Civiel recht overig

Dalianz en WCoolIT vorderen betaling van onbetaalde facturen van Inproba voor werkzaamheden als hoofd…

Rechtbank Midden-Nederland, 8 mei 2026

Zaakgegevens

Op 8 mei 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
8 mei 2026
Datum publicatie
19 mei 2026
Zaaknummer
C/16/603779 / HA ZA 25-603
Procedure
Proces-verbaal
Advocaat
mr. J.G.M Roijers, mr. K.S. Guldemond
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:2707
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dalianz en WCoolIT vorderen betaling van onbetaalde facturen van Inproba voor werkzaamheden als hoofd administratie (juli–augustus 2025) en een slotfactuur. Rechter wijst facturen voor verrichte werkzaamheden grotendeels toe, slotfactuur wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/603779 / HA ZA 25-603

Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2026

in de zaak van

1 DALIANZ BEHEER B.V.,

te Schipluiden,

hierna te noemen: Dalianz,

2. WCOOLIT B.V.,

te Schipluiden,

hierna te noemen: WCoolIT,

eisende partijen,

advocaat: mr. J.G.M. Roijers,

tegen

INPROBA B.V.,

te Baarn,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Inproba,

advocaat: mr. K.S. Guldemond.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.

De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, rechter, bijgestaan door mr. J. Rasink-de Kruijf en mr. A. van den Berg als griffiers.

Aanwezig zijn:

- namens Dalianz en WCoolIT, dhr. [A] , bijgestaan door mr. R. Wijn,

- namens Inproba, dhr. [B] en [C] , bijgestaan door mr. J.C. van Leeuwen en mr. L.S.M. Capel.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,

  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9,

  • de aanvullende producties 8 en 9 van Dalianz en WCoolIT.

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en de vragen van de rechter beantwoord. De rechter heeft vervolgens de mondelinge behandeling gesloten en mondeling uitspraak gedaan. Een samenvatting van die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.

2 Waar gaat deze rechtszaak over?

2.1.

Dalianz heeft op 30 oktober 2023 met Inproba een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de overeenkomst), op basis waarvan [A] als hoofd administratie werkzaamheden heeft verricht voor Inproba. De facturatie werd verzorgd door WCoolIT. Inproba heeft de facturen voor verrichte werkzaamheden in juli en augustus 2025 onbetaald gelaten. Dalianz en WCoolIT vorderen betaling van die facturen. Daarnaast vorderen zij betaling van een slotfactuur, die is gebaseerd op een volgens hen in een addendum bij de overeenkomst vastgelegde afspraak. Inproba betwist dat alle gefactureerde uren zijn gemaakt en betwist de juistheid van de slotfactuur. De rechter wijst de vordering tot betaling van de facturen voor de verrichte werkzaamheden grotendeels toe en wijst de vordering tot betaling van de slotfactuur af.

3 De beoordeling

Van de eerste twee facturen moet Inproba € 30.544,11 betalen

3.1.

Inproba heeft haar verweren dat de gefactureerde uren van juli en augustus 2025 niet zijn goedgekeurd, dat de urennorm van maximaal 32 uur per week is overschreden en dat het werk niet aan de kwaliteitsnormen voldoet, op de zitting ingetrokken. Op deze verweren ga ik daarom niet meer in. Ten aanzien van de verweren die zien op de gefactureerde uren zelf, onderscheid ik drie categorieën.

1. Aankomsttijd

3.2.

Inproba voert aan dat sommige aankomsttijden van [A] niet kloppen. Inproba heeft dit verweer onderbouwd aan de hand van gegevens van de tourniquet (draaideur) bij het pand van Inproba. De afwijking van de door [A] opgegeven aankomsttijden met de door Inproba geregistreerde aankomsttijden is voor het merendeel marginaal, zo’n tien tot vijftien minuten. Maar er zijn ook enkele gevallen waar er een groot verschil is. [A] heeft verklaard dat hij die tijd heeft besteed aan gesprekken met collega’s buiten het kantoor. Dat valt nu niet te controleren. Het geeft wel enige grond voor de aanname van Inproba dat [A] ruim was met uren schrijven.

2. Onnodig werk

3.3.

Volgens Inproba heeft [A] onnodig werk verricht. Zo heeft [A] in het weekend van 26 en 27 juli 2025 uren geschreven voor het doornemen van stukken van de nieuwe accountant van Inproba, terwijl dat volgens Inproba niet nodig was omdat [B] de contactpersoon van de accountant was. [A] heeft op de zitting een aannemelijke verklaring gegeven voor deze uren. Hij heeft namelijk gezegd dat [B] hem had gevraagd op maandag 28 juli 2025 een gesprek met de accountant te voeren omdat [B] toen op vakantie was. Inproba heeft dat niet weersproken. Het gaat hier ook om een overeenkomst op basis van uurtje-factuurtje, dan moet Inproba betalen voor de door [A] verrichte werkzaamheden, en gaat het niet aan om achteraf ieder uur kritisch te beoordelen of het echt hard nodig was.

3. “Bijklussen in de baas zijn tijd”

3.4.

Uit de stukken van Inproba blijkt dat [A] in juli en augustus een enkele keer een e-mail heeft verzonden aan zichzelf vanaf zijn account van Inproba met documenten die betrekking hebben op andere opdrachtgevers. Op die momenten was [A] dus niet bezig met werkzaamheden voor Inproba. Maar hieraan kan niet de conclusie worden verbonden dat [A] onder werktijd bij Inproba urenlang heeft besteed aan het opstellen van documenten voor derden. Het incidenteel versturen van een e-mail onder werktijd bij Inproba is daarvoor onvoldoende. Het kan wel aanleiding geven om aan te nemen dat [A] als hij bij Inproba aan het werk was en zijn hele werktijd schreef, ook wel eens wat anders deed.

3.5.

Op grond van het gemotiveerde verweer van Inproba zie ik aanleiding om een korting van 15% toe te passen op de gefactureerde uren over juli en augustus 2025. Over de in rekening gebrachte kilometervergoeding is niet geklaagd, zodat deze toewijsbaar is. Ik kom dan uit op een totaalbedrag van € 30.544,11 inclusief btw (€ 19.248,76 voor de factuur van 2 augustus 2025 en € 11.295,35 voor de factuur van 3 september 2025).

verstuurd:

met aftrek

15%

factuur 2-8-25

196,25

uur

€ 85,00

€ 16.681,25

166,8125

uur

€ 85,00

€ 14.179,06

2470

km

€ 0,70

€ 1.729,00

2470

km

€ 0,70

€ 1.729,00

€ 18.410,25

€ 15.908,06

met btw

€ 22.276,40

met btw

€ 19.248,76

met aftrek

15%

factuur 3-9-25

120

uur

€ 85,00

€ 10.200,00

102

uur

€ 85,00

€ 8.670,00

950

km

€ 0,70

€ 665,00

950

km

€ 0,70

€ 665,00

€ 10.865,00

€ 9.335,00

met btw

€ 13.146,65

met btw

€ 11.295,35

€ 35.423,05

€ 30.544,11

Inproba moet dit bedrag aan WCoolIT betalen. Op grond van de overeenkomst mag WCoolIT namelijk op eigen naam de facturen voor de door [A] gemaakte uren opstellen en daarvan betaling vorderen.

De slotfactuur wordt afgewezen

De oorspronkelijke grondslag (het addendum)

3.6.

[A] heeft verklaard dat hij op 13 juni 2024 met [D] van Inproba (hierna: [D] ) heeft afgesproken dat hij bij opzegging van de overeenkomst of bij afsluiting van het Inproba-systeem een vergoeding ter hoogte van één gemiddelde maandfactuur zou ontvangen. Dat die afspraak is gemaakt, heeft Inproba gemotiveerd betwist.

3.7.

Ter onderbouwing van zijn stelling beroept [A] zich op een op 13 juni 2024 gedateerd stuk, het addendum. [D] verklaart niets van dit document af te weten. In de conclusie van antwoord wordt getwijfeld aan de juistheid van het document. Inproba spreekt in dat verband van knip-en-plakwerk. Onder deze omstandigheden ligt het dan op de weg van [A] om daar wat tegenover te stellen. Dat heeft hij niet gedaan. Het addendum zou volgens [A] door hemzelf zijn opgesteld, aan zijn kant al van een elektronische handtekening zijn voorzien en geprint, waarna [D] het met een natte handtekening zou hebben ondertekend en in zijn postvak zou hebben gelegd. Er moet dan een origineel zijn met natte handtekening, maar dat heeft [A] niet overgelegd, terwijl in de conclusie van antwoord, van maanden geleden, al wordt gezegd dat het opvallend is dat hij dat niet doet. En hij zegt net tegen mij dat hij het origineel aan mij zou geven maar wat hij me gaf was niet een origineel zoals hij het origineel daarvoor had omschreven.
Ook elders in het dossier vindt de stelling van [A] dat [D] en hij op 13 juni 2024 de gestelde afspraken hebben gemaakt onvoldoende steun. Inproba bestrijdt ook de authenticiteit van de e-mail van 13 juni 2024 van [A] aan [D] (productie 7 bij dagvaarding), waarin [A] een met [D] gevoerd evaluatiegesprek bevestigt, en dezelfde voorwaarden noemt. Ook dat doet Inrpoba duidelijk gemotiveerd. [D] heeft verklaard medio juni 2024 niet aanwezig te zijn geweest bij Inproba. Daar komt bij dat Inproba laat zien dat [A] op 15 september 2025 een vrijwel identieke e-mail van 8 april 2024 aan [D] aan zichzelf heeft doorgestuurd. Ik heb [A] daarnaar gevraagd en hij heeft geen duidelijke verklaring gegeven voor het bestaan van twee verschillende mails waarin schijnbaar hetzelfde gesprek wordt bevestigd, en die volgens Inrpoba niet zijn verstuurd. Ik zie dan ook onvoldoende steun voor de stelling dat de in het addendum neergelegde afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt. Dit oordeel impliceert niet zonder mee dat het addendum is vervalst. Dat hoef ik in deze civiele procedure ook niet vast te stellen. Wel betekent het dat de grondslag voor de vordering (dat de gestelde afspraak over een slotfactuur is gemaakt) in het licht van het gemotiveerde verweer van Inproba onvoldoende is onderbouwd, zodat van die afspraken niet kan worden uitgegaan.

De alternatieve grondslag (aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid)

3.8.

Op de zitting heeft WCoolIT zich subsidiair beroepen op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. In de overeenkomst staat “Opzegtermijn: in gezamenlijk overleg”. Volgens WCoolIT hebben partijen niet over een opzegtermijn gesproken en brengen de redelijkheid en billijkheid dan mee dat moet worden uitgegaan van een opzegtermijn van één maand. Inproba heeft niet gezegd dat deze grondslag te laat is aangevoerd en heeft erop kunnen reageren. Ik zal daarom op deze nieuwe grondslag ingaan.

3.9.

De bepaling dat de opzegtermijn “in gezamenlijk overleg” wordt bepaald impliceert dat in ieder geval een zekere opzegtermijn in acht genomen had moeten worden, wat zou betekenen dat Inproba ten minste enige vergoeding zou moeten betalen. Ik kan echter niet vaststellen wie de overeenkomst heeft opgezegd. Partijen spreken elkaar daarover tegen en het is duidelijk dat Inproba heeft aangestuurd op vertrek van [A] en [A] daarop niet meer heeft gedaan wat hem werd verzocht. Daar komt bij dat WCoolIT de slotfactuur in eerste instantie uitsluitend heeft gegrond op het addendum. Als zij van meet af aan deze alternatieve grondslag had aangevoerd was het mogelijk anders geweest, maar nu is er te weinig naar voren gebracht om op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een opzegvergoeding gelijk aan een gemiddelde maandfactuur toe te wijzen. Dat betekent dat de vordering tot betaling van de slotfactuur wordt afgewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen

3.10.

WCoolIT vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. WCoolIT heeft voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat zij recht heeft op vergoeding daarvan op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 1.080,44 worden toegewezen. Dit bedrag is gebaseerd op de toegewezen hoofdsom van € 30.544,11.

De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen

3.11.

Inproba heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verzuim, zodat de wettelijke handelsrente moet worden afgewezen. Ik volg dit standpunt niet. Omdat ik vaststel dat Inproba ten onrechte 85% van de facturen onbetaald heeft gelaten, en [B] bovendien in het begin heel expliciet heeft aangegeven helemaal niets te zullen betalen, is Inproba zeker wel in verzuim geraakt. De wettelijke handelsrente is verschuldigd over het toegewezen deel van de factuur van 2 augustus 2025 vanaf 17 augustus 2025 en over het toegewezen deel van de factuur van 3 september 2025 vanaf 18 september 2025. Partijen zijn namelijk een betaaltermijn van 14 dagen na factuurdatum overeengekomen.

Inproba moet de proceskosten betalen

3.12.

Inproba wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WCoolIT worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

122,35

- griffierecht

€

2.995,00

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

5.886,35

3.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.14.

Ten overvloede merk ik op dat de beslissing over de wettelijke handelsrente en proceskosten mogelijk anders had uitgepakt als Inproba een groot deel van de eerste en tweede factuur had voldaan. Maar dat is niet het geval.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.15.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals gevorderd.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt Inproba om aan WCoolIT te betalen een bedrag van € 19.248,76, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 17 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt Inproba om aan WCoolIT te betalen een bedrag van € 11.295,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt Inproba om aan WCoolIT te betalen een bedrag van € 1.080,44 aan buitengerechtelijke incassokosten,

4.4.

veroordeelt Inproba in de proceskosten van € 5.886,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Inproba niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.5.

veroordeelt Inproba tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

4.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.