Civiel recht overig

Rechtbank Midden-Nederland · Wraking · Civiel recht overig

Rechtbank Midden-Nederland, 11 juni 2019

Zaakgegevens

Op 11 juni 2019 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
11 juni 2019
Datum publicatie
24 juni 2019
Zaaknummer
481096 / HA RK 19-143
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2019:2831
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wrakingszaak.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 481096 / HA RK 19-143

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

11 juni 2019


op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

vertegenwoordigd door: [B] ,

verder te noemen: verzoekster.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 16 mei 2019;

- het wrakingsverzoek van 16 mei 2019 gericht tegen mr. E.M. de Stigter, kantonrechter bij deze rechtbank;

- het e-mailbericht van verzoekster van 20 mei 2019;

- de schriftelijke reactie van mr. E.M. de Stigter van 21 mei 2019.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 28 mei 2019 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling is de heer [A] , gemachtigde van verzoekster en echtgenoot van [B] , verschenen. De gewraakte rechter is met bericht van verhindering niet verschenen. Namens [B.V.] B.V. is niemand verschenen.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. E.M. de Stigter als behandelend kantonrechter (verder: de rechter), in de zaak met zaaknummer 6734304 UC EXPL 18-2909. In deze zaak heeft [B.V.] B.V. (verder: de eiseres) verzoekster gedagvaard wegens onbetaald gebleven facturen.

2.2.

Volgens verzoekster is de rechter partijdig door voorbij te gaan aan het door verzoekster gevoerde verweer en omdat de rechter de procedure laat voortduren terwijl er rauwelijks gedagvaard is. Bij het e-mailbericht van 20 mei 2019 heeft verzoekster dit verzoek uitgebreid toegelicht. Zij meent dat de rechter tijdens de zitting heeft gezegd dat er twee sommaties zijn verzonden, terwijl een sommatie geen ingebrekestelling is en er dus geen sprake van verzuim is aan de zijde van verzoekster. Verzoekster meent dat uit de omstandigheid dat de rechter [B.V.] niet de gelegenheid heeft gegeven te reageren op haar verweren, blijkt dat zij vooringenomen is en snel een vonnis wil doen uitgaan. Verzoekster meent dat de rechter al in een eerder stadium, naar aanleiding van het gevoerde verweer, de zaak had moeten afhandelen.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat uit het proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2019 blijkt dat niet zij, maar de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft gezegd dat er twee sommaties zijn verzonden. Daarnaast heeft zij beide partijen de gelegenheid geboden om op elkaars stellingen te reageren. Verder heeft zij op de vraag van verzoekster over het rauwelijks dagvaarden geantwoord dat zij hier nog een beslissing op moest nemen. Dit zijn geen feiten en omstandigheden waardoor haar rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

Verzoekster heeft gesteld dat de rechter op de zitting van 14 mei 2019 heeft gezegd dat er twee sommaties zijn gestuurd en dat zij de wederpartij niet heeft gevraagd zich uit te laten over de ingebrekestelling en het verzuim. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter aan de gemachtigde van de eiseres heeft gevraagd om te reageren op de stelling dat er geen ingebrekestelling is gestuurd. De gemachtigde heeft hierop geantwoord dat de eiseres aan verzoekster twee sommaties heeft gestuurd. Uit dit proces-verbaal kan daarom worden afgeleid dat niet de rechter, maar de wederpartij iets heeft gezegd over twee sommaties. Bovendien blijkt hieruit dat de wederpartij weldegelijk de gelegenheid heeft gehad om op stellingen van verzoekster te reageren. De door verzoekster aangevoerde gronden zijn daarom feitelijk onjuist. De wrakingskamer is van oordeel dat deze gronden daarom geen blijk geven van vooringenomenheid of schijn van vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster.

3.4.

Verzoekster heeft verder nog gesteld dat de rechter niet heeft geantwoord op haar vraag over het rauwelijks dagvaarden, behalve dat de rechter heeft gezegd dat zij daar nog over moest beslissen en dat verzoekster dit in het nog te wijzen vonnis kan teruglezen. De beslissing van de rechter om op dit verweer niet ter zitting reeds een oordeel te geven, is aan te merken als een procesbeslissing. De juistheid van dergelijke beslissingen kan in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Alleen als een procesbeslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid tegenover verzoeker, dan wel dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Van een onbegrijpelijke beslissing als hier bedoeld is geen sprake. Dit geldt ook voor de beslissing om de zaak ter comparitie te behandelen. Het procesrecht in civiele zaken voorziet immers niet in de mogelijkheid om als inhoudelijk verweer wordt gevoerd zoals in dit geval, direct na het voeren van dat verweer vonnis te wijzen.

3.5.

Het verzoek tot wraking zal daarom ongegrond worden verklaard.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokkenen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 6734304 UC EXPL 18-2909 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr.drs. R. in ’t Veld, voorzitter, en

mr. A. van Dijk en mr. J.F. Haeck als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door

mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.