Bestuursprocesrecht
Woo, einduitspraak na 2e tussenuitspraak, zoekslag, nadere motivering, gebrek hersteld, archiefwet.
Rechtbank Oost-Brabant, 6 november 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:5258 · Rechtbank Oost-Brabant · 6 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2023-5258
Zaakgegevens
Op 6 november 2023 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 november 2023
- Datum publicatie
- 6 november 2023
- Zaaknummer
- 19/1180
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2023:5258
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Woo, einduitspraak na 2e tussenuitspraak, zoekslag, nadere motivering, gebrek hersteld, archiefwet.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/1180 einduitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de commissaris van de Koning in de provincie Noord-Brabant (de commissaris)
(gemachtigden: mr. J.A.M. van Heijningen en G.E.M. Koch).
Procesverloop
1. Voor het procesverloop in deze zaak verwijst de rechtbank naar wat onder het kopje “Procesverloop” van de tussenuitspraak van 8 februari 2023 is vermeld.
2. Met een brief van 8 maart 2023 en twee bijlagen heeft de gemachtigde van de commissaris een reactie op de tussenuitspraak gegeven.
3. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
4. Vervolgens heeft de griffier van de rechtbank met een brief de commissaris erop gewezen dat in de bij de brief van 8 maart 2023 gevoegde bijlagen gegevens zijn weggelakt.
5. Daarop heeft de commissaris de bijlagen zonder weglakkingen ingediend.
6. Hierop heeft eiser schriftelijk gereageerd.
7. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek per heden gesloten.
Overwegingen
Inleidende overwegingen
8. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraken van 4 augustus 2022 (eerste tussenuitspraak) en 8 februari 2023 (tweede tussenuitspraak). De rechtbank blijft bij al wat zij in deze tussenuitspraken heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
9. In de tweede tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen, kortgezegd, dat er aanwijzingen bestaan dat de commissaris de begeleidende e-mail van de gemeente Bergeijk bij een niet-geanonimiseerde uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2018 (begeleidende mail) naar de hoor- en adviescommissie (commissie) heeft gestuurd. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de commissaris alles wat redelijkerwijs mogelijk is heeft gedaan om het stuk te achterhalen en heeft hij aldus gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om het gebrek te herstellen, moet de commissaris onderzoeken of bij de commissie de begeleidende mail is te achterhalen.
Over de wijze waarop is geprobeerd het gebrek te herstellen
10. De commissaris heeft in reactie op het gebrek een brief van zijn gemachtigde van 8 maart 2023 met twee bijlagen overgelegd. De eerste bijlage betreft een brief van de coördinerend secretaris van de commissie van 27 februari 2023, waarin de naam van de desbetreffende coördinerend secretaris is weggelakt. De tweede bijlage betreft een memorandum van de commissaris van 1 maart 2023, waarin een e-mailadres van een medewerker van de commissaris is weggelakt.
11. Eiser voert aan dat de commissaris met de brief van diens gemachtigde van 8 maart 2023 geen besluit heeft genomen over het gebrek. Daarbij wijst eiser erop dat de commissaris met een besluit van 29 september 2022 ten aanzien van een eerder door de rechtbank geconstateerd gebrek wel een besluit heeft genomen. Daarmee is volgens eiser de commissaris zijn eigen toezegging, gedaan via zijn gemachtigde, niet nagekomen. Verder merkt eiser op dat de gemachtigde in de bijlagen namen heeft weggelakt. Ook om die reden is de brief van 8 maart 2023 geen besluit. Omdat deze brief niet valide is, moet de brief terzijde worden geschoven, aldus eiser.
12. De commissaris heeft vervolgens de twee bijlagen zonder weglakkingen ingediend.
13. In reactie hierop voert eiser aan dat deze bijlagen geen enkel identificerend kenmerk hebben en dat het er dus op lijkt dat deze documenten buiten de provinciale administratie zijn gehouden. Verder moeten volgens eiser de brief van 8 maart 2023 en daarmee ook de twee bijlagen terzijde worden geschoven, omdat, zoals eiser al heeft aangegeven, de brief geen besluit is van de commissaris.
14. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 24 van de tweede tussenuitspraak bepaald dat het hier aan de orde zijnde gebrek kan worden hersteld hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De commissaris heeft dus kunnen kiezen op welke manier hij dit gebrek wenst te herstellen. Aan deze keuzemogelijkheid doet (dus) niet af dat de commissaris de in de eerste tussenuitspraak vastgestelde gebreken heeft hersteld met een besluit. De rechtbank stelt vast dat de commissaris met de brief van diens gemachtigde van 8 maart 2023 en de twee bijlagen ervoor heeft gekozen het gebrek te herstellen met een aanvullende motivering. De rechtbank ziet dus geen reden om de brief en bijlagen buiten beschouwing te laten. In wat eiser ook overigens stelt (zoals hiervoor geschetst onder 13) ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel.
De herstelpoging inhoudelijk bezien
15. De rechtbank stelt vast dat de commissaris in de brief van 8 maart 2023 heeft toegelicht dat hij de commissie heeft verzocht de begeleidende e-mail op te zoeken en dat de secretaris van de commissie deze zoekslag heeft verricht. Uit de hiervoor genoemde brief van 27 februari 2023 blijkt dat is gezocht en ook wat de uitkomst van die zoekslag is, aldus de commissaris. In die brief van 27 februari 2023 rapporteert de secretaris van de commissie onder meer:
"Naar aanleiding van dit verzoek heb ik onderzoek gedaan naar de gang van zaken rondom dit dossier. Hierbij laat ik u weten dat de stukken – overeenkomstig de toen gebruikelijke werkwijze – in viervoud fysiek aan het secretariaat van de HAC zijn overhandigd. Het digitaal (per interne mail) aanleveren van procesdossiers was op dat moment niet gebruikelijk, pas sinds de corona-periode is dit de toegestane en gebruikelijke werkwijze.
Een drietal van de fysieke dossiers (de commissie-exemplaren) zijn, zoals destijds te doen gebruikelijk, na de behandeling van het bezwaar vernietigd. Het andere exemplaar is weer overhandigd aan de behandelend ambtenaar van de commissaris. Daarnaast is het dossier
gedigitaliseerd opgenomen in het provinciale archiefsysteem Corsa. Het dossier is daar geregistreerd onder stuknummer [nummer] .
Dit digitale dossier bevat geen begeleidende e-mail zoals bedoeld in uw tussenuitspraak. De begeleidende e-mail maakte dan ook geen deel uit van het aangeleverde fysieke dossier."
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de commissaris hiermee aannemelijk gemaakt dat hij heeft onderzocht of bij de commissie de begeleidende e-mail is te achterhalen. Ook heeft de commissaris hiermee aannemelijk gemaakt dat die e-mail niet onder de commissie (heeft) berust. Dat wat eiser hiertegenover stelt, leidt niet tot een ander oordeel. Dat legt de rechtbank hierna uit.
17. Eiser voert met zoveel woorden aan dat de begeleidende e-mail wel onder de commissie (heeft) berust. Daarbij wijst eiser erop dat in het verslag van de commissie over de hoorzitting van 21 januari 2019 staat: “Dat er contact is geweest, zou kunnen worden afgeleid uit het procesverbaal van de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2018”. Volgens eiser kon de commissie nooit op basis van dat proces-verbaal constateren dat er contact is geweest tussen de commissaris en een medewerker van de gemeente Bergeijk. Dat kan alleen maar indien de begeleidende e-mail bij het proces-verbaal is gevoegd, aldus eiser.
18. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De rechtbank leidt uit het genoemde verslag van de commissie af dat het contact verband houdt met de doorzending van een brief van eiser en zijn echtgenote van 22 maart 2018. Over die brief heeft deze rechtbank in het genoemde proces-verbaal van de uitspraak het volgende overwogen:
"3. Het college heeft bij e-mailbericht van 19 maart 2018 aan de echtgenote van eiser gevraagd of de brief van 7 maart 2018 doorgestuurd kan worden aan de commissie bezwaarschriften. Op die e-mail hebben eiser en zijn echtgenote niet gereageerd richting het college. Wel hebben zij in een brief van 22 maart 2018 aan de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Brabant (de commissaris) aangegeven het er niet mee eens te zijn dat hun brief van 7 maart 2018 door het college als bezwaarschrift wordt behandeld. De commissaris heeft vervolgens (een kopie van) deze brief aan het college doorgezonden. "
Aan die overweging kon de commissie het vermoeden ontlenen dat over de doorzending van de brief van 22 maart 2018 contact is geweest. Anders dan eiser kennelijk meent, betreft dat contact niet het genoemde proces-verbaal van de uitspraak. Eiser haalt dus twee zaken door elkaar. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de begeleidende e-mail toch onder de commissie (heeft) berust.
19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de commissaris het gebrek heeft hersteld. De rechtbank acht het alsnog aannemelijk dat de commissaris alles wat redelijkerwijs mogelijk is heeft gedaan om de begeleidende e-mail te achterhalen.
“Per mail”/Document C150
20. Verder voert eiser aan dat in deze zaak slechts bij één document “Per mail” is aangegeven en dat dat betekent dat de begeleidende e-mail in het dossier aanwezig moet zijn (geweest). De commissaris heeft dat volgens eiser ook nooit tegengesproken. Eiser wijst er in dat verband op dat de rechtbank weigert de commissaris op te dragen document C 150 aan eiser te verstrekken.
21. De rechtbank heeft echter al vastgesteld dat de commissaris de begeleidende e-mail heeft ontvangen, maar dat die e-mail uit de mailbox van de medewerker van de commissaris is verwijderd (zie rechtsoverwegingen 13 en 14 van de tweede tussenuitspraak). En, zoals hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de begeleidende e-mail niet onder de commissie (heeft) berust. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser zijn beroepsgrond herhaalt dat de rechtbank tot op heden, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek, heeft geweigerd de commissaris op te dragen document C 150 aan hem te verstrekken. Daarover heeft de rechtbank al in rechtsoverweging 17 van de tweede tussenuitspraak een oordeel gegeven.
Verzoeken
22. Eiser voert aan dat de rechtbank ten onrechte een groot aantal verzoeken terzijde heeft geschoven. Daarbij wijst eiser erop dat de rechtbank de kwestie over de begeleidende e-mail wel heeft beoordeeld en de rechtbank daardoor zichzelf tegenspreekt.
23. De rechtbank stelt vast dat eiser hiermee een beroepsgrond herhaalt waarover de rechtbank al in rechtsoverweging 21 van de tweede tussenuitspraak een oordeel heeft gegeven. Verder wijst de rechtbank erop dat zij in rechtsoverweging 47 van de eerste tussenuitspraak heeft uitgelegd waarom zij de kwestie over de begeleidende e-mail bij de beoordeling van dit beroep heeft betrokken.
Archiefwet
24. Eiser voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2477, aan dat hij in zijn brief van 18 oktober 2022 heeft aangegeven dat de commissaris de Archiefwet overtreedt. De rechtbank weigert dat te beoordelen, aldus eiser. Ook voert eiser aan dat ook de commissie de Archiefwet heeft overtreden, omdat de begeleidende e-mail niet in het digitale dossier zit.
25. De rechtbank is in de tweede tussenuitspraak niet expliciet ingegaan op het argument van eiser dat de commissaris de Archiefwet heeft overtreden. Dat zal zij nu wel doen.
26. Vast is komen te staan dat de commissaris de begeleidende e-mail niet heeft bewaard (zie rechtsoverweging 13 en 14 van de tweede tussenuitspraak). Het niet bewaren van digitale tekstberichten, waaronder een e-mail in een e-mailbox, hoeft echter niet in strijd te zijn met de Archiefwet (zie de genoemde uitspraak van 21 oktober 2020 en de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2689). Dat dat in dit geval wel zo is, heeft eiser niet geconcretiseerd of onderbouwd. Bovendien betekent de gestelde schending van de Archiefwet nog niet dat daarmee aannemelijk is geworden dat de commissaris onvoldoende naar de begeleidende e-mail heeft gezocht en/of dat hij dat document onder zich heeft en – voor eiser – achterhoudt (zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3708, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8482). Zoals hiervoor is geoordeeld, gaat de rechtbank er juist van uit dat de commissaris (inmiddels) alles wat redelijkerwijs mogelijk is heeft gedaan om het document te achterhalen.
Advies en besluit niet valide?
27. Eiser voert aan dat hij in zijn reactie van 18 oktober 2022 duidelijk heeft aangegeven dat het advies van de commissie en het besluit op bezwaar van de commissaris niet valide zijn. De rechtbank weigert op dat argument in te gaan.
28. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 19 van de tweede tussenuitspraak een oordeel gegeven over de beroepsgrond dat de rechtbank de commissaris niet ertoe heeft verplicht om de vragen a tot en met f uit onderdeel VIII, zoals vermeld in eisers brief van 26 maart 2020, schriftelijk te beantwoorden. Eiser heeft die beroepsgrond in zijn reactie van 18 oktober 2022 naar voren gebracht. Omdat eiser in die reactie aan die beroepsgrond de conclusie heeft verbonden dat het advies van de commissie en het besluit op bezwaar van de commissaris niet valide zijn, ligt in rechtsoverweging 19 van de tweede tussenuitspraak het oordeel besloten dat de rechtbank die conclusie niet deelt.
Informeren wrakingskamer
29. Eiser voert aan dat de rechtbank weigert de wrakingskamer te informeren waarom zij een groot aantal onderwerpen, die eiser heeft geëxpliciteerd in zijn beroepsgronden, buiten behandeling laat. De rechtbank heeft kennelijk niet begrepen waar het bij dit onderwerp over gaat, namelijk haar weigering om alle door eiser ingediende verzoeken te behandelen.
30. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond erop neerkomt dat eiser het niet eens is met het oordeel dat de rechtbank in rechtsoverweging 24 van de tweede tussenuitspraak heeft gegeven. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank echter geen aanleiding om van haar oordeel terug te komen.
Conclusies, griffierechten en proceskosten
31. Gelet op de in de tussenuitspraken geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij:
- de openbaarmaking van de e-mailwisseling van 26 maart 2018, in het bijzonder de verzonden versie van de e-mail van 12.02 uur, is afgewezen (rechtsoverweging 34 van de eerste tussenuitspraak);
- de openbaarmaking van de zienswijzen van [naam] en de burgemeester is afgewezen (rechtsoverweging 37 van de eerste tussenuitspraak);
- de openbaarmaking van de begeleidende e-mail is afgewezen (rechtsoverweging 47 van de eerste tussenuitspraak);
- de commissaris het standpunt inneemt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk is heeft gedaan om de begeleidende e-mail te achterhalen (rechtsoverweging 15 van de tweede tussenuitspraak).
32. Omdat de commissaris de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand.
33. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de commissaris aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
34. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De commissaris moet die vergoeding betalen. Eiser heeft voor het bijwonen van de zittingen op 28 januari 2021 en 22 maart 2022 reis- en verletkosten gemaakt. Het totaal aan gemaakte reiskosten wordt vastgesteld op een bedrag van
€ 46,36 (reiskosten openbaar vervoer 2e klas). Anders dan eiser heeft verzocht, is er geen aanleiding een kilometervergoeding toe te kennen, omdat de reis tussen Riethoven en ‘sHertogenbosch met het openbaar vervoer kan worden afgelegd. Het totaal aan gemaakte verletkosten wordt vastgesteld op een bedrag van € 784,–. Hierbij is de rechtbank uitgegaan van vier uur per zitting. Verder heeft zij op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een uurtarief van € 98,– gehanteerd, omdat eiser met stukken zijn verletkosten per uur heeft onderbouwd.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij (i) de openbaarmaking van de e-mailwisseling van 26 maart 2018, in het bijzonder de verzonden versie van de e-mail van 12.02 uur, is afgewezen, (ii) de openbaarmaking van de zienswijzen van [naam] en de burgemeester is afgewezen, (iii) de openbaarmaking van de begeleidende e-mail is afgewezen en (iv) de commissaris het standpunt inneemt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk is heeft gedaan om de begeleidende e-mail te achterhalen;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt de commissaris op het betaalde griffierecht van € 174,– aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de commissaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 830,36.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzitter, en
mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. B. Assink, leden, in aanwezigheid van mr. B.C.T. Rabou-Coort, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2023.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.