Personen- en familierecht

WR 26/013: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit…

Rechtbank Oost-Brabant, 9 juli 2026

Zaakgegevens

Op 9 juli 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 juli 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
WR 26-013
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5713
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WR 26/013: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

zaaknummer: WR 26-013

Beslissing van 9 juli 2026

van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

bijgestaan door mr. A.G.J. van Lokven,

strekkende tot de wraking van

mr. J. Pijper,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het schriftelijke wrakingsverzoek van 18 juni 2026;

• de schriftelijke reactie van de rechter van 24 juni 2026.

1.2.

Op 2 juli 2026 heeft de zitting (de mondelinge behandeling) van deze zaak plaatsgevonden. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

• verzoekster (op haar verzoek via beeldbellen), bijgestaan door haar advocaat voornoemd;

• de rechter.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/01/426555 KF ZA 26-1247. In die zaak gaat het over het aantal weken dat de vader met de minderjarige zoon van partijen op vakantie kan gaan.

2.2.

Verzoekster legt, samengevat, het volgende aan haar verzoek ten grondslag. De rechter heeft 1) uitlatingen gedaan vóór het inhoudelijk debat, 2) bevestigd dat zij reeds een gedachtegang richting het vonnis had ontwikkeld, 3) een betwist standpunt van de wederpartij tot uitgangspunt genomen, en 4) de reactie van de wederpartij heeft de betekenis van de eerdere uitlatingen bevestigd.

2.3.

De rechter berust niet in de wraking.

3 De beoordeling

3.1.

In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor een verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van het verzoek is uitgangspunt dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.

Grond 1: vraagstelling

3.2.

Verzoekster vindt de rechter vooringenomen, althans dat zij de schijn daartoe heeft gewekt, omdat de rechter vragen heeft gesteld aan verzoekster als ‘kan er niet iets geregeld worden met belmomenten?’ en ‘is het niet een kwestie van wennen?’. Deze opmerkingen werden gemaakt voordat partijen hun standpunten hadden toegelicht. Hiermee liep de rechter vooruit op de beantwoording van de centrale vraag die aan haar was voorgelegd. Toen de advocaat van verzoekster dit aan de rechter voorlegde, bevestigde de rechter dat haar oordeel al was gevormd, aldus verzoekster.

3.3.

Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter heeft gevraagd: “Zouden belmomenten helpend kunnen zijn?” en “Zou het niet een kwestie van wennen kunnen zijn?”. Naar het oordeel van de wrakingskamer leveren deze vragen geen (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid op, ook niet indien dit de kern van het debat tussen partijen raakt of indien een partij reeds een standpunt heeft ingenomen over deze vraag in de stukken.

3.4.

De wrakingskamer merkt hierbij op dat, anders dan verzoekster aanvoert, uit het proces-verbaal van de zitting niet volgt dat de rechter de mondelinge behandeling met deze vragen is begonnen. Zelfs als dat het geval zou zijn, dan geldt dat het debat tussen partijen reeds was aangevangen met de inleidende processtukken.

Grond 2: gedachtegang

3.5.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit de opmerking van de rechter dat zij een gedachtegang zou hebben gevormd geen (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid kan worden afgeleid. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter heeft verteld dat zij ideeën en vragen krijgt bij het lezen en horen van de standpunten en dat zij die wil voorhouden, zodat partijen daarop kunnen reageren. Die gelegenheid hebben partijen ook gekregen van de rechter.

Grond 3: betwist standpunt als uitgangspunt

3.6.

Verzoekster stelt dat de rechter een betwist standpunt tot uitgangspunt heeft genomen.

3.7.

Uit het proces-verbaal volgt niet dat de rechter op enig moment het standpunt van de wederpartij tot uitgangspunt heeft genomen. De rechter heeft de antwoorden van de wederpartij samengevat en zij heeft doorgevraagd, totdat het standpunt haar duidelijk was. Hierbij heeft de rechter geen blijk gegeven van vooringenomenheid. Evenmin is hiermee de objectief gerechtvaardigde schijn daartoe gewekt. Partijen hebben daarna de gelegenheid gehad om op dit standpunt te reageren. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de rechter een bepaald standpunt reeds als vaststaand feit had aangenomen.

Grond 4: de reactie van de wederpartij

3.8.

Deze grond slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de advocaat van de wederpartij heeft afgezien van een laatste termijn, omdat hij meende volledig te zijn geweest in zijn conclusie van antwoord en dat de punten die hij nog wilde bespreken reeds aan bod waren gekomen tijdens de mondelinge behandeling. Het is aan procespartijen om te bepalen hoe zij invulling geven aan hun spreektermijnen. Hieruit kan geen (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.

3.9.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

De griffier De voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.