Personen- en familierecht
De vrouw heeft verzocht een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage vast te stellen. De man heeft hier…
Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:760 · Rechtbank Noord-Holland · 27 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/personen-en-familierecht/op-tegenspraak/ecli-nl-rbnho-2023-760
Zaakgegevens
Op 27 januari 2023 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 27 januari 2023
- Datum publicatie
- 3 februari 2023
- Zaaknummer
- C/15/324614 / FA RK 22-388
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2023:760
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De vrouw heeft verzocht een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage vast te stellen. De man heeft hier verweer tegen gevoerd. Partijen zijn daarna in mediation gegaan. Met behulp van de mediator hebben zij overeenstemming bereikt, welke overeenstemming zij in een door hen ondertekend ouderschapsplan hebben opgenomen. De vrouw heeft haar verzoek in die zin gewijzigd dat zij nu verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. Ook de man verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
alimentatie/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/324614 / FA RK 22-388
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 januari 2023
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. D.G. Nagel, kantoorhoudende te Almere,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. Tijseling, kantoorhoudende te Utrecht.
1 Procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 25 januari 2022;
- het verweerschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 18 maart 2022;
- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 7 november 2022;
- het F-formulier van de advocaat van de man van 17 november 2022.
2 Feiten en omstandigheden
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit deze relatie geboren de minderjarige [geslachtsnaam] :
- [de minderjarige] , op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
3 Beoordeling
De vrouw heeft verzocht een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage vast te stellen. De man heeft hier verweer tegen gevoerd. Partijen zijn daarna in mediation gegaan. Met behulp van de mediator hebben zij overeenstemming bereikt, welke overeenstemming zij in een door hen ondertekend ouderschapsplan hebben opgenomen. De vrouw heeft haar verzoek in die zin gewijzigd dat zij nu verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. Ook de man verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
4 Beslissing
De rechtbank bepaalt dat het aangehechte, door partijen op 13 juli 2022 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking.
|
Deze beschikking is gegeven door F. Kleefmann, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Leertouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023. |
||
|
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam . De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||