Civiel recht overig

Rechtbank Midden-Nederland · Wraking · Civiel recht overig

Rechtbank Midden-Nederland, 5 juni 2018

Zaakgegevens

Op 5 juni 2018 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
5 juni 2018
Datum publicatie
7 juni 2018
Zaaknummer
459964 HA RK 18-154
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2018:2552
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

wraking

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Wrakingskamer

Locatie: Utrecht

Zaaknummer: 459964 HA RK 18-154

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 5 juni 2018

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

Texero B.V. te Cothen,

gemachtigde: [B]

(verder te noemen: verzoekster),

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek van verzoekster van 9 mei 2018;

- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 9 mei 2018 in de zaak van de kantonrechter met zaaknummer 6557487 UC EXPL 18-35;

- een e-mail van verzoekster van 15 mei 2018;

- de reactie op het wrakingsverzoek van mr. H.A.M. Pinckaers van 15 mei 2018.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 22 mei 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling is [A] verschenen, de echtgenoot van [B] en, blijkens de ter zitting overgelegde schriftelijke machtiging, door haar gemachtigd op te treden in de procedure Texero B.V. tegen Hondosan B.V. met zaaknummer 6557487 UC EXPL 18-35.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. H.A.M. Pinckaers als behandelend (kanton)rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 6557487 UC EXPL 18-35, waarin, op basis van een vonnis van 7 februari 2018, op 9 mei 2018 een comparitie van partijen na antwoord plaatsgevonden. Deze zaak betreft een geschil tussen Texero B.V. en Hondosan B.V. over de afwikkeling van een huurovereenkomst.

2.2.

Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar wrakingsverzoek. Tijdens de comparitie op 9 mei 2018 was de bestuurder van Hondosan B.V.,

[C], niet aanwezig. Zijn dochter [D] was wel aanwezig, maar niet beslissingsbevoegd. Dit blijkt uit informatie van de Kamer van Koophandel. Op die wijze kon geen comparitie van partijen plaatsvinden. Daarnaast heeft de rechter gemaakte mondelinge afspraken zomaar terzijde geveegd met de ter zitting door haar gemaakte opmerking: “Ja afspraken worden nu eenmaal gewijzigd.” Verzoekster kan zich hier niet mee verenigen en is daarom tot wraking van de rechter overgegaan.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij allereerst dat de dochter van [C] een medewerkster is van Hondosan B.V. en in die hoedanigheid betrokken is bij de huurovereenkomst met Texero. Haar naam komt in het dossier op diverse plaatsen voor. De dochter heeft tijdens de zitting meegedeeld dat zij door haar vader is gemachtigd om afspraken te maken, wat is bevestigd door de aanwezige advocaat van Hondosan B.V., mr. V.O. Agterberg. De rechter zag geen aanleiding hieraan te twijfelen. De beslissing om [D] te accepteren als vertegenwoordigster van Hondosan B.V. zegt niets over (de schijn van) partijdigheid, aldus de rechter.

2.4.

De rechter bevestigt dat zij tijdens de zitting heeft gezegd dat afspraken nu eenmaal worden gewijzigd, maar de toedracht van die opmerking was een andere dan door verzoekster beschreven. De rechter licht toe dat zij de opmerking heeft gemaakt in de context van de huurovereenkomst. Uit het dossier blijkt dat gedurende twee jaar voortdurend bijstelling en aanpassing van afspraken nodig zijn geweest, bijvoorbeeld vanwege het oplopen van huurachterstand, vanwege het verstekvonnis en vanwege de executie van dat vonnis. De rechter geeft verder aan dat zij beide partijen tijdens de comparitie ruimschoots de gelegenheid heeft gegeven hun standpunten toe te lichten. Ter toelichting merkt de rechter op dat het karakter van een comparitie van partijen met zich brengt dat partijen bevraagd worden over onduidelijkheden en dat zij de gelegenheid hebben te reageren op hetgeen de rechter opvalt. In dat kader moet de opstelling van de rechter worden gezien.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De rechtbank onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De rechtbank zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv moet het verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die in de visie van een verzoeker tot wraking van de behandelend rechter zouden moeten leiden, bekend zijn geworden. Daarnaast moeten de feiten en omstandigheden die in de visie van een verzoeker tot wraking moeten leiden op grond van artikel 37, derde lid, Rv gelijktijdig worden voorgedragen. Dat is slechts anders indien ná het eerdere verzoek nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden die wederom, in de visie van een verzoeker, een wrakingsverzoek rechtvaardigen.

3.4.

In deze zaak is de rechter op 9 mei 2018 gewraakt. Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek twee wrakingsgronden naar voren gebracht, te weten het accepteren van de dochter van [C] als vertegenwoordigster van Hondosan B.V. bij de comparitie van partijen en de opmerking van de rechter over het wijzigen van gemaakte afspraken. Bij het

e-mailbericht van 15 mei 2018 heeft verzoekster daar gronden aan toegevoegd. De wrakingskamer is van oordeel dat deze aanvulling op de wrakingsgronden gelet op het bepaalde in artikel 37 Rv niet tijdig is voorgedragen. Niet gesteld of gebleken is dat het gaat om nieuw bekend geworden feiten of omstandigheden als hiervoor onder 3.3. bedoeld. De wrakingskamer gaat daarom voorbij aan de feiten en omstandigheden die door verzoekster in het e-mailbericht van 15 mei 2018 naar voren zijn gebracht.

3.5.

Persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster is gesteld noch gebleken. Vervolgens moet onderzocht worden of de beslissing van de rechter om [D] als vertegenwoordigster te accepteren en/of de opmerking over het wijzigen van afspraken een objectief gerechtvaardigde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid bij de rechter opleveren.

3.6.

De wrakingskamer overweegt dat de beslissing om [D] Hondosan B.V. tijdens de comparitie van partijen als gemachtigde te laten vertegenwoordigen en vervolgens de comparitie van partijen te laten plaatsvinden, een processuele beslissing is. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking. Alleen indien die beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Van een dergelijke onbegrijpelijkheid is in dit geval geen sprake. [D] heeft immers bij aanvang van de zitting verklaard dat zij gemachtigd was, waarna de advocaat van Hondosan B.V. dat bevestigd heeft. Dit maakt dat de rechtspersoon was vertegenwoordigd en de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van beide betrokken partijen, zoals in het vonnis van 7 februari 2018 was bepaald. Dat verzoekster dit misschien anders heeft ervaren omdat haar vertegenwoordiger meer contact heeft gehad met [C], doet hier niet aan af.

3.7.

De wrakingskamer overweegt ten slotte dat de door de rechter gemaakte opmerking over het wijzigen van gemaakte afspraken blijkens de door haar gegeven toelichting zag op afspraken in de onderlinge verhouding tussen partijen en past bij het karakter van een comparitie. Verzoekster heeft dit niet weersproken. Met deze opmerking wordt geen inhoudelijk oordeel over de zaak gegeven. Uit de opmerking kan dan ook op geen enkele wijze worden afgeleid dat bij de rechter sprake was van vooringenomenheid dan wel dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd was.

3.8.

De conclusie is dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het wrakingsverzoek geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 6557487 UC EXPL 18-35 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. N.M. Spelt en mr. R.J. Praamstra als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A.L. de Gier, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.