. Lowijs).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (achterblijfster)

(gemachtigde: mr. M. Bosman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen de verlenging van een huisverbod.

1.1.

De burgemeester heeft op 25 juni 2026 een huisverbod opgelegd aan eiser voor de duur van 10 dagen. Eiser is niet in beroep gegaan tegen dit besluit.

1.2.

De burgemeester heeft met het besluit van 2 juli 2026 het huisverbod verlengd voor de duur van 18 dagen. Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld.

1.3.

De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Achterblijfster heeft ook schriftelijk gereageerd. De betrokken kinderen zijn in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Eén van de kinderen heeft hier schriftelijk gebruik van gemaakt.

1.4.

De rechtbank heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser nam deel met behulp van een videoverbinding. De gemachtigden van de burgemeester hebben fysiek deelgenomen aan de zitting. Hierbij was ook dhr. [A] aanwezig in zijn hoedanigheid als [functie] voor Veilig Thuis.

1.5.

Na afloop van de zitting is het gelijktijdig behandelde verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en heeft de rechtbank de behandeling van het beroep geschorst en de burgemeester kort gezegd opdracht gegeven om nadere informatie te verstrekken.

1.6.

Bij schrijven van 16 juli 2026 heeft de burgemeester een nadere motivering op het besluit gegeven en nadere stukken ingediend. Eiser en achterblijfster hebben hier op gereageerd.

1.7.

Geen van partijen wenste gehoord te worden op een nadere zitting, de rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het verlengde huisverbod blijft feitelijk dus gelden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?

3. De burgemeester heeft op 25 juni 2026 een huisverbod opgelegd aan eiser voor de duur van 10 dagen. De burgemeester heeft een Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) van 25 juni 2026 ten grondslag gelegd aan dit besluit. In de RiHG wordt beschreven dat het toegepaste psychische geweld op zowel achterblijfster als ook haar dochter van kwaad tot erger gaat. Eiser zou geen terughoudendheid hebben om achterblijfster in het bijzijn van hun kinderen te kleineren en ruzie met haar te maken. Achterblijfster geeft aan helemaal klaar te zijn met het gedrag van eiser en wenst van hem te scheiden. Eiser zou het hele verhaal bagatelliseren en de schuld bij haar leggen. Uit het RiHG volgt dat eiser op 10 juni 2026 zijn vrouw zou hebben bedreigd met een mes en dat een huisverbod daarom zeer aan de orde is. Achterblijfster zou op 25 juni 2026 haar huis uit zijn gevlucht, waarna het huisverbod is opgelegd.

4. Uit het initieel opgelegde huisverbod volgt dat er volgens de burgemeester geen beperkingen waren voor eiser om de woning te verlaten, om zijn vrouw en kinderen rust te gunnen. Ook kon dan de juiste hulpverlening worden opgestart voor beiden. De veiligheid van de achterblijvers kon op dat moment onvoldoende worden gewaarborgd. Met het opleggen van een huisverbod wordt namelijk een time-out gegeven en krijgt de pleger een signaal dat huiselijk geweld niet door de samenleving wordt getolereerd. Volgens de burgemeester wegen de belangen van de pleger bij het niet opleggen van een huisverbod, in dit geval, minder zwaar dan de belangen van de achterblijvers bij het wel opleggen daarvan. Daarnaast kon eiser onderdak krijgen bij zijn familie en heeft achterblijfster geen opvangadres.

5. De burgemeester heeft het huisverbod op 2 juli 2026 verlengd. Volgens de burgemeester is de veiligheid onvoldoende hersteld, zijn er geen veiligheidsafspraken gemaakt en is er geen passende hulpverlening opgestart. Dit volgt uit het advies van de [functie] van Veilig Thuis, wat ten grondslag is gelegd aan dit (bestreden) besluit.

6. Eiser is het niet eens met de verlenging van het huisverbod, omdat er volgens hem nooit sprake is geweest van een ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan. Daarnaast stelt eiser dat de burgemeester op dit punt onvoldoende (zelfstandig) onderzoek heeft verricht en is uitgegaan van onvolledige, onjuiste en subjectieve informatie. Volgens eiser blijkt ook uit het feit dat zijn huisnummer en geboorteplaats onjuist staan vermeld in het bestreden besluit, dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft voorts veel informatie naar voren gebracht over problematiek die bij achterblijfster zou spelen en gevaarlijk zou zijn voor de (ontwikkeling van de) kinderen.


Relevante bepalingen

7. Uit artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) volgt dat de burgemeester een huisverbod kan opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

8. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.


Ontvankelijkheid

9. De burgemeester heeft aangevoerd dat eiser het beroepschrift niet heeft ondertekend en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. De rechtbank komt tot het oordeel dat ter zitting voldoende is komen vast te staan dat eiser degene is die het beroep heeft ingediend. Eiser is daarom wel ontvankelijk in zijn beroep.
Inhoudelijke beoordeling

10. De rechtbank ziet in het formele standpunt van eiser - over het foutieve adres en de geboorteplaats – op zichzelf geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. Voor eiser en andere betrokken is volstrekt helder op wie het huisverbod ziet en voor welk adres het geldt. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

11. De rechtbank moet beoordelen of de burgemeester het huisverbod mocht verlengen op grond van artikel 9 van de Wth. Kort gezegd is daarvoor van belang dat (het ernstige vermoeden van) het onmiddellijke gevaar zich voortzet. De rechtbank beoordeelt daarom ook of van dat gevaar initieel wel sprake is geweest. Immers, indien bij oplegging van het eerste huisverbod geen sprake was van een ernstig vermoeden van gevaar, dan kan dat gevaar zich ook niet hebben voortgezet. De door eiser aangevoerde gronden hebben ook uitsluitend betrekking op het in eerste instantie aangenomen gevaar.

12. De rechtbank stelt vast dat de burgemeester één RiHG heeft overgelegd, waaruit blijkt dat achterblijfster aangifte heeft gedaan van bedreiging door eiser. Die bedreiging is gelet op de RiHG niet de directe aanleiding geweest om een huisverbod op te leggen. Dat is namelijk pas ongeveer twee weken later gebeurd. Uit het proces-verbaal van bevindingen voor een beslissing huisverbod blijkt ook dat de aanleiding een melding is geweest dat achterblijfster uit haar woning is gevlucht omdat ze doodsbang was voor eiser. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken – en tijdens het onderzoek op de zitting – niet duidelijk is geworden wat de aard van deze melding is geweest, en dus wat er die avond concreet is voorgevallen. Over deze concrete aanleiding voor het opleggen van het huisverbod zijn ook geen stukken overgelegd.

13. Verder is het de rechtbank ook niet duidelijk geworden op basis waarvan de RiHG is opgesteld, en wie of wat de bron is van de daar weergegeven informatie. Daarmee kan de betrouwbaarheid onvoldoende worden beoordeeld, waardoor niet is vast te stellen of het aannemelijk is dat er sprake is van een ernstig vermoeden van gevaar. Het is weliswaar niet noodzakelijk dat alle onderliggende stukken, zoals mutaties en processen-verbaal van de politie en onderzoek, rapporten en/of verslagen van Veilig huis, aan het dossier worden toegevoegd, maar het moet wel navolgbaar zijn waarop gepresenteerde informatie is gebaseerd. Voor de beoordeling van de aanwezigheid van een ernstig vermoeden van gevaar kan het immers relevant zijn of alle informatie van achterblijfster afkomstig is, of dat er ook andere bronnen zijn voor de geschetste situatie.

13. Voorts is tijdens de zitting ter sprake gekomen dat er na de aangifte van bedreiging nog driemaal politie betrokken is geweest. Daarbij is niet duidelijk geworden wat de aard van deze meldingen is geweest, of deze meldingen mede redengevend zijn geweest voor de oplegging van het huisverbod en hoe deze kennelijke incidenten gewogen moeten worden in het licht van het door de burgemeester aangenomen gevaar.

15. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat op basis van de RiHG niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan.

16. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dit doet de rechtbank aan de hand van de na zitting overgelegde stukken door de burgemeester. Daarbij wordt beoordeeld of die nadere toelichting en stukken wel voldoende aannemelijk maken dat sprake is van een ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan.

16. Met de na zitting overgelegde stukken kan de rechtbank het volgende vast stellen. Op 10 juni 2026 heeft zich in de woning een incident afgespeeld tussen eiser en achterblijfster, waarbij de kinderen aanwezig waren. Achterblijfster heeft hiervan aangifte gedaan, zij zou zijn mishandeld en met een mes zijn bedreigd. Bij de stukken zit ook een dagvaarding aan eiser. Hij moet zich voor deze verdenkingen verantwoorden bij de politierechter. De rechtbank leidt daaruit af dat het openbaar ministerie kennelijk voldoende steunbewijs ziet voor de aangifte van achterblijfster om tot vervolging over te gaan. Uit weergegeven mutaties volgt ook dat de dochter de bedreiging heeft waargenomen.
Hiermee is in beginsel voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. De bedreiging met een mes is echter niet direct aanleiding geweest tot oplegging van het huisverbod. Uit de stukken kan inmiddels worden opgemaakt dat dit toen niet is gebeurd omdat achterblijfster enerzijds nog aarzelend was over te nemen stappen en anderzijds er op vrijwillige basis afspraken gemaakt leken te kunnen worden die er mede toe strekten dat eiser (tijdelijk) elders zou gaan wonen. Uit de stukken volgt evenwel dat eiser toch naar huis is teruggekeerd, hetgeen meerdere keren tot politiemeldingen heeft geleid, waarna aanrijdende politie gestreste kinderen heeft aangetroffen. Ook blijkt uit de stukken van de politie dat zij hebben waargenomen dat achterblijfster en haar dochter de avond voor oplegging van het huisverbod de woning niet meer in durfden. Al met al is de rechtbank daarom van oordeel dat de burgemeester ten tijde van de oplegging van het huisverbod heeft mogen aannemen dat sprake was van een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar.

16. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat er na oplegging van het huisverbod niets wezenlijks is veranderd en daarmee het ernstige vermoeden van gevaar zich heeft voortgezet. Uit het verlengingsbesluit en het zorgadvies volgt immers dat eiser niet open staat voor behandeling of begeleiding. Dat heeft eiser op de zitting ook in zekere zin bevestigt, hij heeft op de zitting in ieder geval niet de bereidheid getoond onvoorwaardelijk behandeld te willen worden. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, te weten het verlengde huisverbod, wel in stand blijven.

16. De rechtbank overweegt tot slot dat verwijten van eiser aan het adres van achterblijfster niet relevant zijn voor de beoordeling van het voorliggende besluit. Dat haar verwijten gemaakt kunnen worden, de rechtbank laat zich over de juistheid daarvan niet uit, neemt het aannemelijk geworden ernstige vermoeden van gevaar dat van eiser uit gaat immers niet weg. In bredere zin is het wel van groot belang dat beide kanten van het verhaal goed worden onderzocht en dat niet alleen de verklaringen van achterblijfster serieus worden genomen.
Conclusie en gevolgen

16. Omdat de verlenging van het huisverbond onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, vernietigt de rechtbank dat besluit. Omdat de burgemeester die motivering na de zitting wel voldoende heeft uitgebreid, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat het verlengde tijdelijk huisverbod voor eiser blijft gelden. Omdat er geen griffierecht is geheven en niet is gebleken van gemaakte proceskosten door eiser, hoeft de burgemeester dat ook niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaar het beroep gegrond;
- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (het verlengde huisverbod) in stand.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 door mr. G. Schnitzler, rechtbank, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.