Bestuursrecht overig
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 28 september 2026…
Rechtbank Noord-Nederland, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4644 · Rechtbank Noord-Nederland · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnne-2026-4644
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- LEE 26/3292
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4644
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 28 september 2026 waarmee het college verzoekster heeft uitgeschreven uit de basisregistratie persoonsgegevens (brp). Verzoekster is uitgeschreven naar een onbekende bestemming met ingang van 6 augustus 2026. Vanaf die datum is zij niet langer als ingezetene in de brp geregistreerd. Bij besluit van 9 oktober 2026 is de datum van uitschrijving gewijzigd in 10 augustus 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de werking van de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3292
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam 1 uit plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B. van Dijk)
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen
(gemachtigde: [naam 2] )
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 28 september 2026 waarmee het college verzoekster heeft uitgeschreven uit de basisregistratie persoonsgegevens (brp). Verzoekster is uitgeschreven naar een onbekende bestemming met ingang van 6 augustus 2026. Vanaf die datum is zij niet langer als ingezetene in de brp geregistreerd. Bij besluit van 9 oktober 2026 is de datum van uitschrijving gewijzigd in 10 augustus 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de werking van de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster stond aanvankelijk ingeschreven op het adres [adres] . Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft het college verzoekster uitgeschreven uit de brp naar een onbekende bestemming, met ingang van 6 augustus 2026. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2026 heeft het college het besluit van 28 september 2026 gewijzigd. Alleen de uitschrijfdatum is gewijzigd van 6 augustus 2026 naar 10 augustus 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Per e-mailbericht verzonden op 12 oktober 2026 heeft het college een ongelakte versie ingediend van “Document 30 Rapport Sociaal Domein”, bestaande uit 81 pagina’s. Verzocht is de kennisneming daarvan te beperken tot de bestuursrechter.
Bij tussenbeslissing van 19 oktober 2026 heeft de geheimhoudingskamer bepaald dat beperking van de kennisneming van het stuk gerechtvaardigd is en dat beperking van de gegeven motivering van het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet gerechtvaardigd is.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college. Ter zitting is door verzoekster de toestemming bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid van de Awb geweigerd. De voorzieningenrechter heeft daarom geen kennis genomen van de ongelakte versie van het rapport van document 30.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Verzoekster heeft verzocht om toewijzing van het verzoek om het bestreden besluit te schorsen en dus de uitschrijving ongedaan te maken tot in elk geval zes weken nadat op de bezwaren zal zijn beslist. Een en ander met veroordeling van het college in de proceskosten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Het college stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81 van de Awb. Het college verzoekt de voorzieningenrechter daarom het verzoek reeds wegens het ontbreken van voldoende aangetoonde onverwijlde spoed af te wijzen. Volgens het college is het zo dat van een spoedeisend belang geen sprake kan zijn als het gaat om de door de wetgever bedoelde rechtsgevolgen van een besluit. In het onderhavige geval is door de wetgever onderkend dat een besluit op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) de gevolgen kan hebben waarmee verzoekster zich geconfronteerd ziet. Daarnaast heeft het college naar voren gebracht dat de datum van beëindiging van de zorgverzekering, 9 augustus 2026, ligt vóór de datum van het besluit van 28 september 2026. Op basis van de informatie die ten tijde van het verweerschrift beschikbaar was kon daarom niet zonder nadere onderbouwing worden vastgesteld dat de beëindiging rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden besluit. Evenmin is met concrete stukken onderbouwd welke actuele gevolgen de uitschrijving toen had voor haar zorgverzekering of huurtoeslag, welke maatregelen door de betreffende instanties zijn genomen en waarom die gevolgen niet langs de daarvoor aangewezen weg kunnen worden opgehelderd of beperkt. Ook de stelling dat verzoekster dakloos dreigt te worden, is voor zover het college kan beoordelen niet met concrete, actuele gegevens onderbouwd waaruit blijkt dat op zeer korte termijn daadwerkelijk verlies van huisvesting dreigt. Het college begrijpt dat verzoekster de situatie als ingrijpend ervaart, maar de ernst van een gesteld gevolg is niet hetzelfde als het aantonen van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81 Awb, aldus het college.
Verzoekster heeft, nadat het verweerschrift is ingediend, een brief van De Friesland van 8 augustus 2026 in het geding gebracht. Daarin staat dat die zorgverzekeraar, na een melding van de gemeente te hebben ontvangen, de zorgverzekering stopt per 8 augustus 2026 als binnen vier weken geen juist adres wordt ontvangen. Verzoekster heeft ook een schermprint overgelegd van de website https://mijn.toeslagen.nl/statusoverzicht. Ter zitting heeft zij naar voren gebracht dat zij op 20 oktober 2026 geen toeslag heeft ontvangen. De hoorzitting in bezwaar is gepland op
18 januari 2027, zodat een besluit op bezwaar niet eerder wordt verwacht dan februari 2027. Volgens verzoekster is dat onwenselijk voor iemand die niets te verbergen heeft, zoals zij.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft. Daartoe overweegt hij als volgt.
Het college kan niet worden gevolgd in het standpunt dat van een spoedeisend belang geen sprake kan zijn als het gaat om de door de wetgever bedoelde rechtsgevolgen van een besluit zoals het onderhavige. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is onverwijlde spoed vereist. Er moet dus niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. In dit verband is van belang dat de hoorzitting is gepland in januari 2027, zodat een besluit op bezwaar niet voordien te verwachten is.
De spoedeisendheid heeft als regel betrekking op de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit nog te herstellen, dus de onomkeerbaarheid. In de onderhavige zaak is irrelevant of het gaat om door de wetgever bedoelde rechtsgevolgen.
De (toenmalige) zorgverzekeraar van verzoekster, De Friesland, heeft aan haar per emailbericht verzonden op 22 september 2026 meegedeeld dat haar zorgverzekering wordt stopgezet op 9 augustus 2026. Het college kon bij het besluit van 9 oktober 2026 rekening houden met die brief, maar heeft daartoe geen aanleiding gezien. Dat zorgkosten niet op een zorgverzekering kunnen worden verhaald zolang verzoekster geen nieuwe zorgverzekering heeft afgesloten – waarvoor zij in de brp moet zijn ingeschreven – is naar zijn aard onomkeerbaar. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat verzoekster in de bijlage bij de aanvullende zienswijze van 23 september 2026 onbetwist heeft gesteld dat haar angst- en dwangproblematiek al langere tijd bestaat, dat zij daarvoor in behandeling is en dat zich daarover informatie in het dossier bevindt waarover de gemeente beschikt. Hierom heeft verzoekster een spoedeisend belang.
Huurtoeslag wordt slechts toegekend als de huurster als ingezetene op het adres van de woning is ingeschreven in de basisregistratie personen. Op de schermprint die door verzoekster is overgelegd staat dat zij, volgens Belastingdienst/Toeslagen, is verhuisd per 6 augustus 2026 en dat dat is doorgegeven door haar gemeente. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat huurtoeslag door de overheid wordt verstrekt om de huur van een woning te kunnen betalen, waarbij bovengrenzen zijn gesteld aan inkomen, spaargeld en ander vermogen. Ook heeft verzoekster onbetwist gesteld dat zij op 20 oktober 2026 geen huurtoeslag heeft ontvangen, dat haar bijstandsuitkering is teruggevorderd en dat zij momenteel geen bijstandsuitkering ontvangt. Niet is gebleken van een andere inkomstenbron voor verzoekster. Ook hierom heeft verzoekster een spoedeisend belang.
Bestaat er aanleiding een voorlopige voorziening te treffen?
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Dat licht hij hierna toe.
Verzoekster voert aan dat er voor toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp moet zijn voldaan aan drie voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat gedegen onderzoek is verricht. Volgens verzoekster was er aanleiding om verder te rechercheren. De onderzoeksgegevens die zijn verzameld zijn niet actueel genoeg, aldus verzoekster.
Het college stelt zich op het standpunt dat het geheel van de onderzoeksbevindingen voldoende grond biedt voor de conclusie dat aan alle drie de voorwaarden van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is voldaan. Het college heeft de waarnemingen bij [adres] , het buurtonderzoek, de gegevens over het gebruik van de woning en de door verzoekster overgelegde informatie in onderlinge samenhang beoordeeld. De omstandigheden die wijzen op een band met de woning en Heerenveen zijn daarbij meegewogen, maar leiden niet tot de conclusie dat [adres] ten tijde van het bestreden besluit nog het feitelijke woonadres van verzoekster was.
De voorzieningenrechter overweegt dat in de brp een ingezetene kan worden ingeschreven op een woonadres of, indien dat ontbreekt, op een briefadres. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden: i) de ingezetene kan niet worden bereikt, ii) van haar is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en iii) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over haar worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er niet lichtvaardig tot ambtshalve opschorting van de bijhouding van een persoonslijst mag worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk. Voor de ingeschrevene betekent het dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel vanuit gaan dat zij niet meer in Nederland verblijft. Zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten. Voor overheidsorganen (en derden) is het gevolg dat zij de basisregistratie niet meer kunnen gebruiken om de betrokken persoon te bereiken. In het onderhavige geval is al gebleken van gevolgen voor de zorgverzekering en de huurtoeslag van verzoekster.
Bij de toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp moet aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden worden beoordeeld waar iemand woont. De plaats waar de betrokkene ’s nachts slaapt kan daarbij een grote betekenis hebben.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er weliswaar waarnemingen hebben plaatsgevonden in de ochtend, middag en avond, maar tussen de laatste waarnemingen op 29 november 2025 en de datum van het eerste primaire besluit, zijn negen maanden en dertig dagen verstreken. Het buurtonderzoek heeft plaatsgevonden op 16 september 2025 en 23 september 2025. Tussen de laatste waarnemingen en het eerste primaire besluit is door verzoekster en het college met elkaar gecorrespondeerd over het adresonderzoek. Dat heeft geen objectiveerbare informatie opgeleverd. Daarnaast is door het college per e-mailbericht verzonden op 2 juli 2026 een overzicht opgevraagd van de levering van water door Vitens op het adres van verzoekster. Die gegevens hebben betrekking op de periode 1 juni 2018 tot en met 27 oktober 2025.
Naar voorlopig oordeel is geen sprake geweest van een gedegen onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp, omdat er teveel tijd is verstreken tussen de waarnemingen en de besluitvorming. Daargelaten wat uit het onderzoek valt op te maken, geeft het hooguit een beeld van de stand van zaken in november 2025.
Conclusie en gevolgen
6. Het bezwaar tegen de bestreden besluiten heeft een redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de werking van de primaire besluiten van 28 september 2026 en 9 oktober 2026 schorsen. Dat is evenwel onvoldoende om de rechtspositie van verzoekster hangende bezwaar te redresseren.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat het college de inschrijving van verzoekster in de brp hangende bezwaar binnen drie werkdagen na verzending van de afschriften van deze uitspraak herstelt in de toestand waarin die verkeerde vóórdat het adresonderzoek naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van verzoekster werd begonnen.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat het college de inschrijving van verzoekster in de brp in die herstelde toestand houdt, totdat deze voorlopige voorziening is vervallen.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt na ommekomst van twee weken nadat het te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep. In dat geval zal de voorziening die bij deze uitspraak is getroffen vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek hangende beroep.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt als verzoekster ervoor kiest haar bezwaar tegen de besluiten van 28 september 2026 en 9 oktober 2026 in te trekken.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
Om dezelfde reden krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Beide proceshandelingen hebben een waarde van € 934,–. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,–.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
-
schorst de werking van het besluit van 28 september 2026 ( [nummer] );
-
schorst de werking van het besluit van 9 oktober 2026 ( [nummer] );
-
bepaalt dat het college de inschrijving van verzoekster in de brp hangende bezwaar binnen drie werkdagen na verzending van de afschriften van deze uitspraak herstelt in de toestand waarin die verkeerde vóórdat het adresonderzoek naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van verzoekster werd begonnen;
-
bepaalt dat het college de inschrijving van verzoekster in de brp in die herstelde toestand houdt, totdat deze voorlopige voorziening is vervallen;
-
bepaalt dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt na ommekomst van twee weken nadat het te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep. In dat geval zal de voorziening die bij deze uitspraak is getroffen vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek hangende beroep;
-
bepaalt dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt als verzoekster ervoor kiest haar bezwaar tegen de besluiten van 28 september 2026 en 9 oktober 2026 in te trekken;
-
bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,– aan verzoekster moet vergoeden;
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,– aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: