Civiel recht overig
Deze zaak gaat over de vraag of tussen [eiser] en [gedaagden] een overeenkomst tot stand is gekomen. [Eiser]…
Rechtbank Oost-Brabant, 1 oktober 2020
ECLI:NL:RBOBR:2020:4536 · Rechtbank Oost-Brabant · 1 oktober 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbobr-2020-4536
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2020 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2020
- Datum publicatie
- 22 september 2020
- Zaaknummer
- 8156307
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2020:4536
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze zaak gaat over de vraag of tussen [eiser] en [gedaagden] een overeenkomst tot stand is gekomen. [Eiser] vindt dat dat wel het geval is, [gedaagden] vinden dat dat niet het geval is. De kantonrechter komt aan het slot van deze uitspraak tot het oordeel dat er een overeenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagden] de factuur die [eiser] in verband daarmee aan hen heeft gezonden, moeten betalen. Ook de bijkomende kosten moeten zij betalen. De redenen daarvoor zijn in punt 5 van deze uitspraak weergegeven. Eerst worden in punt 3 van de uitspraak een aantal feiten waarover partijen het eens zijn, vermeld. Daarna wordt in punt 4 uiteengezet wat de precieze vordering van [eiser] is, wat hij aan die vordering ten grondslag heeft gelegd, en wat [gedaagden] daartegen hebben aangevoerd. De uiteindelijke beslissing is vermeld in punt 6 van deze uitspraak.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingslocatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 8156307 \ CV EXPL 19-7760
Uitspraakdatum: 1 oktober 2020
vonnis
in de zaak van:
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonende in [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde W.A.H. Sieperda,
tegen
1 de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] vennoot van gedaagde 1),
3. [gedaagde 3] vennoot van gedaagde 1),
gedaagden,
procederend bij monde van gedaagde 2.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd.
1 De procedure
De procedure is als volgt verlopen.
-
[eiser] heeft een dagvaarding uitgebracht, waarop [gedaagden] schriftelijk hebben geantwoord.
-
Op 6 februari 2020 is een tussenvonnis uitgesproken. Daarin is bepaald dat de zaak op een zitting mondeling behandeld zou worden. Die mondelinge behandeling heeft in verband met de coronacrisis geen doorgang kunnen vinden.
-
De zaak is vervolgens schriftelijk voortgezet. [eiser] heeft een conclusie van repliek ingediend en [gedaagden] hebben daarop gereageerd met een conclusie van dupliek.
-
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2 Inleiding en korte samenvatting
Deze zaak gaat over de vraag of tussen [eiser] en [gedaagden] een overeenkomst tot stand is gekomen. [eiser] vindt dat dat wel het geval is, [gedaagden] vinden dat dat niet het geval is. De kantonrechter komt aan het slot van deze uitspraak tot het oordeel dat er een overeenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagden] de factuur die [eiser] in verband daarmee aan hen heeft gezonden, moeten betalen. Ook de bijkomende kosten moeten zij betalen. De redenen daarvoor zijn in punt 5 van deze uitspraak weergegeven. Eerst worden in punt 3 van de uitspraak een aantal feiten waarover partijen het eens zijn, vermeld. Daarna wordt in punt 4 uiteengezet wat de precieze vordering van [eiser] is, wat hij aan die vordering ten grondslag heeft gelegd, en wat [gedaagden] daartegen hebben aangevoerd. De uiteindelijke beslissing is vermeld in punt 6 van deze uitspraak.
3 Enkele vaststaande feiten
[eiser] is zelfstandig adviseur en projectbegeleider op organisatorisch, juridisch en commercieel vlak. Hij ondersteunt uitvinders in het traject naar verkoop of licentie van hun ontwerpen, ideeën en uitvindingen.
[gedaagde 1] (gedaagde 1) is een vennootschap onder firma die wordt gedreven door [gedaagde 2] (gedaagde 2) en gedaagde 3. Het contact dat partijen hebben gehad, heeft steeds plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde 2] en ging over een uitvinding van [gedaagden] : de “Invisio afscheidsmodule”. Dit is een milieuvriendelijke doodskist (door [gedaagden] ‘afscheidskist’ genoemd), die bestaat uit een binnenkist en een daarover te plaatsen, herbruikbare en personaliseerbare mantel. De binnenkist wordt door de nabestaanden gekocht, de mantel wordt een aantal dagen gehuurd.
In augustus 2016 heeft [gedaagde 2] via e-mail contact opgenomen met [eiser] . In die e-mail stond het volgende:
“Een volkomen nieuw product tbv. de uitvaartbranche werd door ons volledig uitontwikkeld. Nu zoeken we partner(s) of willen licentie in binnen- en buitenland vestigen”
Op 6 september 2016 heeft [eiser] inhoudelijk gereageerd op deze e-mail door middel van het stellen van een aantal vragen. Die vragen heeft [gedaagde 2] de volgende dag via e-mail beantwoord. In zijn reactie daarop van 16 september 2016 heeft [eiser] voorgesteld om elkaar op 21 september 2016 te ontmoeten en een bespreking te houden. Die bespreking heeft ook plaatsgevonden.
In de periode tussen eind september 2016 en 21 februari 2017 hebben [eiser] en [gedaagde 2] veelvuldig met elkaar via e-mail gecorrespondeerd. In één van de laatste e-mails uit die periode, verzonden op 16 februari 2017 door [gedaagde 2] aan [eiser] , is vermeld:
“(...) Ik denk dat wij, ondanks jouw goede bedoelingen, op deze wijze niet verder komen en verzanden in punten en komma’s, waarmee ik geen “brood op de plank krijg.”
Daarom stel ik voor om nu te stoppen met onze samenwerking.
Vriendelijke groet, [gedaagde 2] ”
Op de verdere inhoud van de tussen september 2016 en februari 2017 tussen partijen gewisselde e-mails komt de kantonrechter later in deze uitspraak terug.
Op 25 april 2017 heeft [eiser] een factuur ten bedrage van € 2.178,– (inclusief btw) aan [gedaagden] gestuurd. In de factuur is vermeld dat deze is verzonden wegens 20 uur (€ 90,– per uur exclusief btw) verrichte dienstverlening bij ondersteuning van het IE-traject en ondernemingsplan in de periode september 2016 tot en met februari 2017.
[gedaagden] hebben de factuur niet betaald.
4 De vordering en het verweer
[eiser] vordert dat [gedaagden] hoofdelijk worden veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 3.017,46, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 2.178,– vanaf 1 november 2019 tot aan de dag van betaling. [eiser] vordert ook dat [gedaagden] in de proceskosten worden veroordeeld. Verder vordert [eiser] dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard (zodat het vonnis kan worden uitgevoerd, ook als [gedaagden] er hoger beroep tegen instellen).
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Hij heeft een gemengde overeenkomst van opdracht en bemiddeling met [gedaagden] gesloten. Op grond van die overeenkomst zou [eiser] werkzaamheden voor [gedaagden] verrichten. Die werkzaamheden bestonden uit het adviseren over IE (intellectuele eigendom)-beschermingsmogelijkheden en licentiemogelijkheden voor de Invisio afscheidsmodule, het zoeken naar een investeerder en in het kader daarvan reviseren van het ondernemingsplan dat [gedaagden] hadden opgesteld. [eiser] heeft de afgesproken werkzaamheden uitgevoerd. Met [gedaagden] was [eiser] voor zijn werkzaamheden een uurtarief van € 90,– overeengekomen. Ook als niet vast komt te staan dat dit tarief is afgesproken, zijn [gedaagden] een redelijk loon aan [eiser] verschuldigd (artikel 7:405 lid 2 BW). Ondanks verschillende betalingsherinneringen hebben [gedaagden] de factuur die [eiser] aan hen heeft verstuurd, niet voldaan. Als gevolg daarvan heeft [eiser] buitengerechtelijke incassokosten moeten maken ter hoogte van € 387,95. De vanaf 25 mei 2017 (30 dagen na factuurdatum) tot 31 oktober 2019 vervallen wettelijke handelsrente bedraagt € 451,51.
[gedaagden] hebben het volgende verweer gevoerd. Er is geen schriftelijke of mondelinge overeenkomst tot stand gekomen. Toen [gedaagden] zich gingen oriënteren op de adviseursmarkt, heeft [gedaagde 2] [eiser] naar aanleiding van een advertentie benaderd. De werkzaamheden die [eiser] vervolgens heeft verricht, heeft hij op eigen initiatief uitgevoerd terwijl er geen overeenstemming over het uurtarief bestond en geen opdracht door [gedaagden] was verstrekt. [gedaagde 2] vond dat [eiser] bemoeizuchtig was en steeds maar op details in het ondernemingsplan bleef terugkomen, terwijl er geen investeerder werd aangezocht. Omdat de financiële druk bij [gedaagden] hoog was en een investeerder hard nodig was, hebben [gedaagden] afscheid genomen van [eiser] . Tot verbazing van [gedaagden] stuurde [eiser] vervolgens een factuur.
Op wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, wordt hierna voor zover nodig in de beoordeling ingegaan.
5 De beoordeling
Hoe komt een overeenkomst tot stand?
Bij beantwoording van de vraag of tussen [eiser] en [gedaagden] een overeenkomst tot stand is gekomen, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Aanbod en aanvaarding zijn wilsverklaringen. Die wilsverklaringen kunnen in elke vorm worden gedaan en ze kunnen ook in een of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 BW). Of sprake is van aanbod en aanvaarding, hangt af van wat partijen over en weer hebben verklaard. Het hangt ook af van wat ze uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid mochten afleiden en van wat ze in redelijkheid van elkaar mochten verwachten (artikelen 3:33 en 3:35 BW). Expliciete afspraken zijn dus niet altijd nodig om van een overeenkomst te kunnen spreken. De totstandkoming van een overeenkomst kan ook voortvloeien uit een of meer feitelijke gedragingen, zoals een doen of nalaten.
Hoe is dat in deze zaak gegaan?
Tegen die achtergrond overweegt de kantonrechter over de verklaringen en gedragingen van [eiser] en [gedaagden] als volgt.
Het contact tussen partijen is zoals gezegd begonnen toen [gedaagde 2] [eiser] in augustus 2016 benaderde. Op 21 september 2016 heeft vervolgens een ontmoeting plaatsgevonden. Vanaf dat moment is [eiser] – zo valt af te leiden uit de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde e-mailcorrespondentie – begonnen met de werkzaamheden voor [gedaagden] , die in de maanden september en oktober 2016 bestonden uit het onderzoeken van de IE-beschermingsmogelijkheden en het daartoe leggen van contact met de octrooigemachtigde van [eiser] ( [naam octrooigemachtigde] ). Het contact met [naam octrooigemachtigde] is gelegd op verzoek van [gedaagde 2] , zo blijkt uit een e-mail die [gedaagde 2] op 21 september 2016 aan [naam octrooigemachtigde] heeft gestuurd en waarin is vermeld:
“Met de doelstelling om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het door ons ontwikkelde concept te vermarkten, in licentie te geven, financiering te verwerven of anderszins, sprak ik vanmorgen met [eiser] (ondersteuning van uitvinders & innovatie). Om duidelijkheid te verkrijgen wat er precies gepatenteerd is heb ik [eiser] gevraagd om contact met jou op te nemen hierover. Aan jou hierbij het verzoek om hieraan jouw medewerking te verlenen binnen de mogelijkheden die jij hiervoor hebt . ” [onderstreping kantonrechter]
In de maanden september en oktober 2016 heeft [eiser] vervolgens verschillende keren gecorrespondeerd met [naam octrooigemachtigde] en [gedaagde 2] om – zoals [eiser] in een mail van 7 oktober 2016 heeft geschreven – duidelijkheid te verkrijgen over de beschermingsomvang van het octrooi. Op 6 oktober 2016 heeft [gedaagde 2] [eiser] via e-mail gevraagd hem te informeren wat de status van [eiser] ’ acties was. Op 14 oktober 2016 heeft [eiser] een uitgebreide terugkoppeling aan [gedaagde 2] gemaild over zijn bevindingen ten aanzien van de IE-beschermingsmogelijkheden, die volgens hem erg beperkt waren. Op 27 oktober 2016 heeft [gedaagde 2] een e-mail die hij van [naam octrooigemachtigde] over de kwestie kreeg, aan [eiser] doorgemaild. Op 11 november 2016 heeft [eiser] opnieuw een uitgebreide e-mail gestuurd aan [gedaagde 2] waarin hij onder meer heeft herhaald niet optimistisch te zijn over de kracht van de octrooibescherming, en waarin hij heeft geadviseerd om wel modelregistratie aan te vragen. In die e-mail is vervolgens opgenomen:
“Ik zou het volgende kunnen betekenen:
1. Intellectueel eigendom; grenzen bescherming scherp krijgen; meedenken bij strategie en uitvoering met jou en deskundigen (octrooi, model, merk).
ca. 1-3 dagen (...)
2. Marktoriëntatie: in kaart brengen van spelers en daarmee van potentiële afnemers en licentienemers; regio nader te bepalen, bijv. EU of VS
ca. 1,5 tot 4 dagen (...)
3. Marktbenadering: benadering van partijen, nadat in overleg de strategie is vastgesteld.
(PM tijd)
4. Investeringsmogelijkheden inventariseren en mogelijke benadering investeerders, bijv. via lnvestormatch.
ca. 1- 2 dag
Daarbij ga ik voor de effectieve aanpak en niet voor de rapporten. Natuurlijk deel ik steeds mijn bevindingen onderweg en neem ik geen vervolgstappen zonder overleg. In december heb ik voldoende tijd voor punt 2 en 1 voor zover nodig; punten 3 en 4 kunnen dan opgestart. Als vergoeding stel ik voor: € 90,- / uur plus een succes fee (in overleg te bepalen).
Als je je in deze outline kunt vinden, dan stel ik voor dat we in week 47 (vanaf 21 november) de invulling verder bespreken. ” [onderstreping kantonrechter]
Op 25 november 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] via e-mail gevraagd, onder verwijzing naar zijn e-mail van 11 november 2016: “Hoe denk je over onderstaande outline?” Daarop heeft [gedaagde 2] op diezelfde dag gereageerd:
“(...)Rede om, in reactie op jouw voorstellen 1 t/m 4 als volgt te reageren:
1. [naam octrooigemachtigde] komt volgende week hier kijken en praten. Ik ga er vanuit dat hij zijn punten aanscherpt en zijn zaken op orde brengt / heeft. Ik stel het op prijs als jij kans ziet zijn informatie door te lezen.
2. Zoals hierboven aangegeven zijn we nu op de juiste weg en gaan we daar, volgens mijn inschatting, beslist mee scoren. Oriëntatie op het buitenland is wenselijk, maar daar zouden we eerst van gedachten over moeten wisselen in hoeverre e.e.a haalbaar en betaalbaar is.
3. (...)
4. Het zoeken van een investeerder was mijn drijfveer om contact met jou te zoeken. Vanwege de urgentie blijft vooralsnog hiernaar mijn voorkeur uit gaan. Het spreekt voor zich dat jouw maximaal 2 dagen werk hiervoor betaald wordt, maar daarvoor wil ik natuurlijk wel resultaten zien. ” [onderstreping kantonrechter]
Op 2 december 2016 heeft [gedaagde 2] [eiser] opnieuw gemaild:
“Kun jij aangeven wat de status is van mijn dossier? We krijgen haast. Ik voeg de mail van Novopatent hierbij. Graag hoor ik op korte termijn van jou.”
Op diezelfde dag heeft [eiser] via e-mail gereageerd. In die e-mail heeft [eiser] onder meer geschreven:
“Ik zou de komende weken het volgende kunnen doen:
1. Intellectueel eigendom; meelezen en -denken. D.w.z. in detail de octrooistukken bekijken. ca. 5 tot 8 uur (...)
2. Investeerders. (...)
Een investeerder zal altijd een goed onderbouwd ondernemingsplan willen zien. Bestaat dat?
Ik kan namens jou twee clubs benaderen:
a. (...)
b. lnvestormatch is een grote club; Zie: (...)
Ik zou met lnvestormatch kunnen beginnen; ondernemingsplan kritisch bekijken en contact opnemen (2 tot 4 uur)
Er is geen garantie te geven over de uitkomsten. ” [onderstreping kantonrechter]
Op 19 december 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] gemaild dat hij geen reactie heeft ontvangen op zijn e-mail van 2 december 2016, en dat hij, als [gedaagde 2] dat wil, een start kan maken met de in die e-mail genoemde punten 1 en 2. Verder heeft hij in die e-mail vermeld dat voor financiering een geactualiseerd ondernemingsplan nodig is en heeft hij opnieuw gevraagd of dat plan er is.
In reactie daarop heeft heeft [gedaagde 2] op 21 december 2016 zijn ondernemingsplan aan [eiser] gemaild. De volgende dag heeft hij nog een aanvulling op dat plan gemaild.
Het vervolg van de tussen partijen gevoerde correspondentie – een groot aantal e-mails in de periode tussen eind december 2016 en half februari 2017 – gaat in hoofdzaak over de inhoud van het ondernemingsplan. De kantonrechter zal hier niet alle details van die correspondentie herhalen; waar het op neerkomt is dat het ondernemingsplan door [eiser] kritisch is bekeken en voorzien van vele tientallen opmerkingen, suggesties en verbeteringen, als gevolg waarvan verschillende versies van het plan tussen [gedaagde 2] en [eiser] heen en weer zijn gegaan. Daarbij heeft [eiser] steeds benadrukt (zie bijvoorbeeld zijn e-mails van 23 december 2016 en 31 januari 2017) dat een gedegen ondernemingsplan een voorwaarde was voor het benaderen van investeerders. Op een bepaald moment heeft [gedaagde 2] aan [eiser] gemaild (31 januari 2017) dat hij zich net een leerling voelt die teruggestuurd wordt met zijn scriptie, dat hij het allemaal te theoretisch en te lang vindt duren en dat er geld verdiend moet worden. Toen vervolgens de derde versie van het ondernemingsplan die [gedaagde 2] daarna aan [eiser] zond, opnieuw volgens [eiser] niet voldeed, heeft [eiser] voorgesteld om het ondernemingsplan door een externe partij te laten schrijven, dan wel zelf het ondernemingsplan te schrijven tegen betaling. Vervolgens heeft [gedaagde 2] de e-mail van 16 februari 2017 gestuurd (geciteerd in punt 3.4 van deze uitspraak) waarin hij voorstelt met de samenwerking te stoppen.
[eiser] heeft daarop bij e-mail van 21 februari 2017 geantwoord met de mededeling dat hij de samenwerking graag wil voortzetten, maar daarop heeft [gedaagde 2] niet meer gereageerd.
Is daarmee een overeenkomst tot stand gekomen?
Deze hiervoor geschetste verklaringen en gedragingen laten geen andere duiding toe dan dat [eiser] en [gedaagden] feitelijk uitvoering zijn gaan geven aan een gemengde overeenkomst van opdracht en bemiddeling, die ertoe strekte [gedaagden] te adviseren over IE-beschermingsmogelijkheden en tot het totstandbrengen van een overeenkomst tussen [gedaagden] en een investeerder.
[gedaagde 2] heeft contact opgenomen met [eiser] , heeft naar aanleiding van de bespreking op 21 september 2016 aan [eiser] opdracht gegeven om contact te leggen met [naam octrooigemachtigde] en heeft verschillende keren aan [eiser] gevraagd om hem te informeren over de status van zijn dossier, erop aandringend dat hij haast had. Toen [eiser] hem via e-mail zijn uurtarief van € 90,– per uur voorlegde, heeft [gedaagde 2] daarop gereageerd door te zeggen dat het vanzelf spreekt dat [eiser] betaald zou worden, maar dat hij wel resultaten wilde zien. Op het voorbehoud dat [eiser] vervolgens maakte ten aanzien van het vinden van een investeerder (“Er is geen garantie te geven over de uitkomsten”) heeft [gedaagde 2] niet meer gereageerd. Evenmin heeft hij opmerkingen gemaakt over de hoogte van het uurtarief. Wel heeft hij vervolgens op verzoek van [eiser] aan hem het ondernemingsplan gemaild, evenals – in een aparte e-mail – een aanvulling op dat plan. Vervolgens heeft hij steeds alle wijzigingen, opmerkingen en aanvullingen die [eiser] bij de verschillende ondernemingsplanversies maakte en deed, geaccepteerd en heeft hij daarvan ook gebruik gemaakt, getuige de naar aanleiding van die opmerkingen door hem opgestelde en ingeleverde nieuwe versies van het ondernemingsplan. Gelet op deze gang van zaken mocht [eiser] er in redelijkheid op vertrouwen dat [gedaagden] de door hem aangeboden werkzaamheden, evenals het voorgestelde uurtarief, accepteerden. Andersom mochten [gedaagden] er niet op vertrouwen dat de werkzaamheden die [eiser] verrichte, enkel zouden hoeven te worden betaald wanneer er – zoals [gedaagde 2] in de tussen partijen gewisselde correspondentie suggereert – een investeerder zou worden gevonden. Uit de geschetste gang van zaken blijkt ook duidelijk dat [eiser] niet, zoals [gedaagden] stellen, de werkzaamheden op eigen initiatief is gaan verrichten. [gedaagde 2] heeft [eiser] benaderd en [gedaagde 2] heeft [eiser] opdracht gegeven contact te leggen met [naam octrooigemachtigde] . [gedaagde 2] heeft vervolgens de opmerkingen bij het ondernemingsplan steeds verwerkt. Dat de samenwerking op een later moment spaak is gelopen, betekent niet dat er geen aanbod en aanvaarding heeft plaatsgevonden en dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen, noch dat de als gevolg daarvan in rekening gebrachte uren niet hoeven te worden betaald.
Wat moet er worden betaald?
[gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd tegen het aantal in rekening gebrachte uren (20). De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 2.178,– (het factuurbedrag) is daarmee toewijsbaar.
De vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente tot en met 31 oktober 2019 (€ 451,51) is niet weersproken en eveneens toewijsbaar. Dat geldt ook voor de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente over het bedrag van € 2.178,– vanaf 1 november 2019 tot aan de dag van betaling.
Het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dat [eiser] vordert (€ 387,95) is hoger dan het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 326,70.
Omdat [gedaagden] ongelijk krijgen, moeten zij de proceskosten betalen. Die kosten worden aan de kant van [eiser] begroot op:
-
dagvaarding € 112,65
-
griffierecht € 231,–
-
salaris gemachtigde € 420,– (2 punten x tarief € 210,–)
totaal € 763,65
6 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.629,51, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.178,– vanaf 1 november 2019 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 326,70 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 763,65;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J. Lie en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2020. |
||