Insolventierecht

Toewijzing verzoek toelating tot de WSNP met eerdere ingangsdatum.

Rechtbank Noord-Nederland, 5 maart 2026

Zaakgegevens

Op 5 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
5 maart 2026
Datum publicatie
10 april 2026
Zaaknummer
R.18/26/1066
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:1149
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toewijzing verzoek toelating tot de WSNP met eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Groningen

zaaknummer: R.18/26/1066

vonnis van 5 maart 2026


in de zaak van:

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen: verzoeker.

PROCESGANG

Verzoeker heeft op 13 januari 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna WSNP).

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 20 februari 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverleners] van de
Groningse Kredietbank.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.

De WSNP duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

Verzoeker heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw, omdat hij vier maanden, te weten augustus, september, oktober en november 2025 heeft afgelost. De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. Verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij op dit moment volledig arbeidsongeschikt is en het afgeloste bedrag de maximaal haalbare aflossing is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 5 november 2025.

BESLISSING

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 5 november 2025, waardoor deze termijn eindigt op 5 mei 2027;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,

gevestigd te [adres] ;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven
en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op

5 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.