Civiel recht overig

Wraking. Gericht tegen de wrakingskamer die de wrakingszaak WR 19/027 behandelde. Het verzoek is…

Rechtbank Oost-Brabant, 20 september 2019

Zaakgegevens

Op 20 september 2019 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 september 2019
Datum publicatie
23 november 2021
Zaaknummer
WR 19/029
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2019:7820
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wraking. Gericht tegen de wrakingskamer die de wrakingszaak WR 19/027 behandelde. Het verzoek is niet-ontvankelijk omdat het is gedaan na de beslissing in zaak WR 19/027. Ten overvloede, tegen een wrakingsbeslissing staat geen voorziening open

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zaaknummer: WR 19/029

Beslissing van 20 september 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekers] ,

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: verzoekers,

strekkende tot de wraking van

mr. H.M.H. de Koning, mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en

mr. S.M.J. Korthuis-Becks,

rechters in deze rechtbank en leden van de wrakingskamer in zaak WR 19/027.

1 Procesverloop

Verzoekers zijn gedaagden in de bij deze rechtbank aanhangig gemaakte civiele procedure (kanton) met zaaknummer 7423491 \ CV EXPL 18-11070. Verzoekers hebben de rechter die die zaak behandelt, mr. J.M.J. Godrie, bij brief van 19 augustus 2019 gewraakt. Bij beslissing van 4 september 2019 (zaak WR 19/027) heeft de wrakingskamer, bestaande uit de hiervoor genoemde gewraakte rechters, dit wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers hebben bij brief van 10 september 2019, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 11 september 2019, de wrakingskamer gewraakt.

2 De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1

Een wrakingsverzoek wordt in beginsel ter zitting behandeld (artikel 39 lid 1 Rv). De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek echter op grond van artikel 9.1 aanhef en sub c, van het Wrakingsprotocol rechtbank Oost-Brabant zonder behandeling ter zitting aanstonds afdoen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek, wanneer dat verzoek is ingediend ná het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan. De wet voorziet immers niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan (HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2366).

2.2

Zoals onder ‘Procesverloop’ is vermeld, heeft de wrakingskamer, bestaande uit de hiervoor genoemde gewraakte rechters, reeds op 4 september 2019 beslist op het tegen

mr. Godrie gerichte wrakingsverzoek. Het nu aan de orde zijde wrakingsverzoek is ingediend na die beslissing en is reeds daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

2.3

Gelet op het voorgaande is van een mondelinge behandeling afgezien.

2.4

Verzoekers hebben in hun brief niet alleen de wrakingskamer gewraakt, maar ook uiteengezet waarom de beslissing van 4 september 2019 volgens hen onjuist is. Verzoekers hebben in hun brief verder aangegeven, voor zover van belang: “Voor zover Verweerder (de wrakingskamer leest: verzoekers) als niet-jurist een onjuiste weg bewandelt (…) dan verneemt Verweerder zulks vanzelfsprekend graag van u”. De wrakingskamer wijst verzoekers er daarom op dat tegen de beslissing van 4 september 2019 geen rechtsmiddel open staat (artikel 39 lid 5 Rv).

3 De beslissing

De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.J.C. Adang, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en

mr. T. van de Woestijne, leden, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

griffier voorzitter