Strafrecht overig

Verdachte heeft naar aanleiding van een huiselijk geweld incident op 7 maart 2025 een gedragsaanwijzing…

Rechtbank Oost-Brabant, 9 april 2025

Zaakgegevens

Op 9 april 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 april 2025
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
01/095918-25
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2025:8963
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft naar aanleiding van een huiselijk geweld incident op 7 maart 2025 een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen. De verdachte heeft de gedragsaanwijzing op 22 maart 2025 overtreden. Verdachte zou een brief hebben geschreven naar aangeefster met daarin ook een foto van hem en aangeefster. Hij ontkent dit gedaan te hebben. Hij laat stellig weten dat hij geen enkele brief heeft opgesteld, maar ook niemand de opdracht heeft gegeven om dit te doen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 11 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden wordt een contact- en locatieverbod opgelegd voor de duur van 3 jaren. De rechtbank beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van het contact- en locatieverbod.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]proces-verbaal

RECHTBANK OOST-BRABANT

Team strafrecht

Parketnummer: 01.095918.25

Datum uitspraak: 09 april 2025

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank, locatie ’s-Hertogenbosch op 09 april 2025.

De samenstelling van de rechtbank is als volgt:

mr. W.M.T. Keukens, politierechter,

C. Lochten, griffier.

Als officier van justitie fungeert mr. K.J.F. Roelofs.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De politierechter stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,

wonende te [adres 1] .

Als raadsvrouwe is ter terechtzitting verschenen mr. W.M.L. van Koningsveld, advocate te Boxmeer.

De politierechter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.

De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

1. een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, met registratienummer: PL2100-2025066509, afgesloten op 29 maart 2025, aantal doorgenummerde bladzijden: 43.
Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.
Dit dossier houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:
- een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (p.10-18);
- een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende een verklaring van verdachte

[verdachte] (p.19-20);
- een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende een verklaring van verdachte [verdachte] (p.37-40).

2. een gedragsaanwijzing ex. art. 509hh van het Wetboek van Strafvordering, d.d. 7 maart 2025, betreffende verdachte;

3. stukken van het kabinet van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank;

4. een voorlichtingsrapport van GGZ ERW Novadic-Kentron, d.d. 29 maart 2025, betreffende verdachte;

5. een Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 29 maart 2025, betreffende verdachte;

6. een brief van het slachtoffer [slachtoffer] , d.d. 3 april 2025, waarin wordt verzocht om een contact- en locatieverbod met verdachte [verdachte] .

De verdachte verklaart:

Ik heb die brief niet verstuurd. Dat moet iemand anders hebben gedaan. Ik weet niks van een gedragsaanwijzing. Dat kan ik mij niet herinneren. Ik heb geen contact gezocht met mevrouw [slachtoffer] . De politierechter vraagt mij hoe die foto bij de brief is gekomen. Die foto is met mijn telefoon gemaakt toen we een paar dagen wegwaren. Ik heb na 7 maart 2025 alle foto’s uit mijn telefoon verwijderd. De foto kan afkomstig zijn van mijn Facebookpagina. Mijn Facebookpagina staat op ‘openbaar’. Dat is altijd al zo geweest. De politierechter vraagt mij wie de brief met de foto naar mevrouw [slachtoffer] zou kunnen hebben gestuurd. Dat weet ik niet. Dat moet iemand zijn die het op mij gemunt heeft.

De politierechter houdt mij voor dat ik bij het eerste verhoor bij de politie heb verklaard dat ik de brief heb verstuurd. Ik werd onder druk gezet. De politie zei dat ik een leugenaar was. Ik kreeg de indruk dat ik naar huis mocht als ik zou bekennen. Ik heb gevraagd om een advocaat. Bij het tweede verhoor was er een advocaat aanwezig. Ze hadden niet tegen mij gezegd dat ik recht zou hebben op een advocaat. Ik snapte het niet meer. De politierechter houdt mij voor dat ik het volgende heb verklaard: “Als ik van tevoren wel met een advocaat had gesproken, dan had ik niet op een andere manier verklaard. En daarom blijf ik ook bij mijn huidige verklaring en hoef ik niet opnieuw gehoord te worden.”

Die dag is er veel op mij afgekomen. Ik weet het niet meer. De politierechter houdt mij voor dat ik pas bij de rechter-commissaris ontken dat ik de brief heb gestuurd.

De officier van justitie vraagt mij hoe iemand anders moet weten dat ik een contactverbod heb. Dat weet ik niet. Die persoon weet dat ik ben aangehouden. Misschien heeft iemand gedacht ‘Ik geef hem nog een extra zetje’. Hetgeen wat ik absoluut niet heb gedaan, zal ik nooit meer doen. De politierechter vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Ik ga mij aan de gedragsaanwijzing houden.

Persoonlijke omstandigheden

Mijn werk is heel belangrijk voor mij. Ik heb kinderen. Door mijn ADHD kan ik impulsief handelen. Ik krijg daar medicatie voor. Daarnaast heb ik gedragstherapieën gevolgd. Ik mag contact opnemen met een ADHD-centrale om een vervolgtraject in te zetten. Ik kan mijzelf steeds beter onder controle houden.

De officier van justitie voert het woord: Het feit kan wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte heeft op 7 maart 2025 een gedragsaanwijzing gekregen met een contactverbod. Die is aan verdachte in persoon uitgereikt. Vervolgens ontvangt mevrouw [slachtoffer] op 22 maart 2025 een brief met een foto. In het verhoor bij de politie bekent verdachte dat hij de brief heeft gestuurd. In het eerste verhoor is hem duidelijk uitgelegd dat hij recht heeft op een advocaat. Verdachte heeft aangegeven dat hij dat niet wilde. Bij het tweede verhoor is er een advocaat aanwezig. Dan wordt hij nog een keer gehoord en zwijgt hij. Gelet op hetgeen wat er nu ligt is er geen enkele twijfel dat verdachte de brief naar het slachtoffer heeft gestuurd. Het is niet geloofwaardig dat iemand anders de brief heeft geschreven en heeft verstuurd. Verdachte geeft daar verder ook geen handen en voeten aan.

Verdachte trekt zich niks aan van de aanwijzingen van autoriteiten. De urgentie en de consequenties zijn duidelijk. Verdachte is een first offender. De stalkingszaak loopt nog. Als ik kijk naar de richtlijnen van het Openbaar Ministerie dan gaat het om een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Uit het advies van de reclassering blijkt dat verdachte zijn leven verder op orde heeft. Om die reden heeft de rechter-commissaris verdachte geschorst. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is in dit geval passend.

Gelet op het vorenstaande kom ik tot de volgende strafeis:

- een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 11 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex. artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel houdt in een contact- en een locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan een van de maatregelen wordt voldaan met een maximum van 6 maanden vervangende hechtenis. Omdat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen vordert het Openbaar Ministerie dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

Aan de verdachte en de raadsvrouw wordt de gelegenheid gegeven te reageren op hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd.

De raadsvrouw voert aan:

Mijn cliënt is bij het eerste verhoor gehoord zonder bijstand van een advocaat. Op pagina 37 van het dossier wordt alleen maar gesproken over verhoorbijstand. Het is niet aan mijn cliënt uitgelegd dat hij recht heeft op kosteloze consultatiebijstand. Mijn cliënt heeft ADHD. Dan is het juist een reden om een advocaat in te schakelen. Daar had de politie rekening mee moeten houden. Het is pas aan mijn cliënt medegedeeld dat hij recht heeft op een advocaat nadat hij was voorgeleid bij de hulpofficier van justitie (pagina 34).

De politierechter houdt mij voor dat op pagina 38 van het dossier aan verdachte wordt gevraagd of hij gebruik wil maken van verhoor- en consultatiebijstand waarop verdachte heeft geantwoord ‘nee’. Het is niet duidelijk dat mijn cliënt voorafgaand aan het verhoor recht had op een advocaat. Het is ook maar de vraag of hij weet wat het betekent.

Er is hier sprake van een vormverzuim op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Mijn cliënt heeft bij het tweede verhoor aangegeven dat hij misschien wel dezelfde antwoorden had kunnen geven, maar met een advocaat erbij had die wel kunnen ingrijpen en die kans heeft hij niet gehad. Mijn cliënt voelde de druk. Gelet op dit vormverzuim wil ik verzoeken om dit verhoor uit te sluiten van het bewijs. Daarnaast wil ik opmerken dat in het verhoor staat dat ik in kennis ben gesteld van het verhoor. Dat is onjuist. Ik werd alleen gebeld met de vraag of ik mijn cliënt bij wilde staan bij het overtreden van de voorwaarden. Er is niet gesproken over het verhoor.

Mijn cliënt kreeg de indruk dat hij naar huis mocht als hij zou bekennen. Die bekentenis is vals. De foto is mogelijk van zijn Facebookpagina gehaald. De foto’s van mijn cliënt zijn zichtbaar omdat zijn profiel op openbaar staat. De brief is mogelijk door iemand anders geschreven en naar het slachtoffer gestuurd. Het kan ook zo zijn dat aangeefster het zelf in scène heeft gezet. De brief kan door iedereen zijn gestuurd. Mijn cliënt heeft bij de rechter-commissaris aangeven dat hij onder druk werd gezet om te bekennen. De politie had het gevoel dat mijn cliënt niet eerlijk was. Mijn cliënt kan niet verklaren over de details. Kennelijk is de envelop afgestempeld in ’s-Hertogenbosch. Het bewijs is te mager.

Gelet op het bovenstaande wil ik verzoeken mijn cliënt vrij te spreken.

Mocht de politierechter wel tot een bewezenverklaring komen dan wil ik verzoeken om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Mijn cliënt heeft werk en een huurwoning. Het is belangrijk dat hij zijn werk en woning kan behouden.

Met betrekking tot een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex. artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht heb ik geen opmerkingen.

Aan de officier van justitie wordt de gelegenheid gegeven te reageren op hetgeen door de verdediging is aangevoerd.

De officier van justitie voert aan:

Er is geen sprake van een vormverzuim. Het recht op verhoor- en consultatiebijstand is uitdrukkelijk aan verdachte meegegeven. Verdachte verklaart letterlijk dat hij er geen gebruik van wil maken (pagina 37). Er mag een stevige vraagstelling in het verhoor zijn. Ik zie niet dat er sprake is van onder druk zetten. De verklaring van verdachte kan in het bewijs worden meegenomen.

Aan de verdachte en de raadsvrouw wordt de gelegenheid gegeven te reageren op hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd. De verdachte en de raadsvrouw maken hier geen gebruik van.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte verklaart: Ik heb die brief absoluut niet verzonden. Ook niet namens mij.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 maart 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, althans in

Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 07 maart 2025, gegeven door de officier van justitie te

arrondissement Oost-Brabant door aan die [slachtoffer] een brief op 22 maart 2025 te typen en/of op te sturen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.

De inhoud van het procesdossier, voor zover hiervoor onder 1. en 2. is weergegeven.

Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs.
De politierechter acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hierna bewezen is verklaard. In het dossier zit een brief met een foto van verdachte en aangeefster. Verdachte heeft bij het eerste verhoor een bekennende verklaring afgelegd. De politierechter is van oordeel dat aan verdachte zijn rechten goed zijn uitgelegd. Hij heeft een brochure ‘mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’ gekregen. Ook is tegen verdachte gezegd dat hij recht heeft op verhoor- en consultatiebijstand. Verdachte wilde geen gebruik maken van een advocaat en verklaarde dat hij bij zijn huidige verklaring blijft en niet opnieuw gehoord hoeft te worden. Naar het oordeel van de politierechter zijn er geen aanwijzingen dat de politie ongeoorloofde druk op verdachte heeft uitgeoefend. Van een vormverzuim is geen sprake. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders er belang bij zou hebben om verdachte een hak te zetten. Het staat daarom naar het oordeel van de politierechter vast dat verdachte het contactverbod heeft overtreden door de brief met foto naar aangeefster te sturen.

De bewezenverklaring.

De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, - bezien in het licht van hetgeen hiervoor overwogen - wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 28 maart 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 07 maart 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Brabant door aan die [slachtoffer] een brief op 22 maart 2025 te typen en op te sturen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De kwalificatie.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De op te leggen straf.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de politierechter gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de politierechter het wettelijk strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de politierechter bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover deze ter terechtzitting zijn gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte heeft een brief met een foto ongevraagd naar aangeefster gestuurd. Uit het dossier blijkt dat dit een grote impact heeft gemaakt op het leven van aangeefster. Aangeefster heeft al meerdere malen een melding gemaakt van stalking door verdachte. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich niet heeft gehouden aan de gedragsaanwijzing die hem is opgelegd. Met zijn handelen heeft verdachte geen acht geslagen op de negatieve gevolgen en impact van zijn gedrag op aangeefster.

Bij de strafoplegging zal de politierechter aan de ene kant rekening houden met het feit dat verdachte niks aantrekt van de aanwijzingen van de autoriteiten. Verdachte was een gewaarschuwd persoon. Aan de andere kant heeft verdachte verder geen problemen. Hij heeft een woning en werk. Het is belangrijk dat hij dat kan behouden.

De politierechter is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 11 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren in dit geval passend en geboden is.

Maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex. artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met mevrouw [slachtoffer] en een locatieverbod waarbij de verdachte zich niet zal bevinden op of in de directe nabijheid van [adres 2] te Helmond. Per overtreding van het contact- en locatieverbod kan 1 week vervangende hechtenis worden opgelegd, tot een maximum van in totaal 6 maanden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de politierechter dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis.
De rechter-commissaris heeft op 31 maart 2025 besloten dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt geschorst met onmiddellijke ingang. De politierechter zal het verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 38v, 184a Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De politierechter:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 11 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

legt op de volgende maatregelen:

een contactverbod voor de duur van 3 jaren subsidiair 1 week hechtenis;

dit contactverbod houdt in dat veroordeelde gedurende 3 jaren zich zal onthouden van contact met mevrouw [slachtoffer] , wonende te [adres 2] te Helmond, hetgeen met zich brengt dat veroordeelde noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei contact (niet middels telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel, noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met genoemde persoon;

een locatieverbod voor de duur van 3 jaren subsidiair 1 week hechtenis;

dit locatieverbod houdt in dat veroordeelde gedurende 3 jaren zich niet zal bevinden op of in de directe nabijheid van [adres 2] te Helmond;

beveelt dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn;

opheffing van het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

De politierechter deelt de verdachte mede, dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.