Belastingrecht
Navorderingsaanslagen Vpb n.a.v. boekenonderzoek. Niet de vereiste aangiften Vpb gedaan. Omkering en…
Rechtbank Noord-Holland, 24 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10995 · Rechtbank Noord-Holland · 24 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2026-10995
Zaakgegevens
Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- HAA 25/3733, HAA 25/3742 en HAA 25/3787
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10995
Samenvatting
Navorderingsaanslagen Vpb n.a.v. boekenonderzoek. Niet de vereiste aangiften Vpb gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Schattingen van verweerder zijn redelijk. Voor een (klein) deel van de inkoopkosten heeft belanghebbende voldaan aan de verzwaarde bewijslast. Voor het overige zijn de gestelde (contante) inkoopkosten terecht buiten aanmerking gelaten, nu daarvan administratie ontbreekt en belanghebbende daarover geen verklaring kan (of wil) verstrekken.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/3733, HAA 25/3742 en HAA 25/3787
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende 1] B.V. (geliquideerd), voorheen gevestigd te [vestigingsplaats 1] , belanghebbende 1,
[belanghebbende 2] B.V. (geliquideerd), voorheen gevestigd te [vestigingsplaats 2] , belanghebbende 2,
[belanghebbende 3] B.V. (geliquideerd), voorheen gevestigd te [vestigingsplaats 2] , belanghebbende 3,
hierna tezamen: belanghebbenden
(gemachtigde: mr. M. van Zijtveld),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
HAA 25/3742 (belanghebbende 1)
Verweerder heeft aan belanghebbende 1 voor het boekjaar dat loopt van 20 september 2018 tot en met 31 december 2019 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 1.551.960. Daarbij is € 49.582 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende 1 heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
HAA 25/3787 (belanghebbende 2)
Verweerder heeft aan belanghebbende 2 voor het boekjaar dat loopt van 17 oktober 2019 tot en met 8 maart 2020 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 278.240. Bij afzonderlijke beschikking is € 7.409 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende 2 heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
HAA 25/3733 (belanghebbende 3)
Verweerder heeft aan belanghebbende 3 voor het boekjaar dat loopt van 27 mei 2020 tot en met 5 november 2020 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 1.538.489. Bij afzonderlijke beschikking is € 40.560 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende 3 heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Alle zaken
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026 te Haarlem. Namens belanghebbenden is verschenen [naam 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en drs. [naam 5] RA. Met toestemming van partijen zijn de uitspraken in één geschrift vervat.
Overwegingen
Feiten
1.1. Belanghebbende 1 is opgericht op 20 september 2018. Volgens het tot de gedingstukken behorende uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) is op 20 oktober 2020 geregistreerd dat de rechtspersoon (belanghebbende 1) per 9 oktober 2020 is ontbonden. Volgens het uittreksel is belanghebbende 1 opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 9 oktober 2020. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de KvK bestaan de activiteiten van belanghebbende 1 uit de handel in en reparatie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's. Uit renseignementen volgt dat belanghebbende 1 tevens handelde in emballagegoederen.
1.2. Belanghebbende 2 is opgericht op 17 oktober 2019. Volgens het tot de gedingstukken behorende uittreksel uit het handelsregister van de KvK is op 16 maart 2020 geregistreerd dat de rechtspersoon (belanghebbende 2) per 9 maart 2020 is ontbonden. Volgens het uittreksel is belanghebbende 2 opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 9 maart 2020. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de KvK bestaan de activiteiten van belanghebbende 2 uit de groothandel in emballage en de verhuur van overige consumentenartikelen. Uit renseignementen volgt dat belanghebbende 2 tevens handelde in gebruikte auto's.
1.3. Belanghebbende 3 is opgericht op 27 mei 2020. Volgens het tot de gedingstukken behorende uittreksel uit het handelsregister van de KvK is op 12 november 2020 geregistreerd dat de rechtspersoon (belanghebbende 3) per 6 november 2020 is ontbonden. Volgens het uittreksel is belanghebbende 3 opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 6 november 2020. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de KvK bestaan de activiteiten van belanghebbende 3 uit de groothandel in emballage: de inkoop en verkoop van pallets en verpakkingen. Uit renseignementen volgt dat belanghebbende 3 tevens handelde in gebruikte auto's.
2.1. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) was volgens het uittreksel uit het handelsregister van de KvK vanaf de oprichting tot en met 14 augustus 2019 algemeen/enig directeur (alleen/zelfstandig bevoegd) en enig aandeelhouder van belanghebbende 1. De heer [naam 6] (hierna: [naam 6] ) was volgens het uittreksel uit het handelsregister van de KvK met ingang van 15 augustus 2019 algemeen/enig directeur (alleen/zelfstandig bevoegd) en enig aandeelhouder van belanghebbende 1. Na de ontbinding is [naam 6] aangemerkt als de bewaarder van de boeken en bescheiden van belanghebbende 1.
2.2. [naam 1] was volgens de uittreksels uit het handelsregister van de KvK vanaf de datum van oprichting algemeen/enig directeur (alleen/zelfstandig bevoegd) en enig aandeelhouder van belanghebbenden 2 en 3. Na de ontbinding is hij aangemerkt als de bewaarder van de boeken en bescheiden van belanghebbende 2 en belanghebbende 3.
3.1. Belanghebbende 1 is tevergeefs uitgenodigd en herinnerd om de aangifte Vpb in te dienen. Bij brief van 4 september 2020 is belanghebbende 1 aangemaand tot het doen
van aangifte Vpb. De aangifte moest voor 18 september 2020 bij de Belastingdienst binnen zijn. Belanghebbende 1 heeft de aangifte Vpb niet binnen de gestelde termijn ingediend.
Met dagtekening 31 oktober 2020 is een ambtshalve aanslag Vpb voor het boekjaar 2018/2019 is vastgesteld. De belastbare winst is daarbij vastgesteld op € 1.282 en het belastbaar bedrag op € 1.282. Bij beschikkingen is € 1 aan belastingrente berekend en is aan belanghebbende 1 een verzuimboete opgelegd van € 2.757.
3.2. Op 28 december 2020 heeft belanghebbende 2 een aangifte Vpb voor het boekjaar 2019/2020 ingediend naar een belastbare winst van nihil en een belastbaar bedrag van nihil.
3.3. Op 1 mei 2021 heeft belanghebbende 3 een aangifte Vpb voor het boekjaar 2020 ingediend naar een belastbare winst van nihil en een belastbaar bedrag van nihil.
4.1. Bij brieven van 30 oktober 2020 heeft verweerder boekenonderzoeken aangekondigd bij belanghebbenden, met als doel de aanvaardbaarheid vast te stellen van:
- ( belanghebbende 1) de aangifte(n) omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2019;
- ( belanghebbende 2) de aangifte(n) omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020;
- ( belanghebbende 3) de aangifte Vpb voor het jaar 2020 en de aangifte(n) omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 april 2020 tot en met 31 december 2020.
Daarbij is aangegeven dat het onderzoek zal plaatsvinden op afstand in verband met de coronacrisis.
4.2. Bij brieven van 15 juli 2021 heeft verweerder aangekondigd dat het lopende boekenonderzoek zal worden uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangifte(n):
- ( belanghebbende 1) omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 april 2018 tot en met 31 december 2019;
- ( belanghebbende 2) omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020 en de aangifte Vpb voor het jaar 2019;
- ( belanghebbende 3) omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020 en de aangifte Vpb voor het jaar 2020.
5. Bij brieven van 29 september 2022 zijn concepten van de controlerapporten aangeboden aan belanghebbenden. In het conceptrapport van belanghebbende 1 is opgemerkt dat de bevindingen uit dit onderzoek ook gevolgen hebben voor de verschuldigde Vpb over het verlengde boekjaar dat loopt van 20 september 2018 tot en met 31 december 2019.
6. Op 2 november 2022 heeft op uitnodiging van verweerder een eindgesprek plaatsgevonden op het belastingkantoor te [vestigingsplaats 2] om de concepten van belanghebbende 2 en belanghebbende 3 te bespreken. [naam 1] was niet aanwezig wegens ziekte en werd vertegenwoordigd door de gemachtigde en mr. [naam 7] . Van het eindgesprek zit een verslag in het dossier. Belanghebbende 1 heeft niet gereageerd op de uitnodiging voor een eindgesprek.
7. Bij afzonderlijke brieven van 9 november 2022 zijn de definitieve controlerapporten met dezelfde dagtekening aangeboden aan belanghebbenden.
7.1. In het controlerapport van belanghebbende 1 komt – voor zover hier van belang – naar voren dat belanghebbende 1:
-
enkele fysieke mappen heeft overgelegd met in- en verkoopfacturen;
-
op basis van de overgelegde administratie niet heeft voldaan aan de administratieplicht en dat de volgende onderdelen ontbreken:
- een (fiscale) jaarrekening;
- een kolommenbalans;
- grootboekrekeningen;
- een debiteurenadministratie;
- een crediteurenadministratie;
- een kasadministratie;
- een bankboek;
-
niet heeft voldaan aan de bewaarplicht, in ieder geval omdat bankafschriften niet zijn bewaard;
-
beschikte over acht bankrekeningen, terwijl [naam 1] had verklaard dat belanghebbende 1 niet over bankrekeningen beschikte;
-
geen aangifte heeft gedaan en geen opbrengst heeft verantwoord, terwijl op grond van gegevens van de RDW en de bij de bank opgevraagde bankafschriften geconcludeerd wordt dat belastingplichtige opbrengsten heeft genoten;
-
geen kasadministratie heeft bijgehouden of overgelegd, terwijl belanghebbende 2 contant geld voorhanden heeft gehad. Dit blijkt uit de vermeldingen “contante betaling” of vergelijkbare vermeldingen op door belastingplichtige opgestelde in- en verkoopfacturen. Dat contant geld voorhanden is geweest wordt bevestigd door geldopnamen van en stortingen op diverse bankrekeningen;
-
op bankrekeningen met IBAN-nummers [# 1] , [# 2] en [# 3] bijschrijvingen van derden heeft ontvangen. Rekening houdend met het algemene tarief in de omzetbelasting (21%), bedraagt de correctie in de Vpb naar aanleiding van genoemde bijschrijvingen (exclusief omzetbelasting) € 1.553.242. Na aftrek saldo fiscale winstberekening volgens de ambtshalve aanslag Vpb van 31 oktober 2020 bedraagt de gecorrigeerde belastbare winst van belanghebbende 1 € 1.551.960;
-
164 voertuigen op naam heeft gehad en heeft verkocht in 2018 en 2019. In totaal zijn 111 verkoopfacturen en enkele inkoopfacturen aangetroffen in de overgelegde administratie. Met betrekking tot 16 verkopen is vermeld dat betaald is door overboeking door de afnemer. Voor het overige is sprake van inruil, contante betaling of is de wijze van betaling onbekend. In het rapport is opgemerkt dat de opbrengsten mogelijk op een van de bankrekeningen van belanghebbende 1 zijn ontvangen. Om cumulatie met de correcties ter zake van de bijschrijvingen te voorkomen, is de opbrengst uit de autoverkopen volgens het rapport niet separaat gecorrigeerd. De correctie wordt in het controlerapport gepresenteerd als een subsidiaire correctie. De opbrengsten hieruit bedragen volgens het rapport exclusief omzetbelasting (21%) in totaal: € 2.212.034 (€ 370.121 + € 1.841.913).
In het controlerapport is voorts geconstateerd dat de aandelen in belanghebbende 1 op 15 augustus 2019 zijn overdragen aan de heer [naam 6] , dat volgens de beschikbare informatie sindsdien geen activiteiten hebben plaatsgevonden en dat daarom wordt geconcludeerd dat
belanghebbende 1 haar winsten heeft uitgekeerd aan de voormalig aandeelhouder de heer [naam 1] . De uitdeling wordt gesteld op het saldo van de correcties volgens het rapport, te weten € 1.551.960. Daarbij is aangekondigd dat voor datzelfde bedrag bij [naam 1] een uitdeling als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking wordt genomen over 2019.
7.2. In het controlerapport van belanghebbende 2 komt – voor zover hier van belang – naar voren dat belanghebbende 2:
-
geen administratie heeft overgelegd zodat niet kan worden vastgesteld of is voldaan aan de administratieplicht;
-
niet heeft voldaan aan de bewaarplicht, in ieder geval omdat bankafschriften niet zijn bewaard;
-
beschikte over bankrekeningen, terwijl de heer [naam 1] had verklaard dat belanghebbende 2 niet over bankrekeningen beschikte;
-
geen opbrengst in de aangifte Vpb voor het jaar 2019 heeft verantwoord, terwijl op grond van gegevens van de RDW, de bij de bank opgevraagde bankafschriften en uit renseignementen van de Duitse belastingautoriteit geconcludeerd wordt dat belastingplichtige opbrengsten heeft genoten;
-
geen kasadministratie heeft bijgehouden of overgelegd, terwijl belanghebbende 2 contant geld voorhanden heeft gehad. Dit blijkt uit geldopnamen van en stortingen op de bankrekening van belanghebbende 2 met het IBAN-nummer [# 4] . Renseignementen van de Duitse belastingautoriteit bevestigen dat in Duitsland met contant geld door belanghebbende 2 aan leveranciers is betaald;
-
op bankrekening met het IBAN-nummer [# 4] in de jaren 2019 en 2020 bijschrijvingen heeft ontvangen van in totaal € 357.566;
-
in de periode van 13 november 2019 tot en met 26 juni 2020 via 41 transacties een bedrag van tezamen € 308.650 van [bedrijf 1] heeft ontvangen. Ten aanzien van deze transacties zijn geen onderliggende bescheiden overgelegd. Bij twaalf van de 41 transacties bevat de omschrijving het woord "factuur" met een nummer. Bijvoorbeeld: “factuur 22-01”. Er is vastgesteld dat de betalingen door [bedrijf 1] betrekking hebben op door belanghebbende geleverde goederen of diensten aan [bedrijf 1] . Alle ontvangen bedragen – met uitzondering van € 996 van de Belastingdienst – worden gekwalificeerd als omzet inclusief omzetbelasting. Rekening houdend met het algemene tarief in de omzetbelasting (21%), bedraagt de correctie in de Vpb naar aanleiding van genoemde bijschrijvingen (exclusief omzetbelasting) € 83 voor 2019 (€ 100/1,21) en € 273.198 voor 2020 (€ 330.570/1,21);
-
volgens gegevens van de RDW vijf auto’s in voorraad heeft gehad en één van die auto’s in 2019 contant moet hebben verkocht omdat dienaangaande geen bijschrijving op genoemde bankrekening heeft plaatsgevonden. Uit derdenonderzoek blijkt dat de koper van deze auto een inkoopverklaring heeft afgegeven aan belanghebbende 2 waaruit blijkt dat de overeengekomen prijs € 6.000 is. Rekening houdend met het algemene tarief in de omzetbelasting (21%), bedraagt de correctie in de vennootschapsbelasting naar aanleiding hiervan (afgerond) € 4.959 (€ 6.000/1,21).
Op basis van het bovenstaande komt volgens het controlerapport het totaal van de correcties in de Vpb bij belanghebbende 2 over het boekjaar 2019/2020 uit op € 278.240 (€ 83 + € 273.198 + € 4.959). Omdat de vennootschap is opgehouden te bestaan en het eindvermogen volgens de aangifte Vpb nihil bedroeg, is in het rapport opgemerkt dat belanghebbende 2 haar winsten heeft uitgekeerd aan [naam 1] . Daarbij is aangekondigd dat bij de aandeelhouder [naam 1] een uitdeling als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking wordt genomen over 2020 ten bedrage van € 278.240.
7.3. In het controlerapport van belanghebbende 3 komt – voor zover hier van belang – naar voren dat belanghebbende 3:
-
zeer beperkt administratie heeft verstrekt. Het betreft twee inkoopfacturen en twee verkoopfacturen;
-
niet heeft voldaan aan de administratieplicht en dat de volgende onderdelen ontbreken:
- een (fiscale) jaarrekening;
- een kolommenbalans;
- grootboekrekeningen;
- een debiteurenadministratie;
- een crediteurenadministratie;
- een kasadministratie;
- een bankboek;
-
niet heeft voldaan aan de bewaarplicht, in ieder geval omdat bankafschriften niet zijn bewaard;
-
beschikte over bankrekeningen, terwijl [naam 1] had verklaard dat belanghebbende 3 niet over bankrekeningen beschikte;
-
geen opbrengsten in de aangifte Vpb 2020 heeft verantwoord, terwijl op grond van gegevens van de RDW en de bij de bank opgevraagde bankafschriften geconcludeerd wordt dat belanghebbende 3 opbrengsten heeft genoten;
-
geen kasadministratie heeft bijgehouden of overgelegd, terwijl op een aantal facturen is vermeld: “contant betaald”;
-
op haar bankrekeningen bijschrijvingen van derden heeft ontvangen. Rekening houdend met het algemene tarief in de omzetbelasting (21%), bedraagt de correctie in de Vpb naar aanleiding van genoemde bijschrijvingen (exclusief omzetbelasting) € 1.538.489;
-
negentien voertuigen op naam heeft gehad en heeft verkocht in 2020 en dat voor een van deze verkopen een factuur is gevonden in de administratie. In het rapport is opgemerkt dat de opbrengsten mogelijk op een van de bankrekeningen van belanghebbende 3 zijn ontvangen. Om cumulatie met de correcties ter zake van de bijschrijvingen te voorkomen, is de opbrengst uit de autoverkopen volgens het rapport niet separaat gecorrigeerd. De correctie wordt in het controlerapport gepresenteerd als een subsidiaire correctie. De opbrengsten hieruit bedragen volgens het rapport exclusief omzetbelasting (21%) in totaal: € 284.176 (€ 37.190 + € 246.986);
-
volgens een in de administratie aangetroffen factuur een auto heeft verkocht voor een prijs van € 31.000. De gegevens van de kopende partij ontbreken. Volgens de gegevens van de RDW heeft de auto nimmer op naam van belastingplichtige gestaan. Om cumulatie met de correcties ter zake van de bijschrijvingen te voorkomen, is de opbrengst uit deze autoverkoop volgens het rapport niet separaat gecorrigeerd. De correctie wordt in het controlerapport gepresenteerd als een subsidiaire correctie. De opbrengst hieruit bedraagt volgens het rapport exclusief omzetbelasting (21%) € 25.619;
-
volgens een bij een derdenonderzoek aangetroffen factuur een auto heeft verkocht voor € 6.250. Deze verkoopfactuur is niet in de overgelegde administratie van belanghebbende 3 aangetroffen. Om cumulatie met de correcties ter zake van de bijschrijvingen te voorkomen, is de opbrengst uit deze autoverkoop volgens het rapport niet separaat gecorrigeerd. De correctie wordt in het controlerapport gepresenteerd als een subsidiaire correctie. De opbrengst hieruit bedraagt volgens het rapport exclusief omzetbelasting (21%) € 5.165.
Omdat de vennootschap is opgehouden te bestaan en het eindvermogen volgens de aangifte Vpb nihil bedroeg, is in het rapport opgemerkt dat belanghebbende 3 haar winsten heeft uitgekeerd aan [naam 1] . Daarbij is aangekondigd dat bij de aandeelhouder [naam 1] een uitdeling als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking wordt genomen over 2020 ten bedrage van € 1.538.489.
8. Met betrekking tot de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van [naam 1] heeft ook een boekenonderzoek plaatsgevonden. In het betreffende controlerapport van 9 november 2022 zijn diverse correcties voorgesteld, waaronder winstcorrecties voor de eenmanszaken van [naam 1] over de jaren 2016-2020 met betrekking tot opbrengsten uit leveringen van emballagegoederen en auto’s (box 1) en winstuitdelingen in de jaren 2019 en 2020 van belanghebbenden aan [naam 1] gelijk aan de correcties in de Vpb (box 2). Volgens het rapport blijkt uit het boekenonderzoek dat sprake is van contante geldopnamen en overboekingen waarvoor geen zakelijke kosten zijn verantwoord.
9. De (navorderings)aanslagen Vpb zijn met dagtekening 8 december 2022 vastgesteld conform de in de controlerapporten berekende winstcorrecties. De navorderingsaanslag Vpb 2018/2019 ten aanzien van belanghebbende 1 is per abuis opgelegd naar een belastbare winst van € 1.551.960 in plaats van € 1.553.242.
De (navorderings)aanslagen zijn bekendgemaakt op de voet van artikel 8, lid 2 tot en met 4, van de Invorderingswet 1990.
10. Belanghebbenden hebben bij afzonderlijke geschriften op 27 december 2022 bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde (navorderings)aanslagen Vpb. Daarbij is onder andere op basis van bankmutaties en beschikbare facturen voor belanghebbenden alsnog een administratie opgemaakt door een administrateur, waaronder kasadministraties, overzichten van in- en verkopen en balansen met winst- en verliesrekeningen. Op 15 mei 2024 heeft inzage van het dossier plaatsgevonden op het kantoor van de Belastingdienst te [vestigingsplaats 2] . Vervolgens heeft op 6 juni 2024 met belanghebbenden een informerend gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de Belastingdienst, waarbij namens belanghebbenden [naam 1] , de gemachtigde en de administrateur aanwezig waren. Bij brief van 25 juli 2024 is met belanghebbenden een verslag van het informerende gesprek gedeeld. Belanghebbenden hebben hierop gereageerd bij brieven van 26 en 28 augustus 2024 en daarbij onder meer aangegeven zich niet te kunnen vinden in de weergave van het gesprek. Belanghebbenden hebben vervolgens, na daartoe te zijn uitgenodigd, afgezien van het houden van een (aanvullend) hoorgesprek.
11. In de brief van 25 juli 2024 is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld met betrekking tot het informerend gesprek van 6 juni 2024:
“Ter afronding van het toelichtende gesprek is afgesproken dat u met uw cliënt -
kortgezegd - nog nader zou nagaan van welke aanwijsbare personen is
ingekocht, welke kwitanties er bij de inkopen en verkopen zijn opgemaakt en
alsnog kunnen worden aangeleverd als ook een onderbouwing op basis van
objectieve gegevens van de marges die gelden voor de emballage/pallethandel
en op de verkoop van auto's. Hierna sommen wij op hetgeen is toegelicht.
Emballage/pallets
Uw cliënt heeft aangegeven dat:
1. De inkopen alleen zagen op grote partijen omdat het anders niet interessant en rendabel was: het moest om 'volume' gaan
2. De inkopen via [verkoopplatform] gebeurden
3. De inkopen - nu het om grote volumes ging - bij een beperkt aantal partijen gebeurden
4. Het om geregelde, maar niet al te veel afleveringen ging
5. De aflevering met vrachtwagens gebeurde, waarbij volgens uw cliënt gratis bij de [bedrijf 2] een apart (…) deel van het terrein gebruikt mocht worden waarvan uw cliënt de sleutel in bezit had
6. Voor de aflevering door uw client een telefoontje werd ontvangen dat de vrachtwagen kwam afleveren
7. Bij de aflevering aan de poort dit vervolgens door een niet nader aangeduid persoon voor uw client de goederen in ontvangst werden genomen (en dus niet door uw cliënt zelf), waarbij niet bekend was wie op dat moment de sleutel om de poort te openen in bezit had en feitelijk opende
8. Uw cliënt de aflevering en de hoeveelheid en kwaliteit telefonisch bij de [bedrijf 2] navroeg en dan meteen contante betaling verlangde van de [bedrijf 2] om zo degene die aan de poort afleverde ook zelf direct contant te kunnen gaan betalen
9. Daartoe dan door uw cliënt op een later moment een afspraak werd gemaakt met degene die de inkoopbetaling voor de afgeleverde goederen dan contant in ontvangst zou nemen.
Tijdens het gesprek dat wij met u en uw client op kantoor hadden rezen bij ons enkele (onbeantwoorde gebleven) vragen naar aanleiding van de door uw cliënt gegeven nadere toelichting. Zo kon niet door uw cliënt worden aangegeven met wie (naam, nummer, inhoud Whatsapps verkeer, sms verkeer, mails) de contacten voor de inkoop werden gelegd, waar de goederen vandaan kwamen, waar en wanneer precies werd afgesproken, hoe de overeenkomst tot stand kwam en welke vastleggingen daarop betrekking hadden. U cliënt wist tijdens het gesprek geen enkele naam te noemen.
Ook was de vraag - nu er grote volumes/partijen verhandeld werden - wie dan, aantoonbaar, de leverancier was, wie de persoon was die voor uw client aan de poort de goederen zoals die per vrachtwagen werden afgeleverd aannam en hoeveel keer, welke leveranciersnota's daarop betrekking hadden en welke afleverbewijzen werden afgegeven. Aangenomen mag worden dat door het beperkt aantal grote afleveringen juist wel nog exact kan worden aangegeven met wie de handelingen werden verricht.
(…)
Ook is niet bekend met wie door uw client telefonisch contact werd gelegd en met wie daarbij werd afgesproken om persoonlijk cash door uw cliënt betaald te krijgen, of en op welke wijze de identiteit van degene die het geld kwam ophalen gecheckt werd en of door die persoon dan een kwitantie voor de ontvangst werd verstrekt of waarom niet, hetgeen gezien de grootte van de partijen en de beweerde betalingen daarvoor nogal van belang is als door uw cliënt aannemelijk gemaakt moet worden dat, en in hoeverre, er sprake is geweest van aftrekbare inkoopkosten.
(…)
Bij het gesprek is ook de administrateur aanwezig geweest. Deze heeft verklaard dat hij puur op aangeven van uw cliënt alles achteraf heeft opgezet tot een administratie zoals aangeleverd bij de bezwaren.”
12. Op 14 december 2021 is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar belanghebbenden, [naam 1] en de heer [naam 8] , een zakenpartner van [naam 1] . Het strafrechtelijk onderzoek heeft zich primair gericht op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting door het niet verantwoorden van omzet die betrekking heeft op het inleveren van emballagegoederen. Daarnaast is het onderzoek gericht op valsheid in geschriften en het niet voldoen aan de administratieplicht en de bewaarplicht. Verweerder heeft een kopie van het betreffende procesdossier van de FIOD, genaamd [dossiernaam] , overgelegd.
13. In genoemd procesdossier bevindt zich onder meer het zogenoemde overzichtsproces-verbaal van 12 juni 2024 ( [# 5] , p. 10-13). Daarin is – voor zover hier van belang – onder verwijzing naar de (eveneens overgelegde) onderliggende documenten (DOC), verklaringen van verdachten (V) en getuigen (G) en processen-verbaal (AMB), het volgende opgemerkt:
“Scope onderzoek [dossiernaam]
Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst van belastingfraude is een strafrechtelijk onderzoek opgestart onder de naam [dossiernaam] . Het onderzoek [dossiernaam] draait om het opzettelijk niet (of zeer beperkt) fiscaal verantwoorden van omzet in een belastingaangifte (omzetbelasting, inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting) hetgeen er toe leidt dat er te weinig belasting wordt geheven. De niet verantwoorde omzet ziet op de handel in emballage door verdachten. Verdachten betreffen drie vennootschappen, die alle drie (feitelijk) worden bestuurd en in handen zijn van de verdachte de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Daarnaast is de heer [naam 8] (hierna: [naam 8] ) eveneens verdachte in dit onderzoek [dossiernaam] . Voorts speelt in het strafrechtelijk onderzoek [dossiernaam] dat verdachten opzettelijk niet hebben voldaan aan hun administratieplicht en ook niet aan hun wettelijke bewaarplicht. Tenslotte heeft [naam 1] er niet voor geschuwd om valsheid in geschriften te plegen op het moment dat banken lastige vragen gingen stellen aan [naam 1] of wanneer een vennootschap waarvan [naam 1] bestuurder/aandeelhouder was, snel opgeheven diende te worden. Ook deze verdenkingen van valsheid in geschriften (zowel het opmaken van als ook het gebruik maken van) zijn onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek [dossiernaam] .
De onderzoeksperiode van het strafrechtelijk onderzoek [dossiernaam] loopt van 2016 tot en met 2020. Voor wat betreft de fiscaal niet (of zeer beperkt) verantwoorde omzet heeft het onderzoek [dossiernaam] zich gericht op de emballage handel, te weten de handel in kratten en pallets. Er is geen onderzoek gedaan naar het al dan niet fiscaal verantwoorden van de autohandel van verdachten.
(…)
Nadat de handel in klapkratten met de [bedrijf 2] is geëindigd of beter gezegd stopgezet, komt de focus van verdachte [naam 1] meer op de handel in pallets te liggen. Voor dit doel richt [naam 1] - in de periode waarop het strafrechtelijk onderzoek [dossiernaam] ziet - zelf
achtereenvolgens drie rechtspersonen op. Deze rechtspersonen zijn ook als verdachte aangemerkt in het strafrechtelijk onderzoek.
Gebruik rechtspersonen door [naam 1]
Per 20 september 2018 richt [naam 1] de rechtspersoon [belanghebbende 1] B.V. op. Vanaf dat
moment verloopt de handel in emballage (met name) via een besloten vennootschap van [naam 1] . Daar waar eerst gebruik werd gemaakt van eenmanszaken op naam van [naam 1] , verloopt de handel vanaf dat moment via een besloten vennootschap, waarvan [naam 1] enig aandeelhouder/bestuurder is. Tussendoor voert [naam 1] een korte periode handel via een eenmanszaak op zijn naam (augustus 2019 tot en met oktober 2019}.
In de periode per september 2018 zijn de (verdachte) rechtspersonen
- [belanghebbende 1] B.V. (opgericht: september 2018 - overgedragen: augustus 2019)
- [belanghebbende 2] B.V. (opgericht: oktober 2019 - ontbonden: maart 2020)
- [belanghebbende 3] B.V. en (opgericht: mei 2020 - ontbonden: november 2020)
door [naam 1] gebruikt om zijn handel in emballage uit te voeren.
De FIOD ziet voor iedere (door [naam 1] ) gebruikte rechtspersoon telkens dezelfde modus operandi voorbijkomen, te weten:
1) [naam 1] richt een rechtspersoon op waarvan hij enig aandeelhouder/bestuurder wordt;
2) [naam 1] opent bankrekeningen op naam van de rechtspersoon;
3) [naam 1] maakt namens de rechtspersoon facturen op (inclusief omzetbelasting) gericht aan afnemers van emballage;
4) Deze facturen worden voldaan door afnemers en komen binnen op de bankrekening van verdachten;
5) Gebruik van de rechtspersoon wordt op enig moment beëindigd (door overdracht aan derde persoon of door middel van ontbinding (turboliquidatie) van de rechtspersoon);
6) De omzet die is gegenereerd wordt niet fiscaal verantwoord in een aangifte vennootschapsbelasting en/of een aangifte omzetbelasting van de rechtspersoon;
7) De omzetbelasting die weliswaar per factuur aan afnemers in rekening is gebracht, en ook door afnemers is betaald aan de rechtspersoon, wordt niet per aangifte omzetbelasting aangegeven en daardoor ook niet afgedragen aan de Belastingdienst.
Nadat de rechtspersoon is 'afgedankt' door [naam 1] (zie stap 5), wordt een volgende rechtspersoon in het leven geroepen. Op de bankrekeningen van de overgedragen ofwel ontbonden rechtspersonen is echter zichtbaar dat de emballage handel van [naam 1] feitelijk nog niet is geëindigd. Ook tijdens en na overdracht c.q. ontbinding van de rechtspersoon worden nog facturen op naam van de overgedragen/ontbonden rechtspersoon door [naam 1] opgemaakt en uitgestuurd aan afnemers en stromen de betalingen van deze facturen binnen op de bankrekeningen van deze rechtspersonen.
(…)
Inkoop emballage?
Het onderzoek van de FIOD heeft inzicht gegeven in de omstandigheid dat er een zeer beperkte
inkoopkant bestaat bij de handel in emballage door [naam 1] en zijn ondernemingen. De FIOD heeft verdachte [naam 1] hier tijdens zijn verhoor nadrukkelijk naar gevraagd, waarbij [naam 1] antwoordde dat de inkoopkant contant is gegaan. Wanneer de FIOD vroeg bij welke partijen [naam 1] deze contante inkoop had gedaan en op welke wijze deze inkopen verwerkt zijn in een (kas)administratie, antwoordde [naam 1] telkens 'zwijgrecht' . Op dit moment heeft de FIOD geen concrete en verifieerbare informatie van verdachte [naam 1] ontvangen op grond waarvan onderzoek door de FIOD kan worden gedaan naar de door [naam 1] gestelde contante inkoop. Zoals gezegd heeft het FIOD-onderzoek naar de inkoop van emballage niet tot (veel) concrete aanknopingspunten geleid. Sterker nog, daar waar [naam 1] de banken heeft proberen te overtuigen dat hij (contante) inkoop had gedaan bij bepaalde buitenlandse rechtspersonen, blijken deze rechtspersonen in zijn geheel niet te bestaan.
Overzicht totaal nadeel
In het onderzoek [dossiernaam] is door de FIOD onderzoek gedaan bij zes afnemers. Op grond van dit onderzoek bestaat het vermoeden dat de op creditnota's/factuur opgenomen omzet niet (of nauwelijks) is verantwoord in een fiscale aangifte en dat daarmee deze aangiften onjuist zijn gedaan. Voorts bestaat het vermoeden dat dit met opzet door verdachten is gedaan en dat hierdoor een nadeel voor de Nederlandse schatkist van in totaal € 3.937.131 is ontstaan. Uitgeschreven naar belastingmiddel komt dat neer op de volgende berekening van het fiscaal nadeel.
- Voor de vennootschapsbelasting : € 573.388
- Voor de inkomstenbelasting : € 2.414.959
- Voor de omzetbelasting : € 948.784
: € 3.937.131
Wisselend gebruik van ondernemingen
Zoals hiervoor beschreven is door de tijd genomen een beeld zichtbaar, waarbij allereerst [naam 1] handelt via eenmanszaken op zijn naam (periode januari 2016 tot en met januari 2018). Vervolgens gaat de handel kort over naar [naam 8] (periode januari 2018 tot en met april 2018 en ook kort in augustus 2018), waarna [naam 1] per september 2018 de handel in emballage voortzet vanuit een besloten vennootschap. Het document DOC-179 geeft inzicht in het verloop van 'gebruik van ondernemingen' door [naam 1] . [naam 1] verklaarde tijdens zijn verhoor dat hij de enige werkzame persoon was binnen 'zijn ondernemingen'. Met 'zijn ondernemingen' worden zowel de eenmanszaken van [naam 1] alsook de (verdachte) rechtspersonen [belanghebbende 1] B.V., [belanghebbende 3] B.V. en [belanghebbende 2] B.V. bedoeld. Het beeld dat ontstaat is dat zodra [naam 1] op enige wijze op weerstand stuit, bij bijvoorbeeld zijn afnemer [bedrijf 2] , bij de bank waar de (rechts)persoon een bankrekening aanhoudt, of bij de Belastingdienst, dat verdachte [naam 1] eieren voor zijn geld kiest door de onderneming waar hij op dat moment mee handelt (zoals een eenmanszaak of een van de besloten vennootschappen) te beëindigen en een andere huls zoekt voor zijn werkzaamheden. Dit alles om door te gaan waar hij mee bezig is en het zicht van banken en de Belastingdienst te belemmeren.
Aankondiging boekenonderzoek/ gebrekkige administratie
Op 30 oktober 2020 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij de verdachte (rechts)personen, waarbij de Belastingdienst verzocht heeft om het aanleveren van o.a. administratie van de ondernemingen van verdachten. Op 6 november 2020 verschijnt [naam 1] op het kantoor van de Belastingdienst om enkele ordners te overleggen. Dat wat aan stukken door [naam 1] is overgelegd voldoet op geen enkele wijze aan een deugdelijke administratie. En daarnaast verklaarde [naam 1] op dat moment aan een medewerker van de Belastingdienst dat hij geen bankafschriften kan overleggen, aangezien hij die niet had omdat hij geen bankrekening heeft kunnen openen bij banken. Dit is volledig uit de lucht gegrepen, want [naam 1] had heeft in de periode 2016 tot en met 2020 de beschikking gehad over heel veel bankrekeningen bij verschillende banken. Over deze bankrekeningen zijn in voornoemde periode {2016-2020) in totaal transacties van meer dan tien miljoen euro gegaan. Hetgeen de opmerking van [naam 1] bijzonder ongeloofwaardig maakt. Daarnaast heeft [naam 1] honderden facturen opgemaakt gericht aan de afnemers van emballage, welke eveneens geen onderdeel uitmaakte van de administratie die door [naam 1] op 6 november 2020 aan de Belastingdienst is overgelegd. Dezelfde dag, 6 november 2020, wordt [belanghebbende 3] B.V. ontbonden wegens gebrek aan baten. (…)”
14. In afzonderlijke processen-verbaal (AMB’s) is in het FIOD-dossier – onder verwijzing naar documenten (DOC’s) en verklaringen (V en G) – nader uiteengezet waarop de genoemde verdenkingen berusten. Onder deze processen-verbaal bevinden zich onder meer een proces-verbaal inzake inkoop van goederen (AMB-005), een proces-verbaal inzake het niet overleggen van een deugdelijke administratie en het niet voldoen aan de bewaarplicht (AMB-009) en een proces-verbaal inzake het opzettelijk niet doen / opzettelijk doen van onjuiste aangifte Vpb (AMB-011).
15. De rechtbank [vestigingsplaats 2] heeft volgens belanghebbenden op 2 juli 2026 mondeling uitspraak gedaan in de strafzaak overeenkomstig gemaakte procesafspraken van [naam 1] met het Openbaar Ministerie. Het schriftelijke vonnis van 16 juli 2026 was nog niet beschikbaar op het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting. [naam 1] is onder andere veroordeeld wegens (het feitelijk leidinggeven aan) het opzettelijk niet voeren van de vereiste administratie door belanghebbenden, en het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Vpb en omzetbelasting en het opzettelijk niet doen van aangiften Vpb van belanghebbenden. Er zijn hem diverse strafmaatregelen opgelegd, waaronder een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een van de voorwaarden daarbij is dat [naam 1] meewerkt aan schuldhulpverlening. Onderdeel van de procesafspraken is dat er geen hoger beroep wordt ingesteld.
Geschil
16.In geschil is of de (navorderings)aanslagen Vpb naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een redelijke schatting van de in aanmerking genomen winstcorrecties en of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, meer in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Belanghebbende 1 heeft ter zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het beroep niet is gericht tegen de bij de primitieve aanslag IB/PVV opgelegde verzuimboete.
17. Belanghebbenden stellen dat de winsten te hoog zijn vastgesteld en niet berusten op een redelijke schatting. Volgens belanghebbenden heeft verweerder bij het bepalen van de winstcorrecties ten onrechte de gemaakte kosten van inkopen van de verkochte emballagegoederen (hierna: inkoopkosten) en overige kosten buiten aanmerking gelaten. Verder stellen belanghebbenden zich op het standpunt dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden in de bezwaarfase.
Belanghebbenden concluderen tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de (navorderings)aanslagen. Belanghebbende 1 stelt dat dat het belastbaar resultaat moet worden vastgesteld op € 151.837,67. Belanghebbende 2 stelt dat het belastbaar resultaat moet worden vastgesteld op € 148.635,19. Indien rekening wordt gehouden met de inkoop van auto's uit Duitsland bedraagt de belastbare winst volgens belanghebbende 2 € 293.414,81 negatief. Belanghebbende 3 stelt dat het belastbaar resultaat moet worden vastgesteld op € 134.365,69.
18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat belanghebbende 1 en belanghebbende 3 de aanwezigheid van (inkoop)kosten niet overtuigend hebben aangetoond. Verweerder meent dat is uitgegaan van een redelijke schatting en dat de aan belanghebbende 1 en belanghebbende 3 opgelegde (navorderings)aanslagen Vpb naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verweerder meent voorts dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel niet zijn geschonden. Met het nader stuk van 3 juli 2026 heeft belanghebbende 2 in totaal 33 facturen van [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) ingebracht. Deze inkoopfacturen zijn afkomstig uit het FIOD-dossier, zijn bij derdenonderzoek aangetroffen in de administratie van genoemde onderneming en betreffen de enige inkoopfacturen van emballage. Van deze 33 facturen is slechts één factuur voor een bedrag van € 6.000 daadwerkelijk betaald vanaf een bankrekening die op naam staat van [belanghebbende 2] B.V. (belanghebbende 2). Dit gaat om factuur 202000514 (zie pagina 11 van DOC-194, pagina 2229 van het FIOD-procesdossier). Van deze kosten acht verweerder overtuigend bewezen dat ze ten laste van belanghebbende 2 zijn gekomen. Voor het overige meent verweerder dat ook de aan belanghebbende 2 opgelegde aanslag Vpb berust op een redelijke schatting. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen van belanghebbende 1 en belanghebbende 3 en gegrondverklaring van het beroep van belanghebbende 2 en vermindering van de aan belanghebbende 2 opgelegde aanslag Vpb 2019/2020 tot een naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 272.240.
19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Omkering bewijslast
20. Niet in geschil is dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat de vereiste aangiften Vpb niet zijn gedaan door belanghebbenden. Het gaat partijen uitsluitend om de vraag of is voldaan aan de verzwaarde bewijslast en of de (navorderings)aanslagen berusten op een redelijke schatting.
21. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de bewijslast dient te worden omgekeerd. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Op basis van de vaststaande feiten en de bevindingen uit de boekenonderzoeken (zie onder 7) stelt de rechtbank in navolging van partijen vast dat de administraties van belanghebbenden zodanige gebreken en tekortkomingen bevatten dat deze niet kunnen dienen als grondslag voor de winstberekening (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). Belanghebbende 2 en belanghebbende 3 hebben elk een belastbare winst van nihil aangegeven. Uitgaande van de door belanghebbenden genoemde winstmarges zijn er in absolute en relatieve zin aanzienlijke bedragen aan winst niet verantwoord. Belanghebbende 2 concludeert in het beroepschrift tot een belastbare winst 2019/2020 van € 148.635,19, zodat reeds om die reden met de ingediende nihilaangifte de vereiste aangifte niet is gedaan door belanghebbende 2. Belanghebbende 3 concludeert in het beroepschrift tot een belastbare winst 2020 van € 134.365,69, zodat reeds om die reden met de nihilaangifte de vereiste aangifte niet is gedaan door belanghebbende 3.
22. Volgens de controlerapporten van de boekenonderzoeken hebben belanghebbende 2 en belanghebbende 3 aanzienlijke bedragen aan omzet genoten door bijschrijvingen op hun bankrekeningen. De thans voorliggende winstcorrecties zijn gebaseerd op deze bijschrijvingen. De werkelijk verschuldigde Vpb bedraagt volgens de aan belanghebbende 2 opgelegde aanslag Vpb 2019/2020 € 55.198. Volgens de aan belanghebbende 3 opgelegde aanslag Vpb 2020 bedraagt de werkelijk verschuldigde belasting € 367.621. Ook als rekening zou worden gehouden met een bedrag aan inkoopkosten dient het ervoor te worden gehouden dat absoluut en relatief bezien aanzienlijke bedragen aan belasting niet zijn verantwoord. Het lag op de weg van belanghebbenden aannemelijk te maken dat in dit verband sprake is geweest van te verwaarlozen winstmarges (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, rechtsoverweging 3.2.2). Dat is niet gebeurd. De door belanghebbenden ingenomen stelling dat voor een tussenhandelaar in emballage een brutowinstmarge van onder de 10% gangbaar is, is onvoldoende om te spreken van een verwaarloosbare winstmarge. Zelfs als hiervan zou worden uitgegaan zijn absoluut en relatief bezien omvangrijke bedragen aan verschuldigde Vpb ten onrechte niet verantwoord in de aangiften van belanghebbende 2 en belanghebbende 3.
23. De rechtbank is voorts van oordeel dat belanghebbende 2 en belanghebbende 3 zich ervan bewust hadden moeten zijn dat zij met de door hen ingediende aangiften deze omvangrijke bedragen aan belasting ten onrechte niet zouden verantwoorden. Het indienen van nihilaangiften Vpb is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onhoudbaar. Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat de vereiste aangiften Vpb niet zijn gedaan en de bewijslast dient te worden omgekeerd.
24. In de zaak van belanghebbende 1 is de vereiste aangifte niet gedaan omdat niet tijdig aangifte is gedaan nadat belanghebbende 1 is aangemaand. Ook dit is niet in geschil. Dit leidt eveneens tot omkering en verzwaring van de bewijslast.
Hebben belanghebbenden overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?
25. Omkering van de bewijslast betekent dat het aan belanghebbenden is om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Vooropgesteld moet worden dat de correcties zijn gebaseerd op bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbenden. Belanghebbenden hebben niet overtuigend aangetoond dat deze bijschrijvingen ten onrechte als winst in aanmerking zijn genomen. Contante omzet ter zake van voertuigen (belanghebbende 1 en belanghebbende 3) en emballagegoederen (alle belanghebbenden) zijn niet in de correcties betrokken. De voor de winstberekening in aanmerking genomen omzet is dan ook eerder te laag dan te hoog. Ook indien de winstcorrecties worden berekend op basis van de handel in emballage en voertuigen, hebben belanghebbenden niet voldaan aan de op hen rustende verzwaarde bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
26. Belanghebbenden hebben gesteld dat rekening moet worden gehouden met contante inkopen van verkochte emballagegoederen (voornamelijk pallets en voor belanghebbende 3 ook fust/kratten) en dat voor een tussenhandelaar een brutowinstmarge van minder dan 10% gangbaar is. Dit laatste hebben belanghebbenden onder meer onderbouwd met een notitie van [naam 1] die als nader stuk is ingebracht. Deze notitie gaat in op algemene marktinformatie in de branche, maar geeft geen (concrete) informatie over daadwerkelijke contante inkopen van belanghebbenden. Belanghebbenden hebben geen concrete of verifieerbare verklaring gegeven met betrekking tot de gestelde contante inkopen van pallets en kratten. Er is ook geen kasadministratie bijgehouden. Het bijhouden van een betrouwbare kasadministratie is essentieel nu de gestelde inkopen voornamelijk in contanten zouden hebben plaatsgevonden.
27. Belanghebbenden hebben voorts aan de hand van bankafschrijvingen overzichten gemaakt van, zoals zij stellen, inkoopkosten van emballage die giraal zijn voldaan. Een controle aan de hand van inkoopfacturen, bonnen of kwitanties is echter – behoudens een enkele uitzondering (zie hierna onder 28) – niet mogelijk. Bovendien betreffen de overzichten voor een groot deel afschrijvingen van rekeningen die op naam staan van eenmanszaken van [naam 1] , zodat niet valt in te zien dat het gaat om kosten die samenhangen met de door belanghebbenden verkochte emballagegoederen. Ook kan aan de hand van de omschrijvingen op bankafschriften niet of nauwelijks worden vastgesteld of en in hoeverre dit inkopen van emballagegoederen betreft. Ook de gestelde girale inkoopkosten zijn niet onderbouwd met (primaire) bescheiden of een controleerbare administratie. Ook in zoverre is niet voldaan aan de verzwaarde bewijslast.
28. Belanghebbende 1 en belanghebbende 3 hebben gelet op het voorgaande niet voldaan aan de op hen rustende verzwaarde bewijslast met betrekking tot de inkoopkosten. Ze hebben niet overtuigend aangetoond dat de winstcorrecties naar beneden moeten worden bijgesteld. Hetzelfde geldt voor belanghebbende 2, met uitzondering van de inkoopfacturen uit het jaar 2020 van [bedrijf 3] gericht aan belanghebbende 2. Voor zover girale betaling heeft plaatsgevonden is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend aangetoond dat inkoopkosten zijn gemaakt. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt (zie onder 18) dat de aanslag Vpb 2019/2020 van belanghebbende 2 dient te worden verlaagd tot een naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 272.240.
29. Belanghebbenden hebben evenmin overtuigend aangetoond dat de vastgestelde winsten moeten worden verminderd met overige kosten. Deze zijn in omvang beperkt en dienaangaande ontbreken eveneens facturen. Bovendien kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat dit uitgaven betreffen die samenhangen met inkopen van emballagegoederen. De omstandigheid dat die overige kosten giraal zijn betaald is op zichzelf onvoldoende om belanghebbenden geslaagd te achten in de op hen rustende verzwaarde bewijslast om overtuigend aan te tonen dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld en de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.
Redelijke schatting
30. Partijen houdt in de kern verdeeld of de (navorderings)aanslagen berusten op een redelijke schatting van de winst van de belanghebbenden. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, geldt als uitgangspunt dat de berekening van die belastingaanslag redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. In het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, is dienaangaande het volgende overwogen:
“(…) Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een belastingaanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. [voetnoot: Vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, rechtsoverweging 4.4.3, en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, rechtsoverweging 2.4.]
Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de hiervoor in 3.2.1 bedoelde belastingaanslag redelijk en dus niet willekeurig is. [voetnoot: Vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, rechtsoverweging 2.4.] Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. [voetnoot: Vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, rechtsoverweging 3.7.]
De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, gaat niet zover dat de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die meebrengen dat de door hem gemaakte schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde belasting. Een zo ver gaande eis zou de omkering van de bewijslast ongedaan maken. Juist vanwege het gebrek aan informatie voor de inspecteur, dat heeft geleid tot omkering en verzwaring van de bewijslast, zal hij bij zijn schatting op basis van gegevens waarover hij wel beschikt, binnen de grenzen van de redelijkheid een zekere – van de omstandigheden van het geval afhankelijke – beoordelingsruimte moeten hebben.”
31. De rechtbank zal hierna de vraag of de schattingen redelijk zijn beoordelen vanuit verschillende door partijen aangedragen gezichtspunten.
Redelijke schattingen op basis van bijschrijvingen op bankrekeningen belanghebbenden?
32. De rechtbank stelt voorop dat niet de opbrengsten uit verkopen van emballagegoederen en voertuigen als uitgangspunt zijn genomen voor de schattingen van de winstcorrecties bij belanghebbenden. Blijkens de controlerapporten zijn de schattingen gebaseerd op de bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbenden. Op een enkele uitzondering na (zie hierna onder 33 inzake [bedrijf 1] , een eenmanszaak van [naam 1] ) betreft dit bijschrijvingen afkomstig van derden. Bij het berekenen van de met Vpb belastbare winst is op deze bijschrijvingen de verschuldigde omzetbelasting in mindering gebracht. Gelet op de ernst van de gebreken in de administraties acht de rechtbank het redelijk en niet willekeurig om de belastbare winsten op deze wijze te schatten. Verweerder beschikte niet of nauwelijks over andere gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslagen en de bijschrijvingen vormden in de gegeven omstandigheden het enige objectieve aanknopingspunt voor de gemaakte schattingen. Hierbij zijn brutowinstmarges in de emballagegroothandel in beginsel niet relevant en dit hoefde – anders dan belanghebbenden menen – dan ook niet te worden onderzocht. Uit de controlerapporten komt verder naar voren dat contante opbrengsten van door belanghebbenden verkochte voertuigen en emballagegoederen niet in de schatting van de winstcorrecties zijn betrokken, hoewel er wel aanwijzingen bestaan dat belanghebbenden naast de girale bijschrijvingen ook aanzienlijke contante opbrengsten hebben genoten. De voor de winstberekening in aanmerking genomen omzet is dan ook eerder te laag dan te hoog. Dat er geen onderzoek is gedaan naar het privévermogen en beschikbare privégelden van [naam 1] maakt de schattingen onder deze omstandigheden niet willekeurig.
33. De in het bezwaarschrift door belanghebbende 2 ingenomen stelling dat bijschrijvingen ontvangen van [bedrijf 1] ten onrechte als omzet van belanghebbende 2 zijn aangemerkt en dat het enkel gaat om mutaties in de rekening-courant kan de rechtbank niet volgen. Uit bevindingen in het onder 7.2 weergegeven controlerapport van belanghebbende 2 volgt dat aan deze bijschrijvingen 41 transacties ten grondslag hebben gelegen in de periode van 13 november 2019 tot en met 26 juni 2020 en dat bij twaalf van de 41 transacties in de bankafschriften een omschrijving is gegeven met het woord "factuur" met een bijbehorend nummer. De rechtbank acht het onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk dat de betalingen door [bedrijf 1] op de bankrekening van belanghebbende 2 in aanmerking zijn genomen als resultaat op door belanghebbende 2 geleverde goederen of diensten aan [bedrijf 1] .
Redelijke schattingen winsten verkochte emballagegoederen en voertuigen?
34. Indien voor de beoordeling van de redelijkheid van de schatting van de winstcorrecties bij belanghebbenden de verkoopwinsten op emballagegoederen en voertuigen als uitgangspunt worden genomen, dan komt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Ook vanuit die optiek dient er rekening mee te worden gehouden dat belanghebbenden naast de in aanmerking genomen girale bijschrijvingen aanzienlijke contante opbrengsten hebben genoten uit verkopen van emballagegoederen en (met betrekking tot belanghebbende 1 en belanghebbende 3) voertuigen en dat die contante opbrengsten niet in de winstcorrecties zijn betrokken. De rechtbank overweegt voorts als volgt met betrekking tot de door belanghebbenden gemaakte berekeningen.
35. Belanghebbenden stellen dat in de emballagehandel zeer beperkte brutowinstmarges (minder dan 10%) plegen te worden behaald en dat, naast inkoopkosten wegens inkopen van emballagegoederen, ook rekening moet worden gehouden met overige kosten en dat de winstcorrecties te hoog zijn. Ter onderbouwing hebben belanghebbenden gewezen op brutowinstpercentages die volgens hen in de tussenhandel van emballagegoederen plegen te worden gerealiseerd. Hiertoe wijzen belanghebbenden op een notitie van [naam 1] over emballagehandel, advertenties van derden op [verkoopplatform] met betrekking tot te koop aangeboden pallets en gegevens van andere ondernemingen die zich bezighouden met (groot)handel in emballagegoederen. Contante opnamen zijn volgens belanghebbenden voorts ten onrechte in aanmerking genomen als winstuitdelingen aan [naam 1] . De contanten zijn opgenomen om emballagegoederen in te kopen, aldus belanghebbenden.
36. In de beroepschriften verwijzen belanghebbenden naar hun bezwaarschriften voor een berekening van de belastbare winsten. Belanghebbenden hebben daartoe in bezwaar een reconstructie gemaakt van hun (kas)administratie en daarbij is aan de hand van verkopen en bankmutaties een schatting van daarbij behorende inkoopkosten gemaakt.
Volgens het bezwaarschrift van belanghebbende 1 bedraagt de omzet ten aanzien van emballagegoederen voor wat betreft 2018/2019 in totaal € 1.645.474,65 en bedragen de inkoopkosten € 1.480.937,22, zodat de brutowinstmarge op emballagegoederen € 164.537,47 bedraagt. Na aftrek van overige kosten en bijtelling van overige opbrengsten en winstmarges ter zake van autoverkopen, bedraagt de belastbare winst 2018/2019 volgens belanghebbende 1 in totaal € 151.837,67 in plaats van de door verweerder in aanmerking genomen belastbare winst van € 1.551.960.
Volgens het bezwaarschrift van belanghebbende 2 bedraagt de omzet ten aanzien van emballagegoederen voor wat betreft 2019/2020 in totaal € 1.541.954,24 en bedragen de inkoopkosten € 1.387.758,91, zodat de brutowinstmarge op emballagegoederen € 154.195,33 bedraagt. Na aftrek van overige kosten en een negatieve winst van € 1.500 op de verkoop van enkele graafmachines, bedraagt de belastbare winst 2019/2020 volgens belanghebbende 2 in totaal € 148.635,19 in plaats van de door verweerder in aanmerking genomen belastbare winst van € 278.240.
Volgens het bezwaarschrift van belanghebbende 3 bedraagt de omzet ten aanzien van emballagegoederen in 2020 € 1.353.318,52 en bedragen de inkoopkosten € 1.217.986,65, zodat de brutowinstmarge op emballagegoederen € 135.331,87 bedraagt. Na aftrek van overige kosten en bijtelling van overige opbrengsten en winstmarges ter zake van autoverkopen, bedraagt de belastbare winst 2020 volgens belanghebbende 3 € 134.365,69 in plaats van de door verweerder in aanmerking genomen belastbare winst van € 1.538.489.
37. Verweerder meent dat in het kader van een redelijke schatting van de winsten van belanghebbenden ervan uit mag worden gegaan dat belanghebbenden geen inkoopkosten en overige kosten hebben gemaakt ter zake van de verkopen van emballagegoederen.
38. Volgens het hierboven onder 30 weergegeven arrest dient te worden beoordeeld of verweerder voor het uitgangspunt dat geen inkoopkosten zijn gemaakt voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die daartoe aanknopingspunten kunnen verschaffen. Verweerder hoeft dit niet aannemelijk te maken. Gelet op het ontbreken van betrouwbare administraties en de ernst van de administratieve gebreken zal verweerder hierbij een zekere beoordelingsruimte moeten worden gegund.
39. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanknopingspunten kunnen verschaffen om bij de schatting de door belanghebbenden gestelde contante inkoopkosten buiten aanmerking te laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
40. Allereerst wijst de rechtbank op het feit dat belanghebbenden geen concrete en verifieerbare verklaringen hebben gegeven over de gestelde contante inkopen van emballagegoederen. Het dossier schreeuwt om een verklaring van belanghebbenden op dit punt. De administraties van belanghebbenden bieden geen aanwijzingen dat contante inkopen zijn gedaan (geen facturen, geen kasadministratie). In het verhoor bij de FIOD heeft [naam 1] zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen als hem werd gevraagd naar leveranciers en concrete informatie inzake de gestelde contante inkopen (zie het onder 13 weergegeven overzichtsproces-verbaal, onder het kopje ’Inkoop emballage?’ en [# 6] , FIOD-dossier p. 172-264). Nu [naam 1] geen strafzaak meer boven het hoofd hangt vanwege eerdergenoemde procesafspraken (zie onder 15) is er in zoverre geen risico van zelfincriminatie en moet hij in dat opzicht worden geacht vrij te kunnen verklaren over de gestelde inkopen door belanghebbenden. Ter zitting heeft de rechtbank [naam 1] dan ook ruimschoots de gelegenheid gegeven om hierover te verklaren. Daarbij heeft de rechtbank gevraagd naar informatie die samenhangt met contante inkopen, zoals Whatsappgesprekken, e-mails of andere contacten met leveranciers van emballagegoederen (pallets en voor belanghebbende 3 ook kratten). [naam 1] heeft evenwel volstaan met de opmerking dat hij de namen van de leveranciers niet meer weet en dat hij niet meer beschikt over hun gegevens omdat hijzelf inmiddels andere telefoons en andere telefoonnummers heeft. De rechtbank acht het volstrekt ongeloofwaardig dat [naam 1] dienaangaande niets meer weet en ook geen informatie kan verschaffen over de leveranciers, te meer daar de inkoop in hoge volumes zou hebben plaatsgevonden en belanghebbenden slechts bij een beperkt aantal leveranciers emballagegoederen zouden hebben afgenomen (zie ook onder 11). Gelet op de omzet gaat het om zeer grote hoeveelheden. Dat (bonafide) leveranciers van zulke grote hoeveelheden verkopen contant zouden laten plaatsvinden en hierbij geen factuur zouden overhandigen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het ontbreken van informatie inzake contante inkopen blijft voor rekening van belanghebbenden.
41. In het FIOD-dossier waarnaar verweerder verwijst – in het bijzonder het proces-verbaal AMB-005, p. 404 e.v. van het FIOD-dossier en het onder 13 weergegeven overzichtsproces-verbaal – zijn diverse feiten en omstandigheden opgesomd die doen vermoeden dat [naam 1] , zijn zakenpartner ( [naam 8] ) en belanghebbenden emballagegoederen uit diefstal of verduistering hebben verkregen (zie p. 437 FIOD-dossier voor een samenvatting). Hieronder bevinden zich ook emballagegoederen (minstens vijf vrachten kunststof pallets) die belanghebbende 1 in de voorliggende periode heeft verkocht (p. 412 e.v. FIOD-dossier). In AMB-005 komt ook naar voren dat [naam 1] in het kader van een klantenonderzoek aan een bank inkoopfacturen heeft verstrekt van (buitenlandse) ondernemingen die vermoedelijk niet bestaan of bestaan hebben, dat in meerdere gevallen de verkoopprijs van nieuwe Europallets lager is geweest dan de verkoopprijs die producenten van nieuwe pallets hanteren en dat [naam 1] vermoedelijk emballagegoederen afnam van een persoon die veroordeeld is voor diefstal en verduistering van kratten. Ook komt in het FIOD-dossier naar voren dat [naam 1] betrokken is geweest bij diefstal van gebruikte en ongebruikte kratten en dat de directeur van [bedrijf 2] heeft verklaard dat [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) het vermoeden had dat de fust die werd ingeleverd door [naam 1] en zijn zakenpartner [naam 8] gestolen was (G- [# 7] , p. 3, FIOD-dossier p. 424-428). De [bedrijf 2] heeft op enig moment de samenwerking met [naam 1] dan ook gestopt. Het wisselend gebruik van ondernemingen, de onder 13 beschreven modus operandi en het feit dat belanghebbenden aanvankelijk hebben verklaard niet te beschikken over bankrekeningen, zijn eveneens feiten en omstandigheden die steun bieden aan het vermoeden dat de emballagegoederen niet op bonafide wijze zijn verkregen. De rechtbank heeft dit een en ander aan belanghebbenden voorgehouden ter zitting, maar belanghebbenden hebben desalniettemin geen enkel inzicht verschaft in de wijze waarop de emballagegoederen zijn verkregen en hebben volstaan met de blote stelling dat inkopen contant hebben plaatsgevonden bij niet nader genoemde personen.
42. Verweerder wijst er voorts op dat het dossier diverse aanwijzingen bevat die erop wijzen dat de heer [naam 1] de contante gelden uit bankopnamen en contante omzet niet heeft besteed aan de gestelde inkopen maar aan privéuitgaven. Zo bevinden zich in het dossier facturen gericht aan [naam 1] waaruit volgt dat in het jaar 2021 voor ongeveer € 65.000 aan luxe horloges en sieraden zijn aangekocht (p. 1959-1961 van het FIOD-procesdossier). Dit staat in schril contrast met het betoog van belanghebbenden dat slechts kleine winstmarges werden behaald met de emballagehandel. Desgevraagd heeft [naam 1] hiervoor ter zitting geen plausibele verklaring gegeven. [naam 1] heeft voorts aan diverse financiële instellingen verklaringen afgegeven waaruit kan worden opgemaakt dat hij contante bankopnamen voor andere doeleinden dan inkopen heeft gebruikt (AMB-005 onderdeel 3, FIOD-dossier, p. 432-435), namelijk voor privéuitgaven en het verstrekken van leningen. Ook dit geeft aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat er geen contante inkopen hebben plaatsgevonden.
43. Onder verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 18 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:1300 (in hoger beroep bevestigd door Hof Amsterdam op 3 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2447), stellen belanghebbenden dat er hoe dan ook rekening moet worden gehouden met inkoopkosten, dus ook in casu. Deze vergelijking gaat echter niet op. Uit de genoemde uitspraak volgt dat geen sprake was van omkering van de bewijslast, zodat de belanghebbende in die zaak kon volstaan met het aannemelijk maken van het bestaan en de hoogte van inkoopkosten en hoefde hij dit een en ander niet overtuigend aan te tonen. Bovendien kon in genoemde zaak worden vastgesteld dat de verkochte goederen niet afkomstig waren van diefstal door de belanghebbende zelf (rechtsoverweging 32 van de genoemde uitspraak van 18 januari 2022). Dat is in casu niet mogelijk nu belanghebbenden geen verklaring hebben gegeven over de gestelde contante inkopen. Ingeval van heling kan ervan worden uitgegaan dat enige vergoeding is betaald aan de verkoper. In AMB-005 gaat het voornamelijk om diefstal en verduistering. Voor zover sprake zou zijn geweest van heling (zie bijv. AMB-005 paragraaf 2.6.1 inzake inkoop van vermoedelijk gestolen emballage door [naam 1] bij ene [naam 10] ) kan weliswaar worden aangenomen dat belanghebbenden inkoopkosten hebben gemaakt, maar dan kan niet worden uitgegaan van de brutowinstpercentages die belanghebbenden hebben genoemd in het kader van de reguliere tussenhandel van emballagegoederen. Zonder nadere uitleg kan de rechtbank hier dan ook niets mee in het kader van een redelijke schatting.
44. Verweerder heeft gelet op het voorgaande voldoende aanknopingspunten gegeven voor het vermoeden dat geen contante inkopen hebben plaatsgevonden en dat de schattingen niet te hoog zijn. De stellingen van belanghebbenden dat beperkte winstmarges plegen te worden gemaakt in de tussenhandel van emballagegoederen zijn te algemeen en ontoereikend om de schattingen onredelijk hoog of willekeurig te achten.
45. De door belanghebbenden gestelde girale inkopen van emballagegoederen brengen de rechtbank evenmin tot het oordeel dat de schattingen onredelijk hoog of willekeurig zijn. De genoemde girale overboekingen betreffen een relatief beperkt deel van de gestelde totale inkoopkosten (zie onder 36), namelijk € 111.496 op een totaal van € 1.480.937,22 voor belanghebbende 1, € 141.929 op een totaal van € 1.387.758,91 voor belanghebbende 2 en € 99.148 op een totaal van € 1.217.986,65 voor belanghebbende 3. Verder ontbreken dienaangaande facturen en gaat het voor een groot deel om betalingen afkomstig van bankrekeningen van eenmanszaken van [naam 1] en niet om betalingen afkomstig van de bankrekeningen van belanghebbenden. Evenmin kan worden geverifieerd of het gaat om zakelijk uitgaven. Als ervan wordt uitgegaan dat uitgaven en ontvangsten die thuishoren bij belanghebbenden via bankrekeningen van de eenmanszaken van [naam 1] hebben plaatsgevonden, dient dit voor rekening van belanghebbenden te blijven. Gelet op de ernst van de gebreken in de administraties is het ondoenlijk hier nog een betrouwbare reconstructie van te maken en de opbrengsten en uitgaven toe te rekenen aan de juiste ondernemingen. De benadering van verweerder, waarbij is uitgegaan van de bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbenden, acht de rechtbank dan ook een betrouwbaardere manier om dubbeltellingen te voorkomen, dan de door belanghebbenden voorgestelde reconstructie.
46. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat met de gestelde inkoopkosten geen rekening hoeft te worden gehouden in het kader van een redelijke schatting. De rechtbank roept voorts in herinnering dat de winstcorrecties zijn gebaseerd op bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbenden en dat contante omzet uit emballageverkopen en autoverkopen daarbij niet in aanmerking is genomen. De opbrengsten uit autoverkopen zijn blijkens de controlerapporten van belanghebbende 1 en belanghebbende 3 niet afzonderlijk in aanmerking genomen bij de berekening van de winstcorrecties om dubbeltellingen te voorkomen, omdat de opbrengsten uit deze verkopen mogelijk al zijn begrepen in de bijschrijvingen op de bankrekeningen. Uit de controlerapporten kan echter worden opgemaakt dat een aanzienlijk deel van de opbrengsten van de verkochte voertuigen contant moet zijn ontvangen. Overigens ontbreekt een deel van de inkoopfacturen van de door belanghebbende 1 en belanghebbende 3 verkochte voertuigen, zodat de gestelde inkoopkosten in zoverre evenmin kunnen worden geverifieerd. Nu belanghebbende 2 betwist dat in- en verkopen van auto’s in Duitsland hebben plaatsgevonden en de winstcorrecties hier ook niet op zien, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om in het kader van de redelijke schatting inkoopkosten ter zake van inkopen van auto’s in Duitsland in aanmerking te nemen bij belanghebbende 2.
47. De door belanghebbenden gestelde overige kosten geven evenmin aanleiding de winstcorrecties naar beneden bij de stellen. In bezwaar stelden belanghebbenden dat rekening moet worden gehouden met overige kosten voor een totaalbedrag van ongeveer € 40.000 (belanghebbende 1), € 4.000 (belanghebbende 2) en € 55.000 (belanghebbende 3). In de pleitnota hebben belanghebbenden de bedragen van overige kosten die volgens hen in aanmerking moeten worden genomen fors naar beneden bijgesteld op € 23.194,08 voor belanghebbende 1 en op € 6.223,18 voor belanghebbende 3. Het gaat volgens belanghebbenden onder andere om kosten van [verkoopplatform] , transportkosten, huisvestingskosten, bankkosten, internetkosten en advieskosten. Het betreft relatief geringe bedragen en ook hiervan is een deel via bankrekeningen van de eenmanszaken van [naam 1] betaald. Bovendien ontbreken facturen en staan er contante opbrengsten tegenover die niet in de winstcorrecties zijn betrokken (zie hierboven).
Vergelijking met benadelingsbedragen volgens het Openbaar Ministerie en het FIOD-dossier
48. De rechtbank merkt op dat – anders dan belanghebbenden kennelijk menen – de berekening van de winstcorrecties van verweerder niet onverklaarbaar afwijken van de berekening van de FIOD van de benadelingsbedragen in de Vpb. Het in de pleitnota van belanghebbenden genoemde benadelingsbedrag van € 1.129.919 waarvan het Openbaar Ministerie in de strafzaak zou zijn uitgegaan ziet op het bedrag aan niet betaalde belastingen (Vpb en omzetbelasting) en laat de mogelijkheid open dat een aanzienlijk deel aan belastbare winsten in de Vpb niet is aangegeven. Voor zover belanghebbenden menen dat de rechtbank van de nadeelberekening van de FIOD zou moeten uitgaan in het kader van een redelijke schatting, brengt dit de rechtbank niet tot andere inzichten. Daartoe overweegt zij het volgende.
49. De FIOD heeft het fiscale nadeel wegens het opzettelijk niet en onjuist doen van de aangiften Vpb door belanghebbenden berekend in een afzonderlijk proces-verbaal (zie AMB-011, p. 12 e.v., FIOD-dossier, p. 545 e.v., DOC 194 en DOC 202). De FIOD komt uit op een belastbare winst van € 1.077.380 voor belanghebbende 1 (de belastbare winst bedraagt volgens verweerder € 1.551.960), € 796.409 voor belanghebbende 2 (volgens verweerder € 272,240) en € 575.763 voor belanghebbende 3 (volgens verweerder € 1.538.489). Het benadelingsbedrag betreft de hierover verschuldigde Vpb en bedraagt volgens het proces-verbaal respectievelijk € 259.345, € 187.102 en € 126.941 (FIOD-dossier, p. 558). In de berekening van de FIOD is alleen de omzet op facturen van zes afnemers in aanmerking genomen, hetgeen inzicht zou geven in een ‘ruime helft’ van de inkomende betalingen op de bankrekeningen van belanghebbenden (FIOD-dossier, p. 555). Voor zover de FIOD facturen of betalingen ten aanzien van inkoop van emballage heeft waargenomen zijn deze kosten als inkoopkosten meegenomen (FIOD-dossier, p. 556). Hierbij zijn facturen van [bedrijf 3] en inkoop van vermoedelijk gestolen emballage van [naam 10] in aanmerking genomen. Ook is bij de berekening van het fiscaal nadeel rekening gehouden met transportkosten inzake vervoer emballagehandel en overige kosten (kosten KvK) (FIOD-dossier, p. 557). Opmerking verdient voorts dat de autohandel niet in het FIOD-onderzoek is betrokken, zodat ook die winsten buiten beschouwing zijn gelaten in de nadeelberekening van de FIOD. In vergelijking met de nadeelberekening van de FIOD is de schatting van verweerder naar het oordeel van de rechtbank eerder te laag dan te hoog.
Conclusie: redelijke schatting
50. Gelet op voorgaande berekeningen, het ontbreken van een concrete en verifieerbare verklaring met betrekking tot de contante inkopen van de emballagegoederen, de gebreken in de administraties van belanghebbenden en de door verweerder verschafte aanknopingspunten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder binnen de hem gegunde beoordelingsmarge is gebleven ten aanzien van de schattingen van de winsten van belanghebbenden op basis van de bijschrijvingen op hun bankrekeningen. De schattingen zijn redelijk en niet willekeurig. Het beroep faalt in zoverre.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
51. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld bij de behandeling van het bezwaar. Ook zijn de uitspraken voldoende gemotiveerd. Dat belanghebbenden het niet eens zijn met de beslissingen van verweerder en de schattingen van de belastbare winsten onredelijk hoog vinden, maakt nog niet dat genoemde beginselen zijn geschonden. Voor zover belanghebbenden zich hebben beroepen op het gelijkheidsbeginsel, faalt dit reeds omdat geen vergelijkbare gevallen zijn aangedragen.
52. Van schending van het door belanghebbenden genoemde evenredigheidsbeginsel is evenmin sprake nu de schattingen berusten op een redelijke schatting. De omstandigheid dat de aanslagen zullen leiden tot persoonlijk faillissement van [naam 1] , brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank begrijpt dat deze beslissing ook grote financiële consequenties kan hebben voor [naam 1] persoonlijk, maar daarmee kan in het kader van de vaststelling van de belastbare winsten van belanghebbenden geen rekening worden gehouden.
Slotsom
53. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep van belanghebbende 2 (zaaknummer HAA 25/3787) gegrond te worden verklaard. De belastbare winst van belanghebbende 2 zal worden verminderd tot een bedrag van € 272.240. De beroepen van belanghebbende 1 en belanghebbende 3 (HAA 25/3742 en HAA 25/3733) zullen ongegrond worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
54. Nu het beroep van belanghebbende 2 gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting (het informerend gesprek van 6 juni 2024) met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Voorzover aan belanghebbende een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
55. Ook zal de rechtbank verweerder gelasten het door belanghebbende 2 betaalde griffierecht aan belanghebbende 2 te vergoeden.
56. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten van belanghebbende 1 en belanghebbende 3.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart de beroepen van belanghebbende 1 (HAA 25/3742) en belanghebbende 3 (25/3733) ongegrond;
-
verklaart het beroep van belanghebbende 2 (HAA 25/3787) gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar van belanghebbende 2;
-
vermindert de aan belanghebbende 2 opgelegde aanslag Vpb 2019/2020 tot een berekend naar een belastbare winst van € 272.240 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende 2 tot een bedrag van € 3.200, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan belanghebbende 2 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. C. Huisman en mr. D.C. van Beelen, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam .
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).