Civiel recht overig
Kennelijk onredelijk ontslag; in strijd met CAO, geen overleg met vakbonden over reorganisatie…
Rechtbank Noord-Nederland, 6 februari 2013
ECLI:NL:RBNNE:2013:8396 · Rechtbank Noord-Nederland · 6 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbnne-2013-8396
Zaakgegevens
Op 6 februari 2013 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 februari 2013
- Datum publicatie
- 9 juli 2015
- Zaaknummer
- 3248478 CV EXPL 14-10381
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2013:8396
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kennelijk onredelijk ontslag; in strijd met CAO, geen overleg met vakbonden over reorganisatie; scholingsverplichting.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
Zaak\rolnummer: 3248478 CV EXPL 14-10381
Vonnis van de kantonrechter van 13 mei 2015
inzake
-
[eisende partij sub 1], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 2], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 3], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 4], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 5], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 6], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 7], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 8], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 9], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 10], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 11], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 12], [wonende te plaats],
-
[eisende partij sub 13] [wonende te plaats],
eisers, hierna ook [eiseressen] te noemen,
gemachtigde mr. H.J.A. van Dijk, werkzaam bij Aanzet Arbeidsrecht te Haren (postbus 9, 9750 AA),
tegen
de besloten vennootschap Vlaar Groningen B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Groningen, Van der Hoopstraat 4,
gedaagde, hierna Vlaar te noemen,
gemachtigde mr. N. Paanakker, advocaat te Groningen (postbus 723, 9700 AS).
PROCESGANG
[eiseressen] hebben op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd:
A. dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de opzegging van de arbeidsovereenkomsten van eisers gezamenlijk dan wel per eiser afzonderlijk kennelijk onredelijk is te achten;
en dat de kantonrechter Vlaar veroordeelt tot:
primair
het voldoen van een vergoeding conform, althans afgeleid van, de schadeberekening opgesteld met de systematiek van Hoelangwerkeloos, zoals overgelegd onder productie 10, althans;
subsidiair
het voldoen van een vergoeding ter hoogte van een bedrag afgeleid dan wel gelijk aan de transitievergoeding, althans een gemiddelde tussen de transitievergoeding en de RFR vergoeding, conform de berekeningen onder productie 11, althans,
meer subsidiair
het voldoen van een in goede justitie door de kantonrechter vast te stellen schadevergoeding per individuele eiser(es);
betaling van de wettelijke rente over de onder sub B genoemde post met ingang van twee weken na de dag van vonniswijzing tot de dag der algehele voldoening;
betaling van de kosten van dit geding.
Vlaar heeft de vorderingen bestreden.
Bij tussenvonnis van 2 oktober 2014 is een comparitie van partijen gelast.
De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015, in aanwezigheid van partijen (Vlaar vertegenwoordigd door [naam]) en hun gemachtigden. Van hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Ter zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich nader schriftelijk uit te laten. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Tot slot is wederom vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is nader vastgesteld op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
1. [eiseressen] zijn in dienst geweest bij Vlaar. Op de arbeidsovereenkomsten die in dat kader zijn gesloten was de CAO Grafimedia (hierna: de CAO) van toepassing.
2. Bij brief van 27 september 2013 heeft Vlaar aan FNV Kiem (t.a.v. de heer [naam]) onder meer het volgende medegedeeld:
“Als gevolg van sterk teruglopende omzet en negatief bedrijfsresultaat ziet Vlaar Groningen bv te Groningen zich helaas genoodzaakt een reorganisatie door te voeren en als gevolg hiervan een verzoek tot het verlenen van ontslagvergunning van 15 medewerkers (12.2 fte) in te dienen bij UWV Werkbedrijf.
Voor de voor ontslag voorgedragen medewerkers is een sociaal plan opgesteld conform de Grafimedia CAO 1 februari 2012 - 1 augustus 2013. Dit sociaal plan bestaat uit een outplacementtraject zoals omschreven in hoofdstuk 9B: “van werk naar werk regeling” in voornoemde CAO.
(…)
Graag vernemen wij van u of u of één van de sectorvertegenwoordigers aan de hand van bovenstaande met ons en/of de medewerkers in overleg wilt treden.”
3. Vlaar heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op 27 september 2013 toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomsten met [eiseressen] wegens een reorganisatie op te zeggen.
4. Op 16 oktober 2013 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen [naam] namens Vlaar en [naam] (hierna: [medewerker van FNV]) en [naam] namens FNV Kiem.
5. Het UWV heeft Vlaar bij beslissingen van 28 oktober 2013 toestemming verleend om de arbeidsovereenkomsten met [eiseressen] op te zeggen, waarna Vlaar die arbeidsovereenkomsten tegen 1 februari 2014 heeft opgezegd.
Het geschil
6. [eiseressen] stellen zich op het standpunt dat het aan hen gegeven ontslag is aan te merken als kennelijk onredelijk in de zin van artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vlaar heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.
De beoordeling
7. De kantonrechter zal hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader ingaan op wat partijen ter onderbouwing van hun stellingen hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd.
8. Het gaat in deze zaak om een collectief ontslag als gevolg van een reorganisatie. Het UWV heeft toestemming gegeven voor dit collectieve ontslag. De kantonrechter ziet in wat [eiseressen] hebben aangevoerd geen aanleiding om te tornen aan de beslissing van het UWV. [eiseressen] zijn een andere mening toegedaan dan het UWV, stellende dat Vlaar ook andere – voor hen gunstiger – keuzes had kunnen maken, maar dat is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat sprake is van een onredelijke beslissing van het UWV om goedkeuring te verlenen aan het collectieve ontslag. Het aan [eiseressen] gegeven ontslag is in zoverre dus niet kennelijk onredelijk in de zin van artikel 7:681 BW.
9. Vervolgens ligt de vraag voor of, mede in aanmerking genomen de voor [eiseressen] getroffen voorzieningen en de voor hen bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hen te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Dit wordt ook wel het gevolgencriterium genoemd.
10. [eiseressen] hebben in dat verband onder meer aangevoerd dat Vlaar heeft gehandeld in strijd met de CAO omdat er voorafgaande aan de reorganisatie geen overleg heeft plaatsgevonden met de vakbonden over een sociaal plan. Vlaar heeft dit betwist, volgens haar heeft zij voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de CAO.
11. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
12. Artikel 9B.2. van de CAO, zoals die gold vanaf 1 april 2012, luidt als volgt:
“Onverlet hetgeen hierover is bepaald in de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) is de werkgever verplicht de werknemersorganisaties, die partij zijn bij deze cao, tijdig d.w.z. voordat tot uitvoering van een plan tot reorganisatie wordt overgegaan [onderstreping kantonrechter], in kennis te stellen van een plan tot reorganisatie met als doel overleg te hebben over een sociaal plan. De werknemersorganisaties zijn tot geheimhouding van de verkregen gegevens verplicht tot partijen in onderling overleg hebben vastgesteld dat deze verplichting kan worden opgeheven.”
13. De kantonrechter stelt vast dat Vlaar de vakbonden op 27 september 2013 op de hoogte heeft gebracht van haar reorganisatieplan en dat zij op diezelfde dag al bij het UWV ontslagvergunningen heeft aangevraagd voor [eiseressen] ter uitvoering van dat plan. Vlaar is dus tot uitvoering van haar plan tot reorganisatie overgegaan zonder daarover eerst met de vakbonden overleg te hebben gevoerd.
14. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Vlaar daarmee gehandeld in strijd met de CAO. Het aan [eiseressen] gegeven ontslag is om die reden als kennelijk onredelijk aan te merken.
15. Dit klemt temeer omdat [eiseressen] zonder uitzondering (oudere) werknemers zijn die geruime tijd bij Vlaar in dienst zijn geweest en die vanwege hun eenzijdige arbeidsverleden, mede gezien hun (lage) opleidingsniveau, een moeilijke positie op de arbeidsmarkt hebben. Vlaar heeft weliswaar in het kader van de reorganisatie alsnog scholing aangeboden, maar onvoldoende is komen vast te staan dat zij daaraan ook reeds eerder aandacht heeft besteed, laat staan dat er voordat zij tot reorganisatie overging scholing is aangeboden met als doel [eiseressen] een betere positie op de arbeidsmarkt te bezorgen.
16. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat [eiseressen] recht hebben op een schadevergoeding. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door de financiële positie van Vlaar. Vlaar heeft in de procedure bij het UWV gesteld met de reorganisatie een besparing te kunnen bereiken van afgerond € 650.000,00. De kantonrechter acht het redelijk dat [eiseressen] daar (eenmalig) een deel van ontvangen. Wanneer dat deel wordt bepaald op basis van de reorganisatie-, fusie en liquidatieregeling (RFR-regeling) zoals was opgenomen in de CAO geldend tot 1 april 2012, kost dat Vlaar in totaal € 122.537,00 zoals volgens [eiseressen] blijkt – en door Vlaar niet is weersproken – uit het eerste blad van productie 11 bij de dagvaarding. Het toekennen van die vergoeding doet naar het oordeel van de kantonrechter recht aan [eiseressen] en houdt rekening met de financiële positie van Vlaar. De kantonrechter zal daarom aan [eiseressen] schadevergoedingen toekennen op basis van de RFR-regeling zoals berekend in genoemde productie 11. De daarover gevorderde en niet afzonderlijk betwiste wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, en wel vanaf twee weken na betekening van dit vonnis.
17. Omdat Vlaar grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
18. [eiseressen] hebben in deze procedure drie e-mailberichten overgelegd van [medewerker van FNV], waaruit moet blijken dat er geen (reëel) overleg met de vakbonden heeft plaatsgevonden over een sociaal plan. Deze e-mailberichten dateren van 24 maart 2014, 16 december 2014 en 29 januari 2015.
19. In het e-mailbericht van 24 maart 2014 staat onder meer:
“Naar aanleiding van de aan mijn collega [naam] gerichte brief van Vlaar heb ik met bedrijfsdirecteur mevrouw [naam] contact opgenomen teneinde het overleg voor een Sociaal plan te starten. Tijdens dat overleg werd mij duidelijk dat zij geen toezeggingen over een Sociaal plan kon doen omdat zij daartoe niet bevoegd was. Ik heb daarom contact opgenomen met de directie in de hoofdvestiging te Krommenie om aldaar te proberen een Sociaal plan af te spreken. Helaas was de directie niet in beweging te krijgen en wilde men niet [de kantonrechter leest: niets] doen dat de cao-verplichting oversteeg. Nimmer heb ik de indruk gehad dat men serieus met ons, ik was tijdens beide verzoeken vergezeld van kaderlid [naam], met ons wenste te onderhandelen. Er is dus, in tegenstelling van wat mevrouw [naam] in haar brief beweerd, in het geheel geen Sociaal plan afgesloten. Het Van werk naar werk traject dat zij noemt is namelijk geen Sociaal plan doch een cao-recht van de werknemers en daarmee een op de werkgeefster rustende verplichting.”
20. Het overleg waarnaar [medewerker van FNV] in zijn e-mail van 24 maart 2014 verwijst heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Vlaar heeft een verslag van dat overleg in het geding gebracht. In zijn e-mail van 16 december 2014 heeft [medewerker van FNV] onder meer meegedeeld dat hij dit verslag niet kent en dat dit verslag kennelijk eenzijdig door Vlaar is opgesteld, maar dat dat de inhoud wel de strekking van het gesprek dekt. Verder staat in de e-mail van 16 december 2014 onder meer:
“Er was door de werkgeefster wel -eenzijdig- een Sociaal plan opgesteld. Dat is echter niet de bedoeling van hoofdstuk 9B Grafimedia cao. De bedoeling van dat hoofdstuk en meer specifiek van 9B.2., is dat de werkgeefster verplicht is ons tijdig in te lichten over voorgenomen reorganisaties met als doel het overleg tot het tot stand komen van een Sociaal plan te voeren. (…) Dit is door werkgeefster nagelaten en het initiatief hiertoe is van mij uitgegaan.
Erkend kan worden dat er uitvoerig overleg is gevoerd al was het initiatief, zoals hiervoor al aangegeven, van FNV KIEM uitgegaan, daar waar op grond van de van toepassing zijnde Grafimedia cao dit door werkgeefster geïnitieerd had moeten worden. Een flagrante schending van de cao door nota bene een lid van het KVGO.”
21. In zijn e-mail van 29 januari 2015 heeft [medewerker van FNV] onder meer meegedeeld:
“Er is door mij met de directie van Vlaar geen enkele afspraak gemaakt. Gemaakte afspraken worden schriftelijk in een Sociaal plan vastgelegd en aan de leden ter instemming voorgelegd. Bovendien is een Sociaal plan slechts de bij cao afgesproken outplacement regeling (C3) en de toezegging daar waar opportuun een scholingsbudget dermate mager dat het volstrekt onvoldoende is om er afspraken over te maken en aan de leden voor te leggen. Dat de directie dat voorstel heeft gedaan, om daar waar opportuun scholing aan te bieden, maakt het nog geen afspraak. Ik heb het voorstel namelijk bij gebreke van een aanvullingsregeling volstrekt onvoldoende gevonden om überhaupt afspraken te maken.”
22. De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 9B.2. van de CAO slechts staat vermeld dat de werkgever de vakbonden tijdig in kennis stelt van een plan tot reorganisatie, met als doel overleg te hebben over een sociaal plan. Anders dan door [eiseressen] – bij monde van [medewerker van FNV] – bepleit staat in dat artikel niet dat dit overleg ook moet leiden tot een sociaal plan waarmee de vakbonden kunnen instemmen.
23. Uit de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken kan de kantonrechter geen andere conclusie trekken dan dat Vlaar de vakbonden tijdig – want voordat tot reorganisatie werd overgegaan – in kennis heeft gesteld van de geplande reorganisatie, namelijk bij brief van 27 september 2013. De stelling van [medewerker van FNV] dat het initiatief van hem zou zijn uitgegaan kan de kantonrechter dan ook niet volgen. In de brief van 27 september 2013 heeft Vlaar FNV Kiem uitgenodigd tot overleg over een sociaal plan. Dit overleg heeft vervolgens plaatsgevonden, maar heeft niet geleid tot een sociaal plan waar FNV Kiem mee in kan stemmen. Dat laat onverlet dat er wel overleg heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 9B.2 van de CAO. Van een schending van de CAO is dan ook geen sprake. Ook in zoverre is er dus geen reden om te oordelen dat het aan [eiseressen] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is.
24. Daarmee resteert de vraag of de door [eiseressen] in productie 9 bij de dagvaarding aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken dat het aan hen gegeven ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de kantonrechter dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Aan dat oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
25. Dit gegeven leidt er echter (nog) niet toe dat de opzegging van hun arbeidsovereenkomsten als kennelijk onredelijk moet worden beoordeeld.
[eiseressen] zullen daarom bijzondere (bijkomende) omstandigheden moeten stellen, en zo nodig bewijzen, die maken dat Vlaar door opzegging van de arbeidsovereenkomsten in strijd heeft gehandeld met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap, waardoor de nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten geheel of ten dele voor rekening van Vlaar komen. De bijkomende omstandigheden die [eiseressen] hebben aangevoerd – een aantal van hen is (mede) kostwinner, sommigen van hen hebben een medische beperking – zijn naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te komen tot het oordeel dat het aan hen gegeven ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.
26. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de vorderingen van [eiseressen] zullen worden afgewezen.
BESLISSING
De kantonrechter:
A. verklaart voor recht dat de opzeggingen van de arbeidsovereenkomsten van [eiseressen] kennelijk onredelijk zijn te achten;
veroordeelt Vlaar tot betaling van een schadevergoeding van:
-
€ 3.290,00 bruto aan [eisende partij sub 1];
-
€ 6.233,00 bruto aan [eisende partij sub 2];
-
€ 5.758,00 bruto aan [eisende partij sub 3];
-
€ 13.149,00 bruto aan [eisende partij sub 4];
-
€ 14.488,00 bruto aan [eisende partij sub 5];
-
€ 7.829,00 bruto aan [eisende partij sub 6];
-
€ 4.268,00 bruto aan [eisende partij sub 7];
-
€ 11.843,00 bruto aan [eisende partij sub 8];
-
€ 4.257,00 bruto aan [eisende partij sub 9];
-
€ 11.813,00 bruto aan [eisende partij sub 10];
-
€ 4.031,00 bruto aan [eisende partij sub 11];
-
€ 13.345,00 bruto aan [eisende partij sub 12];
-
€ 22.233,00 bruto aan [eisende partij sub 13];
veroordeelt Vlaar tot betaling van de wettelijke rente over de onder B genoemde bedragen aan de respectievelijke eisers vanaf twee weken na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt Vlaar in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiseressen] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 77,00 aan griffierecht, € 93,80 aan explootkosten en € 300,00 voor salaris van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 13 mei 2015 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: wj