Bestuursstrafrecht
Betrokkene heeft gesteld dat hij had moeten worden staande gehouden. In dit geval is voldoende gebleken dat…
Rechtbank Noord-Holland, 29 april 2022
ECLI:NL:RBNHO:2022:10098 · Rechtbank Noord-Holland · 29 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2022-10098
Zaakgegevens
Op 29 april 2022 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 29 april 2022
- Datum publicatie
- 15 november 2022
- Zaaknummer
- 9737997
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:10098
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Betrokkene heeft gesteld dat hij had moeten worden staande gehouden. In dit geval is voldoende gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, omdat de verbalisant niet in een als zodanig herkenbaar politievoertuig reed (privévoertuig) en er zodoende geen middelen aanwezig waren om een stopteken te geven aan de bestuurder die de gedraging had verricht. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft waargenomen dat de betrokkene met zijn rechterhand tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 9737997 \ WM VERZ 22-253
CJIB-nummer : 243695486
Uitspraakdatum : 29 april 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
Het verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 29 april 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“(… )Ik zag dat bestuurder van het genoemde voertuig tijdens het rijden een onbekend met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat persoon zat ongeveer 2 km lang met zijn telefoon in zijn rechterhand. Meerdere keren ingehaald en door beide verbalisanten waargenomen. Ik heb deze waarnemingen gedaan door het genoemde voertuig langzaam in te halen waarbij ik 5 minuten duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kon kijken. (…)
Reden geen staandehouding: geen staandehouding in verband met constatering op de snelweg en verbalisanten reden in privé auto dus konden geen stopteken geven.”
Betrokkene heeft gesteld dat hij had moeten worden staande gehouden. Uit artikel 5 WAHV volgt dat de boete kan worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het voertuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven, tenzij direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. Dit betekent dat als zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van die bestuurder voordoet, de boete aan de bestuurder moet worden opgelegd en niet aan de kentekenhouder. In dit geval is voldoende gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, omdat de verbalisant niet in een als zodanig herkenbaar politievoertuig reed (privévoertuig) en er zodoende geen middelen aanwezig waren om een stopteken te geven aan de bestuurder die de gedraging had verricht. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft waargenomen dat de betrokkene met zijn rechterhand tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft betrokkene voldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd om te twijfelen aan de verklaring en de waarneming van de verbalisant. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak
De kantonrechter:
? verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: