Bestuursprocesrecht

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van een aanvraag voor individuele goedkeuring van een…

Rechtbank Oost-Brabant, 31 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 31 oktober 2024 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31 oktober 2024
Datum publicatie
30 oktober 2024
Zaaknummer
24/2025
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2024:5142
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van een aanvraag voor individuele goedkeuring van een voertuig als mobiele machine. Hierin komt de rechtbank tot het oordeel dat de RDW onvoldoende heeft gemotiveerd dat het voertuig niet in aanmerking kan komen hiervoor.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 24/2025


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2024 in de zaak tussen


[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.J. Baltus),

en

de directie van de RDW (de RDW),

(gemachtigde: mr. S.C. van Bergen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een individuele goedkeuring en inschrijving van een voertuig in het kentekenregister als mobiele machine.

1.1.

De RDW heeft de aanvraag met het besluit van 15 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de RDW bij die afwijzing gebleven.

1.2.

De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als deskundige van de RDW en de gemachtigde van de RDW.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een individuele goedkeuring en inschrijving van een door haar aangepast voertuig in het kentekenregister als mobiele machine (voertuigcategorie U).

3. De RDW heeft de aanvraag afgewezen, omdat het voertuig van eiseres volgens de RDW niet voldoet aan de definitie van een mobiele machine. Op de redenen die de RDW daaraan ten grondslag heeft gelegd, zal hierna worden ingegaan.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres om individuele goedkeuring van haar voertuig als mobiele machine. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

5. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Kunnen de bezwaargronden als herhaald en ingelast worden beschouwd?

6. Eiseres heeft in de eerste plaats verzocht om alles wat zij in de bezwaarschriftprocedure heeft aangevoerd, als herhaald en ingelast te beschouwen. Dat zal de rechtbank niet doen. Het integraal herhalen en inlassen (of verzoeken om het als zodanig te beschouwen) van wat er in bezwaar is aangevoerd, zonder er daarbij specifiek op te wijzen wat er onjuist is aan het bestreden besluit, is niet genoeg om van een gemotiveerde beroepsgrond te kunnen spreken. De rechtbank gaat daaraan om die reden voorbij.

Is de individuele goedkeuring terecht geweigerd?

7. Eiseres vindt dat het voertuig voldoet aan de definitie van mobiele machine. Op verzoek en naar wens van de koper zijn zodanige ingrijpende en uitgebreide technische aanpassingen aan het voertuig gedaan dat het niet geschikt is voor personen- of goederenvervoer over de weg. Het voertuig is ook uitdrukkelijk omgebouwd door eiseres om uitsluitend te worden gebruikt op de terreinen van de koper voor het daar verplaatsen van materialen. De verzochte kentekenregistratie is enkel bedoeld om een korte verplaatsing over de openbare weg mogelijk te maken om zodoende van terrein A naar terrein B te kunnen rijden of voor onderhoud naar een garage te kunnen rijden. Het voertuig is namelijk te groot en te zwaar om te worden getransporteerd. Door eiseres is in het voortraject een aantal voertuigen gemeld dat nagenoeg gelijk is aan het voertuig dat eiseres ter beoordeling heeft aangemeld. Die andere voertuigen zijn door de RDW wel allemaal beoordeeld als mobiele machine. Ook heeft eiseres een aantal voertuigen genoemd waarvoor zij in het verleden wel een kenteken heeft gekregen. Die voertuigen zijn volgens eiseres nagenoeg identiek. Eiseres heeft een verklaring van Tatra (de producent van het basisvoertuig van eiseres) overgelegd waarin staat dat de basisvoertuigen van Tatra specifiek voor off-road werkzaamheden zijn ontwikkeld en bedoeld zijn voor transport van zware ladingen over korte afstanden op moeilijk/zwaar terrein. Voor eiseres is het van belang dat zij het kenteken krijgt, omdat de koper zonder dat kenteken niets aan het voertuig heeft en het dan niet kan gebruiken. Zij wordt geconfronteerd met een grote schadeclaim als zij het voertuig niet met kenteken kan verkopen.

7.1.

De RDW stelt zich op het standpunt dat het voertuig van eiseres nog altijd geschikt is voor vervoer van goederen over de weg. Het voertuig bestaat uit een chassis/cabine van de categorie N met daarop een grotere laadbak om extreme lading te kunnen vervoeren. Voor het overige is het voertuig volgens de RDW niet anders dan een normale zware bedrijfsauto (N3, maximummassa van meer dan 12 ton). De aanpassingen die door eiseres zijn gedaan aan het voertuig zijn ook te bestellen voor een normale zware bedrijfsauto. De categorie van het voertuig wijzigt volgens de RDW niet door het doen van die aanpassingen. Het maakt daarbij niet uit dat het voertuig geschikt is voor off-road inzet. Dan zou namelijk iedere zware bedrijfsauto van Tatra als mobiele machine moeten worden gezien. Het door eiseres aangehaalde andere voertuig (Volvo met [kenteken]) is niet vergelijkbaar met het voertuig van eiseres. Bij die Volvo is namelijk alleen de cabine van een N-categorievoertuig gebruikt, maar is al het andere (waaronder het complete chassis, aandrijflijn, assen, etc.) aangepast/gebouwd voor specialistische werkzaamheden. Dat voertuig oogt hetzelfde, maar is wezenlijk anders dan het voertuig van eiseres.

De RDW heeft de belangen van eiseres afgewogen tegen het algemene belang van onder andere de verkeersveiligheid. Een voertuig in categorie U mag bestuurd worden door bestuurders met een rijbewijs categorie T, dat behaald kan worden vanaf 16 jaar. Voor voertuigen in de categorie N3 (zware bedrijfsauto) geldt dat deze alleen bestuurd mogen worden door bestuurders met een rijbewijs categorie C (en beroepsmatig met code 95). Daarvoor gelden veel strengere eisen. Eiseres heeft verder voorafgaand aan het verbouwen van het voertuig geen informatie ingewonnen bij het RDW over de vraag of haar beoogde (aangepaste) voertuig in categorie U zou kunnen vallen.


De RDW heeft ten overvloede overwogen dat het voertuig vanwege de omvang van de laadbak in een andere categorie voertuigen zou kunnen vallen. Daarvoor zou eiseres een principeakkoord moeten aanvragen, waarbij de ondeelbaarheid van de lading onder meer zal moeten worden aangetoond om de breedte van de laadbak te rechtvaardigen. Het voertuig is echter niet voor ondeelbare lading bedoeld. Een dergelijk verzoek voor een principeakkoord heeft volgens de RDW daarom weinig kans van slagen.

7.2.

Verzoeken om individuele goedkeuring voor mobiele machines worden beoordeeld op grond van artikel 23, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) en de op grond daarvan vastgestelde Regeling voertuigen.

7.3.

Een mobiele machine is volgens artikel 1.1 van de Regeling voertuigen: een motorvoertuig dat speciaal is ontworpen en gebouwd voor het uitvoeren van werkzaamheden en niet is bedoeld voor personen- of goederenvervoer over de weg.

7.4.

In artikel 3.6.3, eerste lid van de Regeling voertuigen staan de eisen voor individuele goedkeuring van mobiele machines:

Mobiele machines met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

a. de eisen in:

1. richtlijn 2006/42/EG;

2. verordening (EU) 2016/1628;

3. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;

4. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;

5. bijlage X van deze regeling ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; en

de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

7.5.

In de toelichting op de Regeling voertuigen staat over mobiele machines het

volgende:

“(…)

Er is een definitie van ‘mobiele machine’ opgenomen in de Regeling voertuigen om te duiden wat een dergelijk voertuig is. Een mobiele machine (bijvoorbeeld een knik-dumper of combine) kan weliswaar goederen vervoeren, maar qua ontwerp is het niet bedoeld om dit over weg te doen. Bij een mobiele machine staat voorop dat er werkzaamheden mee worden verricht. Met werkzaamheden wordt niet alleen bedoeld werkzaamheden op, aan of bij de weg, maar ook activiteiten op het land, zoals zandwinning of bouwwerkzaamheden. Een personenauto of lichte bedrijfsauto zal in beginsel niet kunnen voldoen aan de zinsnede ‘niet bedoeld voor personen- en goederenvervoer over de weg’. Immers, deze voertuigen zijn ooit goedgekeurd als een voertuig voor personen- of goederenvervoer. Het geschikt maken in het ontwerp van het voertuig voor werkzaamheden wordt dan ook onwaarschijnlijk geacht.

Voor zware bedrijfsauto’s geldt dat deze voertuigen na modificatie in het ontwerp, bijvoorbeeld door aanpassing van assen, wielen en spatborden, relatief eenvoudig kunnen voldoen aan de eis van ‘speciaal ontworpen en gebouwd voor werkzaamheden’. Te denken valt aan bedrijfsauto’s die hoofdzakelijk worden ingezet voor landbouwdoeleinden of voor rangeerdoeleinden op bedrijfsterreinen.

(…)”

7.6.

De stelling van de RDW dat het voertuig van eiseres in de basis een gewone zware bedrijfsauto is waaraan aanpassingen zijn gedaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat het voertuig van eiseres geen mobiele machine is. In de toelichting op de Regeling voertuigen staat namelijk dat zware bedrijfsauto’s relatief eenvoudig kunnen worden omgebouwd tot mobiele machine door aanpassing van assen, wielen en spatborden. Eiseres heeft gemotiveerd uiteengezet welke aanpassingen zij aan het basisvoertuig heeft gedaan. De RDW heeft niet gemotiveerd uiteengezet waarom die specifieke aanpassingen er niet toe hebben geleid dat het voertuig van eiseres als mobiele machine kan worden goedgekeurd. De RDW heeft, hoewel daarnaar tijdens de zitting is gevraagd, ook geen concrete objectieve criteria kunnen benoemen op basis waarvan een voertuig wel of niet als mobiele machine kan worden goedgekeurd.

7.7.

De RDW heeft in het verweerschrift gesteld dat het voertuig van eiseres niet kan worden aangemerkt als mobiele machine, omdat het voertuig een bedrijfsvoertuig is en valt onder de Verordening 2018/858 (toepassingsgebied: motorvoertuigen categrorieën M en N) en niet onder Richtlijn 2006/42/EG (vanaf 14 juni 2023 vervangen door Verordening 2023/1230, de machinerichtlijn). De RDW heeft echter niet gemotiveerd waarom het voertuig van eiseres niet onder de machinerichtlijn valt of waarom het voertuig juist wel onder Verordening 2018/858 valt. Naar het oordeel van de rechtbank kon de RDW niet volstaan met een enkele, ongemotiveerde verwijzing naar de Verordening 2018/858 (zoals is gebeurd in het verweerschrift), maar had zij een op het voertuig van eiseres toegespitste afweging moeten maken waarom dat voertuig óf wel een zware bedrijfsauto is, óf geen mobiele machine is. Daarbij had de RDW inhoudelijk moeten ingaan op de aanpassingen die eiseres aan het voertuig heeft gedaan en waarom die, zoals eiseres wel betoogt, niet volstaan om als mobiele machine te worden goedgekeurd. Dat heeft zij niet gedaan.

7.8.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verklaring overgelegd van de producent van haar basisvoertuig (Tatra) waarin staat dat het voertuig specifiek is ontwikkeld en geproduceerd voor off-road-gebruik. De RDW zegt daarover in het bestreden besluit: “Dat Tatra (...) heeft verklaard dat het voertuig geschikt zou zijn voor off-road inzet maakt ook niet dat daarmee sprake zou zijn van een mobiele machine. Immers is het voertuig nog altijd geschikt voor vervoer van goederen over de weg en is daarmee ook niet gezegd dat het voertuig gebruikt wordt voor werkzaamheden. Als deze redenering zou worden gevolgd dan zou iedere door Tatra geproduceerde zware bedrijfsauto als mobiele machine moeten worden aangemerkt, wat nu juist niet de bedoeling is van de regeling omtrent de mobiele machine.” De rechtbank kan deze redenering niet volgen. De redenering gaat om te beginnen uit van een verkeerde lezing van de verklaring van Tatra. Tatra heeft immers niet verklaard dat het voertuig geschikt is voor off-road-gebruik, maar heeft verklaard dat het voertuig specifiek is ontwikkeld en geproduceerd voor dat gebruik. Bovendien lijkt de redenering niet aan te knopen bij of in lijn te zijn met de definitie van een mobiele machine, die immers inhoudt dat het voertuig speciaal is ontworpen en gebouwd voor het uitvoeren van werkzaamheden en niet is bedoeld voor personen- of goederenvervoer over de weg. Dat het voertuig “nog altijd geschikt” zou zijn voor vervoer van goederen over de weg en dat “daarmee niet gezegd is dat het voertuig gebruikt wordt voor werkzaamheden”, betekent nog niet dat het voertuig niet als mobiele machine kan worden aangemerkt. Het gaat er immers om dat het voertuig speciaal ontworpen en gebouwd is voor het uitvoeren van werkzaamheden en Tatra verklaart dat dat het geval is. Bovendien heeft de RDW op de zitting gezegd dat het voertuig van eiseres momenteel niet voldoet aan de eisen van categorie N3 voertuigen, omdat het te breed is, en dat er daarom ook voor die categorie geen kenteken kan worden afgegeven. Dat standpunt strookt niet met de hierboven geciteerde passage uit het bestreden besluit, waarin immers staat dat het voertuig nog altijd geschikt is voor vervoer van goederen over de weg. De RDW heeft met deze passage in het bestreden besluit dus niet goed uitgelegd waarom de verklaring van Tatra geen onderbouwing vormt van het standpunt van eiseres dat haar voertuig een mobiele machine is.

7.9.

Eiseres heeft verder nog betoogd dat zij eerder wel een kenteken heeft gekregen voor mobiele machines die niet afwijken van het voertuig in deze zaak. Zij heeft daartoe foto’s overgelegd die dat standpunt zouden ondersteunen. De rechtbank kan niet met het blote oog vaststellen of sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank kan echter ook niet op basis van wat partijen hierover hebben aangevoerd (beiden wijzen op diverse technische specificaties die al dan niet met elkaar zouden overeenkomen) vaststellen of dat het geval is, aangezien de RDW zoals gezegd niet heeft toegelicht aan welke concrete objectieve criteria zij toetst bij beoordeling van de vraag of iets een mobiele machine is. Daarom kan de rechtbank ook niet beoordelen of het beroep op het gelijkheids- dan wel vertrouwensbeginsel, dat eiseres hiermee doet, slaagt. In elk geval volstaat wat de RDW in het verweerschrift heeft opgenomen, niet ter weerlegging van dit beroep. Daarin staat dat de RDW zal moeten onderzoeken of de eerder afgegeven kentekens wel terecht zijn verleend, en dat zij niet is gehouden eerder gemaakte fouten te herhalen. Dat laatste moge zo zijn, maar er staat nog allerminst vast dat er fouten zijn gemaakt, aangezien door de RDW zoals gezegd niet helder is gemaakt aan welke criteria er is getoetst.

7.10.

Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in de punten 7.6 tot en met 7.9 is het beroep van eiseres gegrond, omdat de RDW het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

7.11.

De rechtbank merkt ter voorlichting van partijen – en dus ten overvloede – op dat de toepasselijke regelgeving geen ruimte biedt voor een belangenafweging als een voertuig niet aan de eisen voldoet. In artikel 23, derde lid van de Wvw 1994 staat dat een voertuig een individuele goedkeuring krijgt als het voldoet aan de eisen uit de Regeling voertuigen, tenzij de RDW van oordeel is dat die goedkeuring zal leiden tot een ernstig gevaar voor de gezondheid, verkeersveiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar gezag. Dit betekent dat als een voertuig in principe goedkeuring verdient, hiervan kan worden afgezien als sprake is van ernstig gevaar in de zin van dat artikellid. In dit geval komt het voertuig van eiseres volgens de RDW echter niet in aanmerking voor goedkeuring. Dan is de RDW volgens artikel 23, derde lid van de Wvw 1994 niet gehouden (noch bevoegd) om het voertuig toch nog naast de lat van gevaar te leggen bij de beoordeling of het voertuig toch goedgekeurd moet worden (zoals de RDW wel heeft gedaan in het bestreden besluit).

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat betekent dat de RDW het bezwaar van eiseres ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Er is geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de goedkeuring van het voertuig van eiseres te nemen. De rechtbank heeft voor dat laatste niet de vereiste expertise. Het is nu aan de RDW om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen (zie met name de punten 7.6 tot en met 7.9). Ook draagt de rechtbank niet aan de RDW op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank in dit geval geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht dat de RDW een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de RDW hiervoor zes weken.

10. Omdat het beroep gegrond is, moet de RDW het griffierecht aan eiseres vergoeden en ook haar proceskosten vergoeden. De proceskosten van eiseres bedragen € 1.750,–, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde van € 875,– per punt en zaakzwaarte 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit van 11 maart 2024;

  • draagt de RDW op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat de RDW het griffierecht van € 371,– aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt de RDW tot betaling van € 1.750,– aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2024.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verordening (EU) 2018/858 van het Europees parlement en de raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG. Verordening (EU) 2023/1230 van het Europees parlement en de raad van 14 juni 2023 betreffende machines en tot intrekking van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 73/361/EEG van de Raad.