Belastingrecht
Douane. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Indeling van automobielen als auto of als verzamelobject…
Rechtbank Noord-Holland, 21 juni 2022
ECLI:NL:RBNHO:2022:5153 · Rechtbank Noord-Holland · 21 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2022-5153
Zaakgegevens
Op 21 juni 2022 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 21 juni 2022
- Datum publicatie
- 14 juni 2022
- Zaaknummer
- 18_1669
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5153
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Douane. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Indeling van automobielen als auto of als verzamelobject. Verlengde verjaringstermijn voor navordering van vijf jaar. Handelen gericht op ontduiking. Overgangsrecht CDW/DWU
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 18/1669
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen
mr. [curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam 1] B.V. (hierna: de curator),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem (hierna: verweerder)
Procesverloop
Verweerder heeft met dagtekening 6 april 2017 aan [naam 1] B.V. (hierna: [naam 1] ) een (verzamel)uitnodiging tot betaling uitgereikt voor een totaalbedrag van € 192.178,51, namelijk een bedrag van € 188.667,20 aan douanerechten en een bedrag van € 3.511,31 aan rente op achterstallen (hierna: de utb van 6 april 2017).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2018 het daartegen gemaakte bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en deze utb gehandhaafd.
[naam 1] heeft tegen deze uitspraak bij beroepschrift van 6 april 2018 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 maart 2021 is [naam 1] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. [curator] tot curator. Bij brief van 27 oktober 2021 heeft deze laten weten de procedure over te nemen.
De curator heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2022 te Haarlem. Ter zitting is verschenen de curator, vergezeld door [naam 2] en [naam 3] . Verder is voor [naam 1] verschenen de heer [naam 4] , voormalig bestuurslid van [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Overwegingen
Feiten
1. [naam 1] is een Authorised Economic Operator (AEO) gecertificeerd expediteur, gespecialiseerd in de import en export van auto’s. Zij verzorgt sinds omstreeks 2000 voor onder andere het bedrijf [bedrijf 1] , gevestigd aan de [locatie] (hierna: [bedrijf 1] ), de invoer van (onderdelen van) motoren en automobielen.
2. In de periode 23 juni 2008 tot en met 27 februari 2013 zijn door, dan wel namens [naam 1] , aangiften gedaan voor in het vrije verkeer brengen van onder meer 32 auto’s (28 genaamd [merk 1] en vier genaamd [merk 2] , hierna ook wel: de auto’s). Daarbij zijn deze auto’s aangegeven onder post 9705 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN), met een douanerecht van 0% en als geadresseerde/omzetbelastingplichtige [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), gevestigd op hetzelfde adres als [naam 1] . Als land van oorsprong is aangegeven Italië en als land van verzending/uitvoer Argentinië. Bij de aangiftebescheiden bevindt zich telkens een “Planilla de Aforo” (dit is een soort kentekenbewijs/plan voor kalibreren). Het op de aangiften vermelde serienummer staat ook op de overgelegde facturen en/of de “Planilla de Aforo”.
3. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) heeft in en omstreeks april 2013 de administratie van [naam 1] onderzocht. Het overzichtsproces-verbaal ter zake is opgemaakt op 23 januari 2015. Dit proces-verbaal is opgenomen in het dossier van de onderhavige zaak en behoort dus tot de stukken van het geding.
4. Op 10 april 2013 heeft de officier van justitie desgevraagd toestemming verleend aan verweerder om op grond van artikel 1:33 van de Algemene douanewet (hierna: Adw) om de informatie uit het FIOD-dossier te gebruiken voor de belastingheffing. Verweerder heeft aldus in kopie bepaalde informatie uit het FIOD-dossier verkregen.
5. Met dagtekening 30 mei 2013 heeft verweerder aan [naam 1] een voornemen tot het uitreiken van een utb gezonden. Op 11 juni 2013 heeft [naam 1] haar standpunt over deze voorgenomen utb kenbaar gemaakt. Met dagtekening 20 juni 2013 heeft verweerder aan [naam 1] met betrekking tot aangiften die zijn gedaan in de periode 23 juni 2008 tot en met 27 februari 2013 een verzamel-utb uitgereikt met kenmerk [# 1] en beschikkingsnummer [# 2] tot een bedrag van € 273.151,90. Daarnaast heeft verweerder met dagtekening 22 juli 2013 een utb met beschikkingsnummer [# 3] aan [naam 1] uitgereikt tot een bedrag van € 5.391,80. Deze ziet op één aangifte voor het brengen in het vrije verkeer van een auto die op 26 september 2011 door [naam 1] is gedaan.
Bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2014 heeft verweerder de verzamel-utb van 20 juni 2013 verminderd tot een bedrag van € 188.973,60 en de utb van 22 juli 2013 in stand gelaten. Daartegen is beroep ingesteld en deze zaken zijn bij de rechtbank bekend onder zaaknummers HAA 14/4189 en HAA 14/4190.
Na een tussenuitspraak van de rechtbank van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:196) heeft verweerder zowel de verzamel-utb van 20 juni 2013 als de utb van 22 juli 2013 vernietigd.
6. Op 9 februari 2017 heeft verweerder een voornemen tot het uitreiken van een (nieuwe) utb aan [naam 1] gestuurd. Op 6 maart 2017 heeft [naam 1] op dit voornemen gereageerd. Op 6 april 2017 heeft verweerder de onder het procesverloop opgenomen utb uitgereikt (met kenmerk [# 4] en beschikkingsnummer [# 2] ), ter vervanging van de vernietigde utb van 20 juni 2013. Deze nieuwe utb heeft betrekking op de onder overweging 2 genoemde 32 auto’s en betreft dus 32 aangiften tot het brengen in het vrije verkeer van auto’s in de periode 23 juni 2008 tot en met 27 februari 2013. De auto’s waren aangegeven onder post 9705 van de GN, met een douanerecht van 0%. Verweerder heeft deze aangiftes gecorrigeerd naar post 8703 van de GN, waarvoor een douanerecht geldt van 10%.
7. [naam 1] heeft in een voorlopige voorzieningenprocedure om schorsing van de utb van 6 april 2017 verzocht. Dit verzoek is afgewezen bij uitspraak van 20 juni 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:5232, niet gepubliceerd).
8. [naam 1] , haar directeur en een medewerker van [naam 1] zijn bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 mei 2018 (voor wat betreft één van de betrokkenen: ECLI:NL:RBGEL:2018:2070:196, niet gepubliceerd), onder meer veroordeeld voor het (medeplegen) van het ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte onjuist doen en het (medeplegen) van het onjuist verstrekken van ingevolge de douanewetgeving verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen (met betrekking tot de “Planilla de Aforo”). Voor het – kort gezegd – doen van onjuiste douaneaangifte en plegen van valsheid in geschrifte is aan [naam 1] een boete opgelegd van € 100.000, waarvan de helft voorwaardelijk. Aan de directeur en de gevolmachtigde van het bedrijf zijn in hun zaken werkstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld.
9. Bij uitspraak van 6 juni 2018 heeft de rechtbank de einduitspraak gedaan in zaak met nummer HAA 14/4189 (verzamel-utb van 20 juni 2013) en de zaak met nummer HAA 14/4190 (utb van 22 juli 2013). De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de utb’s vernietigd, verweerder veroordeeld in de kosten van [naam 1] in bezwaar tot een bedrag van € 14.675 en in de proceskosten tot een bedrag van € 1.503, en heeft verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan [naam 1] te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Geschil
10. In geschil is of de utb van 6 april 2017 terecht en tot het juiste bedrag is uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil of:
- deze utb al is vernietigd door de rechtbank bij de uitspraak van 6 juni 2018 in de zaak met nummer HAA 14/4189;
- verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd;
- verweerder voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht;
- het bezwaar tegen de utb onpartijdig is behandeld;
- verweerder de goederen terecht heeft ingedeeld onder post 8703 van de GN;
- verweerder gelijke gevallen ongelijk behandelt;
- verweerder het douanerecht had moeten verrekenen met (een lager bedrag aan) omzetbelasting;
- de bevoegdheid van verweerder om na te vorderen is verjaard.
11. De curator heeft ter zitting desgevraagd aangegeven geen enkele in het beroepschrift genoemde grond in te trekken en heeft ter zitting enkele gronden nader toegelicht.
De curator betoogt, in aanvulling op de gronden in het inleidend beroepschrift, met een beroep op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dat de utb van 6 april 2017 al is vernietigd bij de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2018. Dit omdat in het dictum van de uitspraak van 6 april 2017 staat dat de utb’s vernietigd worden, zonder dit te beperken tot de utb’s van 20 juni 2013 en 22 juli 2013.
[naam 1] betoogt in het inleidend beroepschrift dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Verweerder heeft bovendien onzorgvuldig onderzoek verricht voordat hij de utb uitreikte omdat hij geen eigen onderzoek heeft gedaan en zich alleen baseert op het onderzoek van de FIOD. [naam 1] meent dat de behandeling in bezwaar niet onpartijdig is geweest, omdat het bezwaar is afgedaan door medewerkers van de belastingdienst die in een eerdere fase van de besluitvorming ook betrokken waren, en omdat een bepaalde medewerker intensief betrokken was bij het strafrechtelijke traject. Verder heeft verweerder de goederen ten onrechte ingedeeld onder post 8703 van de GN. Dit moet de in de aangifte opgegeven post 9705 zijn, omdat de betrokken auto’s verzamelobjecten zijn. Verweerder heeft gelijke gevallen ongelijk behandeld door aan [naam 1] wél een nieuwe utb op te leggen (die van 6 april 2017) terwijl in vergelijkbare gevallen geen (nieuwe) utb is opgelegd. Verder is de utb niet terecht omdat er per saldo geen fiscaal nadeel is geleden. [naam 1] beroept zich op een pleitbaar standpunt ten aanzien van de indeling en daarom heeft verweerder ten onrechte de termijn waarbinnen de aanslag opgelegd mag worden, verlengd van drie naar vijf jaar. Bovendien is de navordering van een aantal aanslagen verjaard omdat deze niet binnen de termijn zijn opgelegd. De curator concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de utb. Verder verzoekt de curator om veroordeling van verweerder tot een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een schadevergoeding.
12. Verweerder stelt voorop dat de door [naam 1] aangegeven auto’s zijn gekocht bij [bedrijf 1] , die een fabrikant is die zich volgens informatie op het internet bezig houdt met het vervaardigen van replica’s van onder meer [merk 1] en [merk 2] . [naam 1] heeft de auto’s aangegeven onder post 9705 van de GN terwijl onder hoofdstuk 97 van de GN alleen auto’s kunnen worden ingedeeld die in originele staat zijn en minstens 30 jaar oud zijn en van een model of type dat niet meer in productie is. Daaraan voldoen de in geding zijnde door [naam 1] geïmporteerde auto’s volgens verweerder niet. Deze auto’s worden weliswaar volgens hun oude modellen en maatvoering gemaakt, maar het zijn gewoon “nieuwe auto’s”. Dat het gaat om een nauwkeurig nieuw geproduceerde kopie, op basis van de specificaties van een “klassieke” auto, waarbij geen nieuwe elementen zijn toegevoegd, maakt van een dergelijke auto nog niet een auto die ingedeeld kan worden onder post 9705 van de GN. Het gaat niet om een restauratie, waarbij essentiële originele oude onderdelen zijn gebruikt. Verweerder is van mening dat [naam 1] , als professionele aangever – gespecialiseerd in het doen van invoeraangiften van auto’s, onderdelen van auto’s en klassieke auto’s – bewust aangiften heeft gedaan onder de onjuiste post 9705. Aan de hand van de handelsprijs en de chassisnummers wist [naam 1] dat het niet ging om oude [merk 1] of [merk 2] in originele staat. Daarom kan de termijn voor het boeken en mededelen van een douaneschuld op grond van artikel 103, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) worden verlengd naar vijf jaar. [naam 1] heeft geen pleitbaar standpunt ten gevolge van enig handelen van de douane, in het bijzonder niet op grond van hetgeen blijkt uit het controlerapport van 3 april 2001. Verweerder concludeert dat de utb terecht en op goede gronden is uitgereikt en betoogt dat de utb van 6 april 2017 in stand kan blijven. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.
13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling
Utb van 6 april 2017 al vernietigd en gestelde dubbele heffing
Het betoog van de curator dat de utb van 6 april 2017 betrokken is geweest in de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2018, en in het verlengde hiervan, dat de utb van 6 april 2017 op grond van artikel 6:19 van de Awb al is vernietigd door de rechtbank, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 juni 2018 niet geoordeeld over de utb van 6 april 2017. In die uitspraak is enkel geoordeeld over de utb’s van 20 juni 2013 respectievelijk 22 juli 2013 en de daarop volgende uitspraken op bezwaar. Dat de utb van 20 juni 2013 en de utb van 6 april 2017 hetzelfde nummer hebben ( [# 2] ) doet daar aan niet af. De beschikkingen hebben verschillende kenmerken: de utb van 20 juni 2013 kenmerk [# 1] en de utb van 6 april 2017 kenmerk [# 4] . Voor zover de curator met zijn betoog bedoelt dat de rechtbank bij haar uitspraak van 6 juni 2018 artikel 6:19 van de Awb ten onrechte niet in acht heeft genomen, kan dat niet tot het door hem beoogde doel leiden. Daartoe had hoger beroep ingesteld moeten worden tegen die uitspraak van 6 juni 2018. Dat is niet gedaan.
Met het betoog dat de utb van 6 april 2017 al vernietigd is, is overigens onverenigbaar het in het inleidend beroepschrift opgenomen betoog dat verweerder dubbel belasting geheven heeft omdat de utb van 6 april 2017 is uitgereikt toen de utb van 20 juni 2013 nog bestond. De curator heeft ter zitting desgevraagd aangegeven geen enkele in het beroepschrift genoemde grond in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat ook het betoog met betrekking tot de dubbele heffing feitelijke grondslag mist. De utb van 6 april 2017 die in de onderhavige procedure aanhangig is, is uitgereikt op het moment dat de utb’s van 20 juni 2013 en de utb van 22 juli 2013 door verweerder vernietigd waren. Ter zitting heeft verweerder nogmaals bevestigd dat de oude, eerder opgelegde utb’s door verweerder, reeds voor de vernietiging daarvan door de rechtbank, zijn ingetrokken dan wel vernietigd, en wel vóórdat de utb van 6 april 2017 aan [naam 1] is uitgereikt.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
15. [naam 1] betoogt dat verweerder ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Verweerder had alle relevante gegevens met betrekking tot het preweegdocument en/of de documenten die verweerder bij het opleggen van de utb’s van 20 juni 2013 en 6 april 2017 tot zijn beschikking had, moeten overleggen. Op pagina 16 van haar beroepschrift noemt [naam 1] een reeks van stukken die volgens haar ten onrechte niet zijn gezocht/onderzocht en/of overgelegd. Ter zitting zijn deze stukken doorgenomen en heeft verweerder op grond van de hierna volgende motivering geconcludeerd dat de relevante gegevens die verweerder tot zijn beschikking had, zijn overgelegd.
|
De door [naam 1] bedoelde stukken |
Reactie van verweerder tijdens de zitting |
|
a. Het rapport Administratieve Controle van 4 april 2001 |
dit betreft omzetbelasting en niet de utb |
|
b. De feitelijke gegevens die [naam 1] aan de rechtbank heeft overgelegd en die in 2012 al ter beschikking van verweerder stonden |
die zijn overgelegd |
|
c. Verslagen en andere vastleggingen van onderzoeken in computersystemen |
dit is volgens verweerder te onbepaald en verweerder weet niet op welke stukken wordt gedoeld |
|
d. Het overzicht met vergunningen waarover [naam 1] beschikte en onderzoeken die zijn uitgevoerd |
maken volgens verweerder deel uit van het dossier |
|
e. De aangiftebrieven omzetbelasting |
deze betreffen omzetbelasting en niet de utb |
|
f. Feitelijke gegevens uit de bestanden van de Rijksdienst voor het Wegverkeer |
daar beschikt verweerder niet over |
|
g. De handleiding voor controleambtenaren aangaande de indeling onder post “97.05” en daarmee samenhangende stukken |
verweerder ziet het nut van deze stukken voor de in geschil zijnde utb niet |
|
h. Afschriften van onderzoeksvoorstellen en opdrachten van de inspecteur/FIOD in 2012 en 2013 |
voor zover deze stukken er zijn, ziet verweerder niet de relevantie van deze stukken voor de in geschil zijnde utb |
|
i. Afschriften van verslagen van bijeenkomsten met diverse organisaties |
verweerder geeft aan niet over dergelijke verslagen te beschikken |
|
j. Alle relevante feitelijke informatie op grond waarvan de rechtbank kan beoordelen of de Staat schade heeft geleden door de aangiftes |
zonder nadere specificatie ziet verweerder dit niet als op de zaak betrekking hebbende stukken. |
Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter.
De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken genoemd onder c., i. en j., voor zover deze al bij verweerder aanwezig zijn, te onbepaald zijn. Genoemde stukken kunnen daarom niet als tot op de zaak betrekking hebbend gerekend worden. De stukken genoemd onder a. en e. betreffen niet de onderhavige zaak, zij betreffen namelijk omzetbelasting en niet de utb met betrekking tot de te heffen douanerechten (zie verder onder overweging 26). Verweerder betoogt dat de stukken genoemd onder b. zijn overgelegd en deel uitmaken van het dossier. [naam 1] heeft niet concreet gemaakt welke stukken dan missen. De stukken genoemd onder d. heeft [naam 1] overgelegd en het verzoek is daarmee concreet, maar zij heeft niet duidelijk gemaakt waarom die lijst van belang is voor de in geschil zijnde utb, zodat de rechtbank deze lijst en de daarop aangeduide vergunningen/onderzoeken niet rekent als de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank ziet verder geen aanleiding te veronderstellen dat verweerder wél over de stukken genoemd onder f. beschikt. Over de stukken genoemd onder g. en h. heeft [naam 1] , na het verweer, niet nader gemotiveerd waarom deze stukken wel op de utb betrekking hebben.
Over het geheel gezien ziet de rechtbank in de opsomming van [naam 1] geen stukken die verweerder tot zijn beschikking had en op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb had moeten overleggen. De verwijzing naar andere stukken uit eerdere procedures is niet concreet genoeg. Hoewel [naam 1] een aantal stukken zelf heeft overgelegd, maakt dit nog niet dat dit op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Voor zover [naam 1] aanvoert dat het zogenoemde “preweegdocument” betrokken is bij de oplegging van de utb van 6 april 2017 en ten onrechte niet door verweerder is overgelegd, stelt de rechtbank vast dat verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft aangegeven dat het preweegdocument niet is betrokken bij het opleggen van deze utb. Het betoog slaagt niet.
Zorgvuldigheid van het onderzoek en de behandeling in bezwaar
In het inleidend beroepschrift is betoogd dat de utb van 6 april 2017 vernietigd moet worden wegens schending van artikel 3:2 van de Awb, omdat verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd, althans heeft laten uitvoeren, voordat hij de utb uitreikte. Voor zover dit betoog behelst dat verweerder niet alle relevante feitelijke gegevens die tot zijn beschikking stonden aan [naam 1] en de rechtbank heeft overgelegd, is de rechtbank daarop ingegaan in de vorige overweging. De (voormalig) gemachtigde van [naam 1] is op 8 februari 2018 in de gelegenheid gesteld het dossier waarop de utb was gebaseerd, in te zien.
De rechtbank begrijpt het standpunt in die zin dat verweerder zich bij het opleggen van de utb van 6 april 2017 alleen zou hebben gebaseerd op gegevens van de belastingdienst/FIOD en zodoende onvoldoende eigen onderzoek zou hebben verricht om tot de bestreden utb te komen. De rechtbank stelt vast dat verweerder de utb heeft gebaseerd op bevindingen uit een FIOD-onderzoek dat in 2012 is begonnen en in 2015 is afgesloten (zie het op ambtsbelofte opgemaakte overzichtsproces-verbaal van 23 januari 2015, dossiernummer [# 5] ), op het heffingsdossier (bestaande uit de bij de zendingen en aangiften behorende facturen), op internetonderzoek en op de aangiftebescheiden. De officier van justitie heeft bij besluit van 10 april 2013 desgevraagd toestemming gegeven om gebruik te maken van gegevens van de FIOD. De rechtbank volgt niet het betoog dat deze toestemming van de FIOD is beperkt tot de inzage in de ter zake van dit onderzoek opgemaakte processen-verbaal. De inspecteur heeft de officier van justitie gevraagd om toestemming op grond van artikel 1:33, eerste lid, van de Adw en niet is gebleken dat dit verzoek om inlichtingen is beperkt of dat de toestemming zelf is beperkt tot bepaalde inlichtingen.
Verder is de rechtbank niet gebleken dat van de zijde van verweerder de toezegging aan [naam 1] is gedaan dat na vernietiging van de utb’s van 20 juni 2013 en 22 juli 2013, alle in geschil zijnde auto’s zou worden ‘bezien’. Verweerder heeft [naam 1] bij brief van 7 februari 2017 meegedeeld dat de utb thans wordt herzien en dat ‘als de utb [van 20 juni 2013] wordt vernietigd’ hij ‘alle aangiften opnieuw zal bezien’. Daaruit trekt de rechtbank niet de conclusie dat verweerder hiermee bedoelde dat alle auto’s ter plekke zouden worden geïnspecteerd. Verweerder was ook niet gehouden om dit te doen, net zo min als verweerder gehouden was om, zoals [naam 1] voorstaat, voor de uitreiking van de nu in geding zijnde utb, contact te zoeken met de klantcoördinator van de douane te Duiven, waar een klacht van [naam 1] behandeld werd.
Op het betoog dat ten onrechte geen inhoudelijk onderzoek is gedaan naar de heffing van omzetbelasting, komt de rechtbank terug onder overweging 26, waarin de rechtbank ingaat op het betoog van [naam 1] dat de heffing van omzetbelasting betrokken zou moeten worden bij het onderzoek naar de bepaling van de hoogte van het verschuldigde douanerecht.
In het inleidend beroepschrift is verder betoogd dat geen sprake is geweest van een heroverweging in bezwaar door een onafhankelijke ambtenaar. In reactie daarop heeft verweerder in het verweerschrift (op pagina 14) precies aangegeven welke medewerkers op welke wijze bij de uitreiking van de utb’s, de behandeling van het bezwaar en de behandeling in beroep betrokken zijn geweest. De rechtbank vindt daarin geen steun voor het betoog dat de behandeling in bezwaar niet aan de eis van een onafhankelijke behandeling heeft voldaan. Verder is niet gebleken van misbruik van bevoegdheid (art. 3:3 van de Awb), zoals in het inleidend beroepschrift is betoogd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het bovenomschreven onderzoek voldaan aan zijn onderzoeksplicht en de aan de procedure te stellen eisen. Het betoog slaagt niet.
Indeling van de auto’s: post 8703 of post 9705 van de GN
18.1. In het inleidend beroepschrift is betoogd dat verweerder in de utb van 6 april 2017 ten onrechte is uitgegaan van indeling van de auto’s onder post 8703 van de GN. Ter zitting is nader toegelicht dat [naam 1] de auto’s heeft aangegeven onder post 9705 van de GN omdat de auto’s volgens haar binnen de omschrijving van ‘verzamelobject’ vallen. De auto’s zijn zeldzaam qua productie, moeilijk te verkrijgen en uniek. Ter zitting is ter zake verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 10 oktober 1985 in de zaak Erika Daiber, C-200/84 (ECLI:EU:C:1985:403). Van de zijde van [naam 1] is daarbij benadrukt dat het verschil tussen ‘omkatten’ en ‘restaureren’ moeilijk is te geven, zodat het verschil tussen een nieuwe of een uit vernieuwde onderdelen opgebouwde of verbouwde authentieke [merk 1] moeilijk is te maken. Gewezen wordt op een discussie die in maart 2012 in Europees verband werd gevoerd over welke auto’s onder post 9705 van de GN konden worden aangegeven. Verder meent [naam 1] dat de auto’s niet onder post 8703 van de GN kunnen vallen, omdat zij niet voldoen aan de daaraan te stellen technische en milieuvereisten.
Verweerder is van mening dat de in het geding zijnde auto’s op het moment dat deze werden ingevoerd in wezen nieuwe auto’s waren, zodat de aangegeven post 9705 van de GN terecht is gecorrigeerd naar post 8703 van de GN. De auto’s zijn geen auto’s in originele staat van minstens 30 jaar oud, van een model of type dat niet meer in productie is. De serienummers die aan de auto’s werden toegekend, waarin ‘ [merk 1] ’ (“ [merk 1] ”) of ‘ [merk 2] ’ (“ [merk 2] ”) is opgenomen, zijn niet de originele serienummers van [merk 1] of [merk 2] . Door deze serienummers zijn de auto’s herkenbaar als vervaardigd door [bedrijf 1] . [bedrijf 1] fabriceert replica’s van onder meer [merk 1] en [merk 2] . Weliswaar worden deze auto’s volgens hun oude modellen en maatvoering gemaakt, maar desondanks zijn het wel gewoon “nieuwe” auto’s, die als zodanig gewoon gebruikt worden als auto. Voor de indeling in het tarief is niet van belang dat de auto’s re-creaties zouden zijn en geen replica’s, zo meent verweerder.
19. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het HvJ dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven (zie bijvoorbeeld HvJ 27 februari 2016, Salutas Pharma, C-125/15, ECLI:EU:C:2016:87, punt 29 en HvJ 9 februari 2017, Madaus GmbH, C-441/15, ECLI:EU:C:2017:103, punt 36).
20. Afdeling XVII van de GN is getiteld “Vervoermaterieel” en bevat twee hoofdstukken (86 en 87). Hiervan bevat hoofdstuk 87, met het opschrift “Automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voortuigen voor vervoer over land, alsmede delen en toebehoren daarvan”, post 8703 van de GN. Deze post is omschreven als: “Automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer (andere dan die bedoeld bij post 8702), motorvoertuigen van het type station-wagen of break en racewagens daaronder begrepen”. De verdere onderverdelingen van deze post zijn voor het nu voorliggende geschil niet van belang.
21. Afdeling XXI van de GN en hoofdstuk 97 zijn getiteld “Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten”. Hoofdstuk 97 bevat post 9705 die is omschreven als: “Verzamelingen en voorwerpen voor verzamelingen, met een zoölogisch, botanisch, mineralogisch, anatomisch, historisch, archeologisch, paleontologisch, etnografisch of numismatisch belang”.
22. Ter ondersteuning van haar standpunt beroept [naam 1] zich op een aanvullende aantekening op hoofdstuk 97, waarin motorvoertuigen voor verzamelingen met een historisch of etnografisch belang nader zijn omschreven teneinde te beoordelen of zij kunnen vallen onder post 9705 van de GN. Uit artikel 2 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1001/2013 van de Commissie van 4 oktober 2013 blijkt dat de aanvullende aantekening waarop [naam 1] zich beroept, op 1 januari 2014 in werking is getreden. De verordening heeft geen terugwerkende kracht. De rechtbank zal bij de indeling van de in geding zijnde goederen, die zijn ingevoerd in de periode van 23 juni 2008 tot en met 27 februari 2013 en dus voor de inwerkingtreding van deze verordening, geen acht slaan op deze aanvullende aantekening.
23. Het HvJ heeft in zijn arrest in de zaak Uwe Clees van 3 december 1998, C-259/97 (ECLI:EU:C:1998:587), geoordeeld dat post 9705 van de GN aldus moet worden uitgelegd dat “motorvoertuigen
- in hun originele staat, zonder ingrijpende wijzigingen aan het chassis, de stuurinrichting of - het remsysteem, de motor, enz.,
- minstens 30 jaar oud, en
- van een model of type dat niet meer in productie is,
worden vermoed een historisch of etnografisch belang te hebben.
Een motorvoertuig dat aan deze voorwaarden voldoet, is echter niet van historisch of etnografisch belang, wanneer de bevoegde autoriteit aantoont dat het niet een kenmerkende stap in de ontwikkeling van de menselijke verworvenheden kan documenteren of een fase van deze ontwikkeling kan belichten.
Bovendien moet zijn voldaan aan de in de rechtspraak van het Hof vastgestelde criteria betreffende de geschiktheid van een voertuig om in een verzameling te worden opgenomen.”
24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de hand van het door hem overgelegde overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 23 januari 2015 en de door hem overgelegde processen-verbaal van getuigenverklaringen vaststaat dat de in het geding zijnde auto’s zijn geproduceerd door [bedrijf 1] , niet ten minste 30 jaar oud zijn en niet gerestaureerde originele auto’s zijn. De door [bedrijf 1] aangeboden auto’s kregen eigen serienummers, waarin onderscheidenlijk ‘ [merk 1] ’ (“ [merk 1] ”) of ‘ [merk 2] ’ (“ [merk 2] ”) is opgenomen. Dit zijn niet de originele serienummers van [merk 1] of [merk 2] . Ter zitting heeft het voormalig bestuurslid van [naam 1] weliswaar naar voren gebracht dat de auto’s werden gerestaureerd met oude onderdelen, maar tegelijkertijd is uitgelegd dat de gerestaureerde auto’s al naar gelang de wens van de klant konden worden geleverd met of zonder stuurbekrachtiging en dat echte oude [merk 1] normaliter voor een veel hogere prijs worden verkocht dan de door [bedrijf 1] aangeboden auto’s. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van klassieke oude auto’s die zijn gerestaureerd zonder ingrijpende wijzigingen te hebben ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aangegeven post 9705 van de GN terecht gecorrigeerd naar post 8703 van de GN. Dat de auto’s niet voldoen aan de daaraan in de huidige tijd te stellen technische en milieuvereisten, zoals [naam 1] naar voren brengt, betekent niet dat zij niet onder post 8703 van de GN kunnen vallen, zoals [naam 1] betoogt.
Gelijkheidsbeginsel/vertrouwensbeginsel
[naam 1] betoogt dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden omdat niet gelijk is gehandeld na vernietiging van utb’s. Er is namelijk wél een nieuwe utb, namelijk de onderhavige van 6 april 2017, uitgereikt voor de douaneschulden waarvoor de utb van 20 juni 2013 was uitgereikt. Dit terwijl voor de utb van 22 juli 2013, die uit de administratie is verwijderd, niet een nieuwe utb is uitgereikt.
Verweerder heeft toegelicht dat in plaats van de utb van 22 juli 2013 niet direct een nieuwe utb aan [naam 1] is uitgereikt omdat aan die utb een onjuiste tenaamstelling ten grondslag lag. Een daarop volgende utb is uiteindelijk vernietigd omdat de geboekte douaneschuld bleek te zijn verjaard. Dit is volgens verweerder bij de aangiften waarop de utb van 20 juni 2013 ziet niet het geval.
Inderdaad zijn de douaneschulden waarop de utb van 20 juni 2013 ziet, niet verjaard (zie overweging 38.1). Naar het oordeel van de rechtbank betreft het dus een andere situatie, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Verder zou volgens [naam 1] het gelijkheidsbeginsel (de rechtbank begrijpt: het vertrouwensbeginsel) geschonden zijn omdat verweerder in 2014 wél een aantal aan [naam 1] uitgereikte utb’s heeft vernietigd die betrekking hebben op auto’s die voor [bedrijf 1] met een “Planilla de Aforo” zijn ingevoerd en aangegeven. Hoewel dit andere auto’s betrof dan van het type “ [merk 1] ” meent [naam 1] dat er geen reden is te bedenken waarom de nu in geding zijnde utb van 6 april 2017 met betrekking tot [merk 1] niet zou moeten worden vernietigd. [naam 1] beroept zich op een situatie van voor de inwerkingtreding van het DWU, zodat de rechtbank niet toetst aan artikel 119 van het DWU. De genoemde utb’s waarop [naam 1] zich beroept zien op de invoer van andere type auto’s in een ander jaar dan de tijdsperiode nu in geding. Naar het oordeel van de rechtbank kan [naam 1] aan de vernietiging van de utb’s die zien op de invoer van andere type auto’s invoer in 2014, zonder nadere uitleg die ontbreekt, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de onderhavige utb van 6 april 2017 uiteindelijk eveneens zou worden vernietigd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Fiscaal nadeel of verrekening
26.1. [naam 1] betoogt dat de utb niet terecht is omdat de douane geen fiscaal nadeel heeft geleden. Wanneer het invoerrecht wordt gebaseerd op indeling onder post 8703 van de GN, heeft [naam 1] per saldo te veel omzetbelasting/douanerechten afgedragen. De wijziging in de indeling heeft weliswaar een hoger invoerrecht tot gevolg, maar een lagere omzetbelasting, zo begrijpt de rechtbank dit betoog.
Verweerder betwist dat [naam 1] per saldo te veel aan douanerechten en omzetbelasting heeft betaald. De BTW was verlegd van [naam 1] naar [bedrijf 2] , aldus verweerder, zodat de omzetbelasting niet door [naam 1] is betaald, maar door [bedrijf 2] .
Op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van de Invorderingswet 1990 (Iw 1990) is de ontvanger ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd een aan de belastingschuldige uit te betalen en van de belastingschuldige te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen, met elkaar te verrekenen. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Iw 1990 worden onder deze te verrekenen rechten ook rechten bij invoer begrepen (artikel 7:3 van de Algemene Douanewet).
De rechtbank stelt voorop dat het beroep is beperkt tot de beslissing op het bezwaar tegen de utb van 6 april 2017. Nog daargelaten dat [naam 1] niet aantoont dat de vordering met betrekking tot het invoerrecht dezelfde belastingschuldige betreft als de door haar genoemde vordering terzake van omzetbelasting, betreft een procedure over eventuele verrekening een andere procedure. De beschikking tot verrekening (waaronder de rechtbank dan ook vat de weigering om een dergelijk beschikking te nemen) is niet een zogenoemde voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De rechtbank komt ook niet toe aan een beoordeling van de gestelde verrekening op grond van 4:125 van de Awb, omdat op grond van artikel 1, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 4:125 van de Awb niet van toepassing is in dit geschil. De rechtbank beschouwt een besluit over verrekening ook niet als een beslissing in de zin van artikel 5, aanhef en onder 39, van het DWU. Het betoog van eiseres slaagt dan ook niet.
Verjaring van de bevoegdheid om na te vorderen
27. [naam 1] betoogt dat de douaneschuld van [naam 1] (deels) is verjaard omdat de utb niet binnen drie, dan wel vijf jaar, is opgelegd. Dit betreft in ieder geval (het deel van) de utb dat ziet op de aangiften met aangiftedatum 23 juni 2008, 10 juli 2008 en 1 september 2008. De utb dient volgens [naam 1] wegens verjaring te worden verminderd.
Verweerder betoogt dat sprake is van opzettelijk onjuiste aangiften. Er is daarom terecht tot een periode van vijf jaar nagevorderd en er is geen sprake van verjaring omdat alle aangiften binnen de periode van vijf jaar vallen.
28. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de termijn waarbinnen mededeling van de douaneschuld dient te worden gedaan drie jaar of vijf jaar bedraagt.
Toepasselijk recht ten aanzien van verjaring
29. Aangezien het DWU op 1 mei 2016 in werking is getreden en in de onderhavige procedure mogelijk bepalingen uit de oude verordening, het Communautair Douanewetboek (CDW), nog van toepassing zijn, neemt de rechtbank hieronder de relevante bepalingen uit beide verordeningen op.
Artikel 221, derde en vierde lid, van het CDW luidde destijds:
3. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.
4. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, mag de mededeling van de wettelijk verschuldigde bedragen, overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden, nog na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn aan de schuldenaar worden gedaan.
Artikel 7:7 van de Adw luidde vóór inwerkingtreding van het DWU:
1. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die, indien deze in Nederland zou zijn verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was, kan de toezending van het aanslagbiljet geschieden binnen vijf jaren nadat de douaneschuld is ontstaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de rechten bij invoer.
Artikel 103 van het DWU luidt (thans):
1. De mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar vindt plaats binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.
2. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn van drie jaar in overeenstemming met het nationaal recht verlengd tot minimaal vijf en maximaal 10 jaar.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde perioden worden opgeschort, indien:
a) overeenkomstig artikel 44 beroep wordt ingesteld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld en loopt voor de duur van de beroepsprocedure; of
b) de douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 22, lid 6, hebben medegedeeld op welke gronden zij voornemens zijn mededeling te doen van de douaneschuld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum van die mededeling tot het einde van de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.
Artikel 7:7 van de Adw (nieuw) luidt (thans):
1. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die, indien deze in Nederland zou zijn verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was, kan de toezending van het aanslagbiljet geschieden binnen vijf jaren nadat de douaneschuld is ontstaan.
Het tweede lid van artikel 7:7 is thans vervallen.
30. De nu in geding zijnde utb heeft betrekking op aangiften die in de periode 23 juni 2008 tot en met 27 februari 2013 zijn gedaan. De rechtbank stelt vast dat de douaneschuld van [naam 1] is ontstaan vóór 1 mei 2016 (de datum van inwerkingtreding van het DWU). Onder het CDW (in samenhang met artikel 7:7 van de Adw) én onder het DWU verjaart de douaneschuld na vijf jaar indien sprake is van strafrechtelijk vervolgbaar handelen. Per 1 mei 2016 is het tweede lid van artikel 7:7 van de Adw vervallen en is de toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet langer beperkt tot strafbare feiten begaan door personen die handelden gericht op ontduiking van de rechten bij invoer. De rechtbank is van oordeel dat artikel 7:7, tweede lid, van de Adw een materiële bepaling betreft. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU gelden procedureregels voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans worden geacht niet te gelden met betrekking tot vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities (HvJ 23 februari 2006, Molenbergnatie NV, C-201/04, ECLI:EU:C:2006:136, punt 31). Het vervallen van de beperking “personen die handelden gericht op ontduiking van de rechten bij invoer” leidt tot een ruimere groep van personen waarvoor de vijfjaars termijn kan gelden. De rechtbank beoordeelt het handelen van [naam 1] inzake de aangiften daarom aan de hand van artikel 7:7, tweede lid Adw, zoals deze bestond onder het CDW.
Criterium “strafrechtelijk vervolgbaar” en “handelen gericht op ontduiking”
31.1. Verweerder heeft de driejaarstermijn voor het boeken en meedelen van de douaneschuld verlengd naar vijf jaar omdat [naam 1] volgens verweerder bewust aangifte heeft gedaan onder de onjuiste post 9705.
[naam 1] betoogt dat haar aangiften zijn gebaseerd op een pleitbaar standpunt, zodat de verlengde navorderingstermijn van 221, vierde lid, van het CDW op haar niet van toepassing is. Zij heeft – doordat sprake is van een pleitbaar standpunt – niet opzettelijk een onjuiste aangifte gedaan in de zin van het ten tijde van haar handelen geldende artikel 7:7 en artikel 10:5 van de Adw. [naam 1] wijst erop dat vóór 2008 meerdere controles zijn geweest, waaronder fysieke controles van de ingevoerde [bedrijf 1] [merk 1] en [merk 2] , waarbij steeds de aangiftes zijn goedgekeurd/bevestigd.
Het toetsingscriterium voor toepassing van de vijf jaar is of de douaneschuld is ontstaan als gevolg van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Als dat handelen niet is gericht op ontduiking van rechten bij invoer mag de verruiming niet worden toegepast. De betrokkene moet zich ervan bewust zijn geweest dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken of dat er een aanmerkelijke kans bestond dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken (het zogenoemde oogmerkvereiste, zie bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 12 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:AZ6888, 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1034 en 2 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1544). Als (voorwaardelijk) opzet in deze zin ontbreekt omdat betrokkene kon en mocht menen dat de door hem gedane aangifte juist was, kan van verlenging van de navorderingstermijn geen sprake zijn.
De rechtbank zal het betoog van [naam 1] ten aanzien van het pleitbaar standpunt zoals afkomstig uit het fiscale boeterecht – indien al van toepassing omdat het in deze zaak gaat om een navordering – in de hiervoor samengevatte zin opvatten.
32. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2195, r.o. 3.8.5) overwogen dat als aan de delictsomschrijving wordt voldaan, een strafrechtelijk vervolgbare handeling is verricht in de zin van artikel 48 van de Douanewet.
33. In het onder 31.3 genoemde arrest van 2 oktober 2020 heeft de Hoge Raad in punt 3.2.3 overwogen dat “van op ontduiking van de rechten bij invoer gericht handelen of nalaten [in de zin van artikel 7:7 Adw] sprake is indien een douaneschuldenaar met opzet een strafrechtelijk vervolgbare handeling heeft verricht als gevolg waarvan het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan. Van opzet kan ook worden gesproken wanneer die schuldenaar zich ervan bewust is geweest dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken, dan wel wanneer die schuldenaar zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken, welke kans door hem bewust is aanvaard (voorwaardelijk opzet).”
34. Het doen van onjuiste aangiften was ten tijde van de onderhavige aangiften strafbaar op grond van artikel 10:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Adw in samenhang met het tweede lid van dit artikel. Het verstrekken van onjuiste informatie bij de aangifte was ten tijde van de onderhavige aangiften strafbaar op grond van artikel 10:5, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Adw in samenhang met het tweede lid van dit artikel. De rechtbank heeft in overweging 24 vastgesteld dat verweerder de door [naam 1] aangegeven post 9705 terecht heeft gecorrigeerd naar post 8703.
De rechtbank dient, op grond van artikel 7:7 tweede lid, Adw, te beoordelen of [naam 1] met opzet een strafrechtelijk vervolgbare handeling heeft verricht als gevolg waarvan het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank Gelderland bewezen heeft geacht dat [naam 1] opzettelijk onjuiste aangifte voor de douanewetgeving heeft gedaan. Zij heeft [naam 1] , haar directeur en een medewerker van [naam 1] veroordeeld voor het (medeplegen) van het ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte onjuist doen en het (medeplegen) van onjuiste douaneaangifte (zie overweging 8). De bewezen verklaarde feiten betreffen ook aangiften die nu in geding zijn.
De rechtbank overweegt verder dat uit de stukken van het geding blijkt dat [naam 1] bewust aangifte heeft gedaan onder de post 9705. [naam 1] is een professionele aangever, gespecialiseerd in het doen van invoeraangiftes van auto’s, onderdelen van auto’s en klassieke auto’s. Al geruime tijd, namelijk sinds omstreeks 2000, verzorgde zij voor [bedrijf 1] import van de door [bedrijf 1] naar de Europese Unie geëxporteerde auto’s. Het HvJ heeft al in 1985 uitgesproken dat een auto, om onder post 9705 te kunnen worden ingedeeld, de kenmerken van een „voorwerp voor verzamelingen" moet bezitten en daarnaast ook “van belang uit historisch of etnografisch oogpunt" moet zijn (zie het onder overweging 18.1 genoemde arrest Erika Daiber, van het HvJ van 10 oktober 1985). In het onder overweging 23 genoemde arrest in de zaak Uwe Clees van 3 december 1998 heeft het HvJ nader uitgewerkt wanneer een auto wordt vermoed een historisch of etnografisch belang te hebben. Een auto dient daarvoor in originele staat te zijn. Een [merk 1] die deels uit originele onderdelen en deels uit nieuwe of gerestaureerde onderdelen bestaat, verkeert niet in originele staat. Als professioneel importeur en aangever van auto’s, een bewuste keuze makend voor aangifte onder post 9705, moet [naam 1] weet gehad hebben van de interpretatie van post 9705 door het HvJ voor de indeling van al dan niet gerestaureerde klassieke auto’s. Daarbij wist de directeur van [naam 1] dat auto’s waarin in het serienummer ‘ [merk 1] ’ is opgenomen, bestonden uit [merk 1] die deels uit originele onderdelen bestonden en deels uit nieuwe of gerestaureerde onderdelen (overzichtsproces-verbaal van 23 januari 2015, p. 18). De directeur heeft ook verklaard dat een man van [bedrijf 1] , een motor had gebouwd en in de eigen [merk 1] had ingebouwd. “Er kwam vraag naar deze motor en naar onderdelen voor [merk 1] en [de man] is deze toen gaan maken. [merk 1] is in [jaar] failliet gegaan en er kwam toen meer vraag naar onderdelen van [merk 1] .” Ook heeft de directeur verklaard dat [bedrijf 1] re-creaties van [merk 1] maakt (overzichtsprocesverbaal van 23 januari 2015, p. 20). Ook hieruit blijkt wetenschap van de aard van de door [naam 1] geïmporteerde auto’s, en dat dit niet originele [merk 1] waren. Deze wetenschap van haar directeur kan [naam 1] worden toegerekend. Ook aan de hand van de handelsprijs en de chassisnummers moet [naam 1] zich als professionele marktpartij bewust zijn geweest dat het niet ging om originele [merk 1] en [merk 2] , maar van recreaties. Ook heeft [naam 1] bewust niet de merknaam “ [merk 1] ” of “ [merk 2] ” op de door [bedrijf 1] geproduceerde auto’s gezet/laten zetten. Ten laatste overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de door [naam 1] geïmporteerde auto’s betrokken waren bij bijzondere historische gebeurtenissen.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat [naam 1] zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat door haar handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken. Die ontduiking zit daarin dat de auto’s voor een nultarief werden ingevoerd in plaats van het tarief behorend bij post 8703 (in het bijzonder: automobielen) met een bijbehorend tarief van 10%. De rechtbank is verder op grond van het bovenstaande van oordeel dat [naam 1] die kans bewust heeft aanvaard.
36. Dat in het controlerapport van 3 april 2001 is geoordeeld dat in de periode van 1995 tot en met 31 december 2000 de ten invoer aangegeven auto’s terecht onder goederencode 9705 zijn aangegeven, maakt het bovenstaande niet anders. Dit betreft, op één [merk 2] uit 1950 na, andere typen auto’s dan de nu in geding zijnde auto’s. De auto met het oudste bouwjaar is deze [merk 2] . De rest van de auto’s is van een jonger bouwjaar. Geen van de in het controlerapport van 2001 genoemde auto’s beschikt over een [merk 1] of [merk 2] chassisnummer. De nu in geding zijnde auto’s betreffen “ [merk 1] ” en “ [merk 2] ” waarvan als bouwjaar is opgegeven 1922 tot en met 1936 en die alle een chassisnummer hebben met de aanduiding [merk 1] of [merk 2] .
Voor zover [naam 1] zich beroept op fysieke controles die in 2008 en 2009 door de douane zijn verricht, wijst de rechtbank op de overwegingen die verweerder terzake in de uitspraak op bezwaar heeft opgenomen en waaruit volgt dat bij die controles geen oordeel over de indeling is gegeven aan de hand van fysieke inspectie van de auto’s maar dat aan de hand van overgelegde bescheiden (onder andere de door de rechtbank Gelderland als vals beoordeelde “Planilla de Aforo’s”) de aangiften zijn gecontroleerd.
37. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een verlengde navorderingstermijn van vijf jaar. De rechtbank zal hieronder nagaan of er douaneschulden zijn opgenomen in de utb van 6 april 2017 die bij de toepassing van de verjaringstermijn van vijf jaar zijn verjaard.
Artikel 103 van het DWU is van toepassing bij de beoordeling of een douaneschuld is verjaard (vergelijk het arrest van het HvJ van 3 juni 2021, Jumbocarry Trading GmbH, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:435 en het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1271).
Op grond van artikel 103, eerste en tweede lid, van het DWU moet de mededeling van de douaneschuld hebben plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. De termijn van vijf jaar wordt op grond van artikel 103, derde lid, onder a, van het DWU opgeschort vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 44 van het DWU beroep is ingesteld. Onder de term “beroep” van artikel 44 van het DWU vallen de Nederlandse bezwaar- en beroepsprocedure.
De aangiften hebben betrekking op de periode 23 juni 2008 tot en met 27 februari 2013. De vernietigde (verzamel)utb (die is opgevolgd door de utb van 6 april 2017) is van 20 juni 2013. In deze utb van 20 juni 2013 kunnen douaneschulden worden betrokken tot vijf jaar geleden, dus vanaf 20 juni 2008. Uit de bijlage bij deze utb blijkt dat in deze utb aangiften betrokken zijn vanaf 23 juni 2008. De bevoegdheid ten aanzien van deze schulden is op 20 juni 2013 dus niet verjaard. De (verzamel)utb van 20 juni 2013 is echter opgevolgd door de nu in geding zijnde (verzamel)utb van 6 april 2017. Dit is bijna vier jaar later. De vraag is of de termijn waarbinnen mededeling is gedaan, tussen 20 juni 2013 en heden steeds opgeschort is geweest, dus of steeds een bezwaar- en beroepsprocedure heeft gelopen.
Vóór het beroep op 7 oktober 2014 is de termijn 44 dagen niet opgeschort geweest. De achtergrond daarvan is als volgt. Vijf dagen na de utb, op 25 juni 2013, heeft [naam 1] bezwaar gemaakt. Met ingang van 25 juni 2013 is de verjaringstermijn dus opgeschort, namelijk tot de uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2014. Met ingang van 29 augustus 2014 liep geen procedure meer en is de termijn niet opgeschort geweest. Negenendertig dagen later, op 7 oktober 2014, heeft [naam 1] beroep ingesteld. De procedureloze tijdvakken duren tot 7 oktober 2014 dus 44 dagen.
Met ingang van 7 oktober 2014, de datum waarop [naam 1] in beroep ging, is de verjaringstermijn weer opgeschort. Dit beroep is geëindigd met de uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2018. Echter al vóór 6 juni 2018, namelijk op 6 april 2018, heeft [naam 1] beroep ingesteld tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de utb van 6 april 2017. Vanaf 7 oktober 2014 heeft dus steeds een beroepsprocedure gelopen, waardoor de vijfjaarstermijn vanaf 7 oktober 2014 steeds opgeschort is geweest.
Omdat tussen 20 juni 2013 en heden de verjaringstermijn gedurende in totaal 44 dagen heeft doorgelopen, onderzoekt de rechtbank voor twee douaneschulden, namelijk die met dagtekening 23 juni 2008 en die met dagtekening 10 juli 2008, nader of deze tijdig zijn meegedeeld.
De douaneschuld die is ontstaan op 23 juni 2008:
Voor deze douaneschuld (ten bedrage van € 10.206,80) verstrijkt de termijn van vijf jaar op 23 juni 2013. De utb van 20 juni 2013 is binnen deze termijn, en dus tijdig.
De verjaringstermijn is op 20 juni 2013 weer gaan lopen, tot 25 juni 2013, de dag waarop bezwaar wordt gemaakt. Omdat de termijn vanaf 20 juni 2013 niet direct is opgeschort, is op 23 juni 2013 de douaneschuld van 23 juni 2008 verjaard en gaat deze douaneschuld op die datum teniet.
De douaneschuld die is ontstaan op 10 juli 2008
Voor deze douaneschuld (ten bedrage van € 4.635,60) verstrijkt de termijn van vijf jaar op 10 juli 2013. De utb van 20 juni 2013 is binnen deze termijn (er zijn nog twintig dagen over), en dus tijdig. De verjaringstermijn is op 20 juni 2013 weer gaan lopen, tot 25 juni 2013, de dag waarop bezwaar wordt gemaakt. Op 25 juni 2013 is de termijn van vijf jaar niet overschreden (er zijn nog vijftien dagen over) en gedurende de bezwaarprocedure is de termijn opgeschort. Na de uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2014 is de termijn niet meer opgeschort voor de duur van 39 dagen. Op 14 september 2014 (vijftien dagen na 29 augustus 2014) is de douaneschuld van 10 juli 2008 verjaard en gaat deze douaneschuld op die datum teniet.
De rechtbank overweegt verder dat de termijn van vijf jaar op grond van artikel 103, derde lid, onder b, DWU ook wordt opgeschort wanneer de douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 22, lid 6, DWU hebben medegedeeld op welke gronden zij voornemens zijn mededeling te doen van de douaneschuld, tot het einde van de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken (vergelijk voor de toepasselijkheid van dit artikel het arrest Jumbocarry, genoemd onder overweging 38.1). In het onderhavige geval is de termijn opgeschort geweest tussen 30 mei 2013 (de dag waarop verweerder het voornemen van de utb van 20 juni 2013 aan [naam 1] verzond) tot en met 11 juni 2013 (de dag waarop [naam 1] haar standpunt over de voorgenomen utb kenbaar maakte). Een verlenging van de verjaringstermijn met twaalf dagen neemt echter de verjaring van genoemde twee douaneschulden niet weg (omdat de verjaringstermijn 39 dagen, zie overweging 38.3, niet opgeschort is geweest).
Dit vorenstaande betekent dat voor de twee douaneschulden, namelijk die is ontstaan op 23 juni 2008 en die is ontstaan op 10 juli 2008, de vijfjaarstermijn waarbinnen op grond van artikel 103, tweede lid, DWU mededeling moet worden gedaan, is verlopen. Het betoog van [naam 1] dat (bepaalde) utb’s te laat zijn opgelegd, slaagt, namelijk voor deze twee douaneschulden. De overige betrokken douaneschulden zijn tijdig meegedeeld.
39. Omdat de douaneschulden die zijn ontstaan op 23 juni 2008 en op 10 juli 2008 waren verjaard en deze toch betrokken zijn in de utb van 6 april 2017, is het beroep gegrond. In deze utb is een bedrag van € 14.842,40 te veel aan douaneschulden betrokken (namelijk € 10.206,80 plus € 4.635,60).
Schadevergoeding
40. De rechtbank ziet geen oorzakelijk verband tussen de vernietiging van twee utb’s uit de (verzamel)utb vanwege de overschrijding van de mededelingstermijn en de door [naam 1] gestelde schade. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.
Proceskosten
41. [naam 1] heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Zij voert daartoe aan dat zij zeer hoge kosten heeft moeten maken voor juridisch advies, dat verweerder bevooroordeeld en onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de utb van 20 juni 2013 is vernietigd. De rechtbank stelt voorop dat een forfaitair stelsel bestaat voor de vergoeding van proceskosten, neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Bij uitspraak van 6 juni 2018 (HAA 14/4189, zie overweging 9) is een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten toegekend voor de procedure met betrekking tot de utb van 20 juni 2013. Artikel 2, derde lid, van het Bpb, waarop [naam 1] zich beroept, ziet, blijkens de wetgevingsgeschiedenis (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, blz. 7.), op uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het Bpb evident onrechtvaardig zou zijn. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA2802, herhaald in het arrest 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1928) dan wel, indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (zie het arrest van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). De rechtbank is van oordeel dat geen van de hiervoor in de arresten omschreven situaties zich voordoet in de onderhavige procedure tegen de utb van 6 april 2017. Het beroep is gegrond omdat twee van de 32 in deze utb betrokken douaneschulden inmiddels zijn verjaard.
42. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die [naam 1] met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en deze kosten op de voet van het Bpb te berekenen. Deze kosten zijn aldus voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.787 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 269 en een wegingsfactor 1), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, beide met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).
Griffierecht
43. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb verweerder op te dragen het door [naam 1] betaalde griffierecht van € 338 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2018 voor zover het bezwaar tegen het douaneschulden die zijn ontstaan op 23 juni 2008 en op 10 juli 2008 ongegrond is verklaard;
-
vernietigt de utb van 6 april 2017, uitsluitend voor zover deze betreft de douaneschulden die zijn ontstaan op 23 juni 2008 en 10 juli 2008 en over deze douaneschulden berekende rente op achterstallen;
-
bepaalt dat verweerder de utb van 6 april 2017 vermindert met het bedrag aan douanerechten dat is berekend over douaneschulden die zijn ontstaan op 23 juni 2008 en 10 juli 2008 (€ 10.206,80 plus € 4.635,60) en daarover berekende rente op achterstallen en draagt verweerder op het bedrag van deze utb te herrekenen;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan [naam 1] B.V. te vergoeden;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van [naam 1] B.V. tot een bedrag van € 1.787.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. S.P.M. van den Maagdenberg, leden, in aanwezigheid van E.H. Mazel, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2022.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.