Bestuursprocesrecht
Verzoekster heeft beroep en een verzoek om een voorlopige voorzieningen ingediend tegen een beslissing…
Rechtbank Oost-Brabant, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:4306 · Rechtbank Oost-Brabant · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbobr-2026-4306
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 26/920 en 26/921
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4306
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoekster heeft beroep en een verzoek om een voorlopige voorzieningen ingediend tegen een beslissing waarbij het bestuursorgaan op grond van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb haar in de gelegenheid stelt de aanvragen binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Dit is een besluit in de zin van artikel 6:3 van de Awb. Tegen zo’n beslissing over de procedure ter voorbereiding van een besluit op de aanvragen van verzoekster staat geen bezwaar en beroep open. Verzoekster wordt met dit besluit namelijk niet rechtstreeks in haar belangen getroffen. De omstandigheden die verzoekster nu aanvoert kan zij aan de orde stellen in een procedure over het besluit op haar aanvragen. Dit betekent dat het beroep van verzoekster tegen een dergelijk besluit niet-ontvankelijk is. Omdat daardoor geen beroep meer aanhangig is, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/920 en SHE 26/921
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter
van 11 juni 2026 op het beroep (SHE 26/921) en het verzoek om voorlopige voorzieningen (SHE 26/920) in de zaken tussen
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S.E. de Vries-van der Veldt),
en
de korpschef van politie, de korpschef
(gemachtigden: mr. P.M.L. van der Schot en mr. I.M. Haagmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorzieningen van verzoekster naar aanleiding van de brief van de korpschef van
13 februari 2026 waarin de behandeling van de aanvragen van verzoekster wordt opgeschort. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het door verzoekster ingediende beroep naar aanleiding van de brief
van 13 februari 2026. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft aanvullende gronden ingediend, waarna de korpschef een aanvullend verweerschrift heeft ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de korpschef.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Die bijlage maakt onderdeel uit van dit proces-verbaal.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster heeft op 29 september 2025 bij de korpschef aanvragen ingediend om bijschrijving van een aantal beheerders en het toevoegen van locaties op haar erkenning van wapenmakelaardij. Bij brief van 13 februari 2026 heeft de korpschef aan verzoekster medegedeeld dat er een betrouwbaarheidsonderzoek dient plaats te vinden en dat zij een verklaring van betrouwbaarheid moet overleggen omdat een van haar bestuurders woonachtig is in het buitenland. Verder schrijft de korpschef in de brief dat de aanvraag van verzoekster niet kan worden afgerond en dat de behandeling van de aanvraag wordt opgeschort tot dat de gevraagde bescheiden zijn ontvangen.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een beslissing, zoals in de brief van
13 februari 2026, waarbij een bestuursorgaan op grond van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb de aanvrager in de gelegenheid stelt een aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen, een besluit is. Zij leidt immers tot een (nieuwe) verplichting voor de aanvrager, die berust op het standpunt van het bestuursorgaan dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om tot een – zorgvuldig voorbereid en deugdelijk onderbouwd – besluit op de aanvraag te komen.
4. De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat de brief van
13 februari 2026 een besluit is als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Het is immers een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit van de korpschef op de aanvragen van verzoekster. Verzoekster wordt door deze beslissing, los van het te nemen besluit, echter niet rechtstreeks in haar belang getroffen. Het in de brief vervatte besluit kan immers in het kader van bezwaar en beroep tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag – ten volle – worden aangevochten. De omstandigheid dat een besluit tot gevolg heeft dat de beslistermijn wordt opgeschort, leidt evenmin tot het oordeel dat verzoekster daardoor in haar belang wordt getroffen. In het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag kan immers ook (vertragings-)schade worden gevorderd. De stelling van verzoekster dat de opschorting geen wettelijke grondslag heeft en in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur doordat verzoekster haar bedrijfsactiviteiten niet kan uitvoeren en schade lijdt, maakt evenmin dat verzoekster rechtstreeks in haar belangen wordt getroffen. Verzoekster kan dit aan de orde stellen in een procedure over het besluit op de aanvragen.
5. Omdat de brief van 13 februari 2026 een besluit in de zin van artikel 6:3 van de Awb is, is het niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Dit betekent dat het door verzoekster ingestelde beroep tegen (de inhoud van) deze brief niet-ontvankelijk is.
6. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan een voorlopige voorziening alleen worden verzocht als er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu daarvan geen sprake is, wijst de rechtbank de gevraagde voorlopige voorzieningen af.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorzieningen af.
9. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten van verzoekster. Zij krijgt geen vergoeding van de betaalde griffierechten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026 door mr. L.M.H. Nelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, luidt als volgt:
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
(…)
c.de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, luidt als volgt:
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a.de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
(…).
Artikel 6:3 luidt als volgt:
Een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.
Artikel 8:86, eerste lid, luidt als volgt:
1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.