Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 616839 HA RK 26-168
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 22 september 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op maandag 24 augustus 2026 heeft de rechter besloten om verschillende door verzoeker vooraf ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Dit betrof (1) de door verzoeker op vrijdag 21 augustus 2026 ingediende conclusie van antwoord in conventie, met eis in reconventie, met de daarbij behorende producties en (2) de door hem op maandag 24 augustus 2026 ingediende aanvullende bundel met nadere aantekeningen, met de daarbij behorende producties. Naar het oordeel van de rechter waren deze stukken te laat ingediend. Verzoeker benadrukt dat zijn wrakingsverzoek niet is bedoeld als een verkapt hoger beroep tegen deze procesbeslissing van de rechter. Maar door deze beslissing van de rechter is de volledige schriftelijke verdediging van verzoeker weggevallen. Hierdoor is voor hem een eenzijdige informatie- en bewijsachterstand ontstaan, die vervolgens op de zitting door de rechter in stand is gelaten. Volgens verzoeker had de rechter compenserende maatregelen moeten treffen, zodat verzoeker zijn volledige verweer alsnog geordend had kunnen presenteren. Dit heeft de rechter niet gedaan, terwijl zij wist dat verzoeker zonder advocaat procedeert en vanwege medische omstandigheden tijdens de zitting beperkt belastbaar was. Om die redenen had hij immers eerder om uitstel van de zitting gevraagd. Bij zijn pogingen om tijdens de zitting de kern van zijn verweer mondeling uiteen te zetten werd hij meermalen door de rechter onderbroken. Door de combinatie van deze elementen is bij verzoeker de vrees ontstaan dat zijn positie door de rechter niet met de vereiste onbevangenheid wordt beoordeeld.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Verzoeker is er in ieder geval sinds half juli 2026 van op de hoogte dat er een kort geding zou gaan plaatsvinden en de dagvaarding is op 12 augustus 2026 betekend aan zijn adres. Volgens de rechter heeft verzoeker dus ruimschoots de gelegenheid gehad om zich te voorzien van juridische bijstand. Daar komt bij dat hij de verminderde (medische) belastbaarheid niet heeft onderbouwd. Op grond van het toepasselijke procesreglement worden processtukken die binnen één werkdag (24 uur) voor de mondelinge behandeling worden ingediend buiten beschouwing gelaten. De rechter heeft geen reden gezien om met betrekking tot de stukken die verzoeker op de vrijdagnamiddag heeft ingediend hierop een uitzondering te maken, omdat verzoeker al geruime tijd op de hoogte was van de zitting. Het valt niet in te zien waarom hij niet eerder tot indiening daarvan is overgegaan. De rechter heeft er op maandagochtend kennis van genomen dat verzoeker op vrijdagmiddag nog stukken had ingediend. Zij heeft besloten om dit op de zitting te bespreken en op de zitting besloten de stukken buiten beschouwing te laten nadat de wederpartij van verzoeker bezwaar had gemaakt tegen toelating van de stukken. Verzoeker heeft tijdens de zitting verweer kunnen voeren. De rechter verwijst hierbij naar het proces-verbaal van de zitting en naar de pleitaantekeningen die verzoeker op de zitting heeft kunnen voordragen. De rechter heeft geen aanwijzingen gehad dat verzoeker niet in staat was zijn verweer te voeren of vanwege medische omstandigheden daartoe niet in staat was. De rechter schrijft in haar reactie dat zij verzoeker tijdens het voeren van zijn verweer niet heeft onderbroken. Wel heeft zij hem er herhaaldelijk op moeten wijzen dat de te laat ingediende stukken buiten beschouwing worden gelaten, omdat hij tijdens het voeren van zijn verweer steeds naar deze stukken bleef verwijzen. Verzoeker heeft dit kennelijk als een onderbreking van zijn verweer ervaren.
Overwegingen
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De beslissing die de rechter tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft genomen om de conclusie van antwoord van verzoeker, met eis in reconventie en producties, en de nadere stukken die verzoeker ongeveer een uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft ingediend buiten beschouwing te laten, is een procesbeslissing. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Dit heeft verzoeker zelf in zijn wrakingsverzoek ook onderkend.
3.4.
De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep. Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. (Voetnoot 1)
3.5.
Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechter heeft als motivering aan haar procesbeslissing ten grondslag gelegd dat de stukken te laat door verzoeker zijn ingediend. Ze verwijst daarbij naar het ‘Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken’. Daarin staat dat andere procestukken dan de dagvaarding zo spoedig mogelijk worden ingediend. Als deze andere processtukken en de hiervoor genoemde producties niet dienovereenkomstig zijn ingediend, kunnen deze door de kortgedingrechter buiten beschouwing worden gelaten. Ook staat daarin dat processtukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. De wrakingskamer oordeelt dat de door de rechter gegeven motivering is gegrond op het procesreglement en geen blijk geeft van vooringenomenheid.
3.6.
Ook uit het verdere verloop van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer geen vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer stelt bij dit oordeel voorop dat het proces-verbaal van de zitting van 24 augustus 2026 in beginsel de kenbron vormt van dat wat op die zitting is gebeurd. Het proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van het verhandelde op de zitting. In het proces-verbaal is opgenomen dat verzoeker de gelegenheid heeft gekregen om aan de hand van zijn pleitaantekeningen verweer te voeren. Dit wordt door verzoeker ook niet betwist.
3.7.
In het proces-verbaal is niet opgenomen dat de rechter verzoeker tijdens zijn verweer heeft onderbroken. De strekking van wat verzoeker hierover schrijft in zijn aanvullende toelichting van 6 september 2026 komt overeen met de schriftelijke reactie van de rechter. Namelijk dat verzoeker tijdens zijn mondelinge verweer bleef verwijzen naar de stukken die door de rechter buiten beschouwing worden gelaten. En dat de rechter daarom bij verzoeker steeds opnieuw onder de aandacht moest brengen dat deze stukken buiten beschouwing worden gelaten en zij hiervan dus geen kennis heeft genomen of gaat nemen. Dit is juist de taak van de rechter in het kader van een zorgvuldige regievoering op de zitting. Ook uit deze omstandigheden blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer geen vooringenomenheid van de rechter.
3.8.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
Beslissing
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 12318747 \ MV EXPL 26-104 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. C.A.Y. van Yperen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.