Civiel recht overig
Vordering tot betaling van facturen; advertentiewerkzaamheden; niet is komen vast te staan dat tussen…
Rechtbank Oost-Brabant, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7418 · Rechtbank Oost-Brabant · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/verzet/ecli-nl-rbobr-2026-7418
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4802/12045242
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7418
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering tot betaling van facturen; advertentiewerkzaamheden; niet is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen; volgens gedaagden is sprake van oplichting en fraude.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12045242 \ CV EXPL 26-169
Vonnis in verzet van 8 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: H.G. Zeiger,
tegen
1 V.O.F. [gedaagde 1] ,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
2. [gedaagde 2],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonend in [woonplaats] ,
3. [gedaagde 3],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagden,
eisers in het verzet,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: [A] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 oktober 2025 met 3 bijlagen,
- het verstekvonnis van 20 november 2025 met zaaknummer 11956271 CV EXPL 25-6395,
- de verzetdagvaarding van 16 december 2025 met 2 bijlagen,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de uitnodiging voor de mondelinge behandeling van 21 september 2026,
- de e-mail van (de gemachtigde van) [gedaagden] waarin is gevraagd om de zaken met de zaaknummers 12045242, 11969029 en 12020277 gelijktijdig te behandelen,
- de e-mail van de rechtbank aan (de gemachtigden van) partijen waarin is meegedeeld dat deze zaak gezamenlijk (doch niet gevoegd) zal worden behandeld met de zaak met zaaknummer 11969029 CV EXPL 25-6638.
Op 21 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiseres] is, hoewel zij goed is opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen. Namens [gedaagden] zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat uiterlijk op 22 oktober 2026 of zoveel eerder als mogelijk het vonnis zal worden gewezen.
2 De vordering en het verweer
[eiseres] heeft gevorderd dat de kantonrechter [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt te betalen het bedrag van € 1.464,13, vermeerderd met de wettelijke rente over rente over 1.234,20 vanaf dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, kosten rechtens, waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] .
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen partijen één of meerdere zakelijke overeenkomst(en) van opdracht zijn aangegaan. Op grond van deze overeenkomst(en) heeft [eiseres] (onder bijlevering van materiaal) diverse diensten verleend of laten verlenen en/of diverse werkzaamheden verricht of laten verrichten. Uit hoofde van deze overeenkomst(en) heeft [eiseres] van [gedaagden] een bedrag van € 1.234,20 te vorderen. Dit bedrag is per factuur van 23 juni 2025 aan [gedaagden] in rekening gebracht door “Ondernemers in de regio”, zijnde een handelsnaam van [eiseres] . Verder maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 185,13 en de wettelijke rente, die tot 28 oktober 2025 € 44,80 bedraagt.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiseres] volledig toegewezen en is [gedaagden] veroordeeld in de proceskosten.
[gedaagden] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiseres] alsnog worden afgewezen. Zij voert aan dat geen opdracht is verstrekt, dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd en dat geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat geen sprake is van een aanbod en de aanvaarding daarvan. Voor het geval wel een overeenkomst tot stand is gekomen, stelt [gedaagden] dat [eiseres] in schuldeisersverzuim verkeert omdat zij niet kan aantonen en heeft aangetoond dat de actie ook daadwerkelijk is uitgevoerd, nu geen enkel verslag is gegeven van wie, wat, waar en hoe de actie verder is uitgevoerd. Verder doet [gedaagden] , voor zover nodig, een beroep op dwaling dan wel misbruik van omstandigheden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3 De beoordeling
Vooraf
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.
Door [eiseres] is in de dagvaarding gesteld dat tussen partijen (een) zakelijke overeenkomst(en) tot stand is gekomen en dat zij op grond van die overeenkomst(en) diverse diensten heeft verleend of laten verlenen en/of diverse werkzaamheden heeft verricht of laten verrichten. De kantonrechter is van oordeel dat de inhoud van de dagvaarding zo summier is dat daaruit niet valt op te maken wat aan [gedaagden] is aangeboden en wat door [gedaagden] aanvaard zou zijn. In de dagvaarding is gebruik gemaakt van een generieke tekst waaruit niet blijkt wat de gestelde overeenkomst inhoudt, waarover wilsovereenstemming zou zijn bereikt of hoe de gestelde wilsovereenstemming tot stand zou zijn gekomen. Hierdoor is artikel 21 Rv door [eiseres] geschonden. Dit artikel bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht. Gelet op het verweer dat door [gedaagden] is gevoerd, zal de kantonrechter toch inhoudelijk beoordelen of er een overeenkomst tot stand is gekomen.
Inhoudelijk
[gedaagden] betwist dat tussen haar en [eiseres] een overeenkomst tot stand is gekomen. Ook betwist zij dat zij enige opdracht aan [eiseres] heeft verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] toegelicht dat zij al geruime tijd spookfacturen ontvangt van een groot aantal ondernemingen die gelinkt (lijken te) zijn aan [eiseres] . Zij heeft voorts verklaard dat zij regelmatig telefonisch wordt benaderd om te adverteren in bijvoorbeeld de Gouden Gids en wordt verzocht om goede doelen te sponsoren. Zij herinnert zich dat zij benaderd is met het verzoek om kinderen met kanker te helpen waarbij gerefereerd zou zijn aan een organisatie genaamd ‘ [naam organisatie] ’. Het zou gaan om een bijdrage voor zieke kinderen die graag naar de Efteling willen gaan. Een andere keer is zij benaderd voor een soortgelijk goed doel, maar daarbij zou het gaan om een bezoek van zieke kinderen aan een ander pretpark. Voorts heeft [gedaagden] verklaard dat de facturen waar in deze procedure betaling van wordt gevorderd eveneens spookfacturen betreffen en dat deze zien op opdrachten die nooit verstrekt zijn en waar geen enkele prestatie tegenover heeft gestaan. [gedaagden] geeft aan dat sprake is van oplichting en fraude. Zij heeft verwezen naar het televisieprogramma ‘Radar’ waarin de oplichtingspraktijken van de persoon achter [eiseres] (en achter soortgelijke B.V.’s), genaamd [B] , aan de orde zijn gekomen. Steeds lijkt gebruik te worden gemaakt van andere websites en andere bedrijfsnamen. De conclusie van Radar was, aldus [gedaagden] , dat kopieën worden gemaakt van bestaande advertenties van ondernemingen op andere websites en dat die advertenties worden gekopieerd en gratis (her)plaatsing hiervan wordt aangeboden. Vervolgens worden er facturen aan de betreffende ondernemingen gestuurd.
De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 6:217 BW een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding daarvan. Zowel het doen van een aanbod als het aanvaarden daarvan zijn rechtshandelingen waarvoor op grond van 3:33 BW een op het rechtsgevolg gerichte wil vereist is die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Niet is gebleken van enige wilsovereenstemming op grond waarvan enig bedrag verschuldigd is. Door [eiseres] is weliswaar gesteld dat sprake is van een aanbod en de aanvaarding daarvan, maar die stelling is gemotiveerd door [gedaagden] betwist en op geen enkele wijze door [eiseres] onderbouwd. Zoals hiervoor in r.o. 3.2 reeds is overwogen, is door [eiseres] in de dagvaarding niet gesteld welk aanbod zij aan [gedaagden] heeft gedaan noch is gesteld op welke wijze dat aanbod zou zijn aanvaard. Nu [eiseres] ook niet op de mondelinge behandeling is verschenen, heeft zij dit ook niet nader toegelicht.
Het enkele feit dat door [eiseres] stukken zijn overlegd waarop een formulier te zien is met de tekst: “Hierbij treft u uw presentatie aan. Wij willen u verzoeken dit formulier goed te controleren. Mochten er om wat voor reden dan ook onduidelijkheden ontstaan, verzoeken wij u contact met ons op te nemen. Betreft uw vermelding op ondernemersinderegio.nl.”, maakt de conclusie van de kantonrechter niet anders. Dan nog steeds geldt immers dat door [eiseres] niet is gesteld welk aanbod zij aan [gedaagden] heeft gedaan. Daar komt nog bij dat op het ‘plaatsingsformulier’ is te lezen: “Wanneer alles conform afspraak en wens is, graag dit plaatsingsfomulier ten bewijze van akkoord binnen 8 dagen aan ons te sturen”. Niet is gesteld en nergens blijkt uit dat [gedaagden] binnen 8 dagen na ontvangst van het plaatsingsformulier aan [eiseres] heeft geretourneerd. Er is slechts een print-screen overgelegd van – zo lijkt het – een WhatsApp gesprek waarin ‘ [naam] ’ op een bericht waarvan onduidelijk is wat de vraag is of van wie dit bericht afkomstig is, heeft gereageerd met ‘Ok’. Niet blijkt wie namens ‘ [naam] ’ reageert en waar deze reactie dan precies op ziet. Dit kan derhalve – als al sprake zou zijn geweest van een aanbod – niet worden opgevat als een aanvaarding van dat aanbod.
Daarnaast merkt de kantonrechter op dat op het ‘plaatsingsformulier’ staat vermeld dat het zou gaan om een vermelding op www.ondernemersinderegio.nl. De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling besproken dat zowel hij als de griffier individueel van elkaar deze website hebben geraadpleegd voorafgaande aan de mondelinge behandeling. Er was op dat moment geen advertentie van VOF [gedaagde 1] dan wel Restaurant [naam] zichtbaar. Er is daarbij op de website ondernemersinderegio.nl gezocht op diverse zoektermen, waaronder ‘ [zoekterm 1] ’, ‘ [zoekterm 2] ’, ‘restaurant’, ‘BV’ en ‘VOF’. Bij iedere zoekopdracht kwam de volgende tekst naar voren: “Helaas geen resultaten of te weinig karakters / trefwoorden gebruikt”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter deze zoekopdracht(en) herhaald. Bij invoering van de zoekterm ‘ [zoekterm 1] ’ werd ineens wél een advertentie zichtbaar. Doch, bij raadpleging van de zoektermen ‘restaurant’, ‘BV’ en ‘VOF’ werden geen resultaten zichtbaar. De website lijkt, naast deze ene advertentie, uit niets meer te bestaan dan een nieuws-feed die afkomstig is van nu.nl met willekeurige onderwerpen alsmede een weer-feed met een klok die een uur achterloopt. De kantonrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de advertentie van VOF [gedaagde 1] is geplaatst op de dag van de mondelinge behandeling in het kader van deze procedure.
Nu geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, is [gedaagden] niet gehouden tot betaling van het op de factuur van 23 juni 2025 genoemde bedrag. Daarom wijst de kantonrechter de vordering af. Dat geldt ook voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de daarover (en over de hoofdsom) gevorderde rente. Het verstekvonnis wordt daarom vernietigd en de vorderingen van [eiseres] zullen alsnog worden afgewezen.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagden] in de verstekprocedure betalen, te begroten op nihil, en ook de proceskosten (inclusief nakosten) van de verzetprocedure. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis en van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter voor rekening van [gedaagden] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedaagden] in eerste instantie niet is verschenen. De kosten van [gedaagden] die [eiseres] moet vergoeden worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
542,50 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Voor zover door [gedaagden] is bedoeld om de werkelijke proceskosten te vorderen, heeft zij niet gesteld noch onderbouwd welke kosten zij heeft moeten maken voor het voeren van verweer in deze procedure. Reeds daarom is deze vordering niet toewijsbaar.
4 De beslissing
De kantonrechter
vernietigt het verstekvonnis van 20 november 2025 met zaaknummer 11956271 CV EXPL 25-6395,
en opnieuw beslissend:
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de betekening van het verstekvonnis,
veroordeelt [eiseres] in de overige kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [gedaagden] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de overige kosten van de verzetprocedure van € 542,50, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Xanthopoulos, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.J.A. Donkersloot op 8 oktober 2026.