Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Voorlopige voorziening Bestuursrecht overig

23 juni 2022
ECLI:NL:RBOVE:2022:1820

Op 23 juni 2022 heeft de Rechtbank Overijssel een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht. Het zaaknummer is ak_22_765 en ak_22_766, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBOVE:2022:1820. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
ak_22_765 en ak_22_766
Datum uitspraak
23 juni 2022
Datum gepubliceerd
23 juni 2022
Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 22/765 en 22/766

uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam 1]
en
[naam 2]
beiden te
[woonplaats]
, verzoekers,

gemachtigde: mr. K. Karapetyan,

en

de burgemeester van Hellendoorn, verweerder,

gemachtigde: A.J. Lock.

Inleiding

Het verloop van de procedures

Bij besluit van 20 april 2022 heeft de burgemeester besloten om de huurwoning van verzoekers op het adres

[adres]
te Hellendoorn met ingang van 10 mei 2022 (vanaf 10.00 uur) voor een periode van zes maanden te sluiten (verder: het sluitingsbevel). Het sluitingsbevel is bij afzonderlijke geschriften aan
[naam 1]
en
[naam 2]
bekend gemaakt. Verzoekers hebben beiden tegen het sluitingsbevel bezwaar gemaakt. Gelijktijdig hebben zij ieder afzonderlijk om een voorlopige voorziening gevraagd. Deze verzoeken zijn gevoegd behandeld. De burgemeester heeft op 17 mei 2022 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2022.
[naam 1]
en
[naam 2]
zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en S.H.H. Ponsteen.

Ordemaatregel

Bij uitspraak van 9 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter het sluitingsbevel bij wijze van ordemaatregel in beide procedures geschorst.

Geheimhouding

Op 12 mei 2022 heeft de burgemeester de stukken die aan het sluitingsbevel ten grondslag

zijn gelegd in het geding gebracht. Daarbij is verzocht om op twee bestuurlijke rapportages

van 17 maart 2022 en 21 april 2022 geheimhouding te betrachten. Bij uitspraak van 25 mei

2022 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank Overijssel beslist dat beperking van

de kennisneming van die rapportages door uitsluitend de voorzieningenrechter

gerechtvaardigd is. Alvorens daarvan kennis te nemen heeft de voorzieningenrechter

[naam 1]
en
[naam 2]
gevraagd of zij daarmee kunnen instemmen. Hun gemachtigde heeft

op 3 juni 2022 aan de voorzieningenrechter meegedeeld dat zij er niet mee kunnen

instemmen dat die rapportages niet met hen worden gedeeld. De voorzieningenrechter heeft

deze rapportages vervolgens - zonder daarvan kennis te nemen - retour gezonden naar de burgemeester.

Griffierecht

Voor de beide procedures is aan

[naam 1]
en
[naam 2]
op 10 mei 2022 ieder een bedrag van € 184 aan griffierecht in rekening gebracht. Op 7 juni 2022 heeft de gemachtigde voor zowel
[naam 1]
als
[naam 2]
wegens betalingsonmacht in beide procedures om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht verzocht. Op 8 juni 2022 is het beroep daarop door de griffier gemotiveerd afgewezen. Ter zitting heeft gemachtigde van verzoekers gepersisteerd bij het beroep op betalingsonmacht. De voorzieningenrechter constateert dat niet in geschil is dat verzoekers, gelet op de hoogte van hun inkomen, niet voldoen aan de geldende criteria voor een beroep op betalingsonmacht. De enkele stelling dat verzoekers desondanks het griffierecht niet kunnen betalen, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel dan de griffier. Het beroep op betalingsonmacht wordt dan ook afgewezen.

Ter zitting is besproken dat er maar één sluitingsbevel ligt (een woning kan immers maar één keer worden gesloten) en dat derhalve met één verzoek om voorlopige voorziening had kunnen worden volstaan. Doordat de burgemeester het sluitingsbevel in twee geschriften heeft neergelegd (die samen één besluit vormen) acht de voorzieningenrechter het echter voorstelbaar dat gemachtigde voor de zekerheid twee verzoeken om voorlopige voorziening heeft ingediend. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het echter niet redelijk om twee keer griffierecht te heffen. Met partijen is derhalve afgesproken dat verzoekers het griffierecht één keer dienen te betalen, uiterlijk op woensdag 22 juni 2022. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekers hieraan hebben voldaan. De verzoeken om voorlopige voorziening zijn derhalve ontvankelijk en zullen hierna inhoudelijk beoordeeld worden.

Overwegingen

De voorlopige voorzieningenprocedure

Uitgangspunt van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat het maken van bezwaar of

beroep de werking van een besluit niet opschort. Met andere woorden: het besluit blijft van

kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt of beroep ingesteld. Die hoofdregel kan worden

doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is

geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat als tegen een besluit

bezwaar is gemaakt of beroep ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige

voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

[naam 1]
en
[naam 2]
moeten dus goede redenen hebben die maken dat zij de beslissing op het bezwaar of beroep niet kunnen afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen.

De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is voorlopig van aard en de rechtbank die

op een eventueel ingesteld beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter

gebonden.

Onverwijlde spoed

Bij de uitspraak van 9 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter het sluitingsbevel om

redenen van onverwijlde spoed geschorst in afwachting van een inhoudelijke behandeling van de verzoeken ter zitting. De voorzieningenrechter verwijst daarnaar. Het

spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is hiermee naar het

oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.

De getroffen voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve,

een getroffen voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. De in deze bepaling neergelegde

mogelijkheid tot wijziging of opheffing van een reeds getroffen voorlopige voorziening kan,

gelet op het systeem van de wet, doorgaans slechts dan in beeld komen indien er sprake is

van een wijziging van feiten en/of omstandigheden die na de datum waarop die voorziening

is getroffen, maar vóór de datum waarop op het bezwaar of beroep is beslist, bekend zijn

geworden maar, waren zij eerder bekend geweest, wellicht niet tot het treffen van een

voorziening, dan wel tot het treffen van een andere voorziening hadden geleid.

Gelet evenwel op de omstandigheid dat de in deze zaak op 9 mei 2022 getroffen

voorlopige voorziening een ordemaatregel betrof, moet worden geoordeeld dat de getroffen

voorziening niet is terug te voeren op een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat

het antwoord op de vraag of tot opheffing of wijziging van de reeds getroffen voorlopige

voorziening zou moeten worden overgegaan, in overwegende mate afhankelijk is van, dan

wel samenhangt met het alsnog inhoudelijk beoordelen van het verzoek om een voorlopige

voorziening.

De voorzieningenrechter zal dan ook beoordelen of de al getroffen voorlopige voorziening

moet worden opgeheven of gewijzigd.

De rechtsvraag

In geschil is de vraag of het sluitingsbevel in bezwaar naar verwachting al dan niet in stand zal kunnen blijven.

Feiten en omstandigheden

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam 1]
en
[naam 2]
zijn beiden bewoners van de woning aan de
[adres]
te Hellendoorn. De woning staat op naam van
[naam 2]
en zij betaalt de huur. De woning is eigendom van
[naam 3]
.

Op 12 februari 2022 is

[naam 1]
door de politie op heterdaad betrapt tijdens een drugsdeal. In

de woning van verzoekers heeft de politie vervolgens het volgende aangetroffen:

23 gripzakjes 4MMC (indicatie 49 gram harddrugs);

4 gripzakjes speed (indicatie 18 gram harddrugs);

2 gripzakjes MDMA (XTC) (onbekend aantal gram harddrugs);

2 halve pilletjes (XTC) (onbekend aantal gram harddrugs);

1 gripzakje hennep (indicatie 9 gram softdrugs).

De burgemeester heeft deze vondst, gelet op de aard en de hoeveelheid, aangemerkt als

handelshoeveelheden en daaruit afgeleid dat sprake is van beroeps- en bedrijfsmatig

handelen als bedoeld in de Opiumwet. Daaraan heeft de burgemeester de bevoegdheid tot het

toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet ontleend en zich voorgenomen om de woning van verzoekers, conform het Damoclesbeleid 2019, voor een periode van zes maanden te sluiten.

Alvorens daartoe over te gaan heeft de burgemeester

[naam 1]
en
[naam 2]
op 21 maart 2022 van dat voornemen in kennis gesteld. De burgemeester heeft hen in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Zij hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om

tijdens een multidisciplinair overleg op 28 maart 2022 met medewerkers van

[naam 3]
,

Regiopolitie Twente en Gemeente Hellendoorn een mondelinge zienswijze te geven.

Op 20 april 2022 heeft de burgemeester vervolgens het sluitingsbevel gegeven.

Beoordeling

Toetsing van het sluitingsbevel

Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 28 augustus 2019 ECLI:NL:RVS:2019:2912) dienen bij een sluitingsbevel de volgende omstandigheden te worden getoetst:

de noodzaak tot sluiting,

de verwijtbaarheid van de betrokkene, en

de evenredigheid van het sluitingsbevel.

[naam 1]
en
[naam 2]
voeren aan dat het sluitingsbevel niet in stand kan worden gelaten, omdat hun omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen:

-

[naam 1]
geeft aan inderdaad te hebben gedeald, maar dit als gevolg van geldgebrek uit wanhoop te hebben gedaan, omdat hij geen andere uitweg meer zag, en nooit vanuit de woning. Hij geeft aan daar spijt van te hebben.
[naam 1]
heeft geen drugsgerelateerde antecedenten.

-

[naam 2]
was op enig moment op de hoogte van de dealeractiviteiten van
[naam 1]
, maar zij was niet zodanig tegen hem opgewassen dat zij daar een einde aan kon maken. Zij heeft geen aan de Opiumwet gerelateerde antecedenten.

Als gevolg van de sluiting van de woning zullen zij beiden op straat komen te staan en mogelijk nooit meer in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, mede gelet op het gegeven dat de markt overspannen is en zij huisdieren hebben. Volgens hen zou een waarschuwing meer op zijn plaats zijn geweest om het doel van de woningsluiting te dienen.

Bevoegdheid van de burgemeester

[naam 1]
en
[naam 2]
bestrijden niet dat de hiervoor opgesomde hoeveelheid hard- en softdrugs in hun woning is aangetroffen. De aanwezigheid daarvan in de woning was bij hen beiden bekend. De burgemeester heeft dan ook terecht gemeend op grond van artikel l3b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd te zijn om een last onder bestuursdwang op te leggen. De bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van de woning is tussen partijen ook niet in geschil.

Noodzaak tot sluiting

Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de

burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het

beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de

overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is

ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare

orde. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang

of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is

dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag

worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse

geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de

bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit

gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Het standpunt van

[naam 1]
en
[naam 2]
dat het enkel aantreffen van de drugs in de woning onvoldoende is om de conclusie te kunnen trekken dat daarin feitelijk sprake was van drugshandel, treft daarom geen doel.

Daar komt bij dat in het sluitingsbevel wordt vermeld dat uit een MMA-melding en politie-informatie is gebleken dat de woning en de directe omgeving van de woning worden gebruikt als locaties om te dealen. Verder is uit klachten die bij

[naam 3]
en bij de gemeente zijn geuit gebleken dat de dealactiviteiten na de doorzoeking in februari 2022 gewoon zijn doorgegaan.
[naam 1]
heeft ter zitting ontkend dat hij ooit vanuit de woning of vlakbij de woning heeft gedeald. Ook heeft hij ontkend dat hij na de doorzoeking van zijn woning is doorgegaan met dealen. De voorzieningenrechter overweegt dat zij van verzoekers geen toestemming heeft gekregen om kennis te nemen van de bestuurlijke rapportages van 17 maart 2022 en 21 april 2022. Zij kan daardoor niet controleren of de informatie uit het sluitingsbevel overeenkomt met de informatie uit deze politierapporten. Dit komt voor rekening en risico van verzoekers. Nu verzoekers hebben verhinderd dat de voorzieningenrechter een en ander kan controleren, zal de voorzieningenrechter ervan uitgaan dat de weergave van de feiten in het sluitingsbevel overeenkomt met de informatie uit de politierapporten.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester, mede gelet op het voorgaande, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een noodzaak tot sluiting van de woning. De aard en hoeveelheid van de aangetroffen drugs, het feit dat de woning en de directe omgeving van de woning werden gebruikt als locaties om te dealen en ook het feit dat de woning is gelegen in de nabijheid van de plaatselijke sportvelden maakt dat de burgemeester heeft kunnen overwegen dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing en dat de woning dient te worden gesloten.

Verwijtbaarheid

Zoals de Afdeling in de voornoemde uitspraken naar vaste jurisprudentie overweegt, is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Hetgeen

[naam 1]
en
[naam 2]
hierover ter zitting hebben verklaard doet dan ook geen afbreuk aan de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten. De vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de woningsluiting.

Evenredigheid van de sluiting

Als sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de

sluiting ook evenredig moet zijn, gelet op de concrete omstandigheden van het geval.

Naar vaste rechtspraak kan het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen handelshoeveelheid drugs. In de onderhavige zaak is daarvan echter geen sprake, omdat zowel

[naam 1]
als
[naam 2]
bekend waren met de aanwezigheid van de drugs in de woning.

[naam 1]
heeft ter zitting uitgelegd dat hij zich genoodzaakt voelde tot het dealen van drugs, omdat hij snel geld moest verdienen om zijn zieke moeder naar het ziekenhuis te kunnen vervoeren. Hij heeft eerst bij verschillende instanties om hulp gevraagd, maar deze hulp kreeg hij niet.
[naam 2]
heeft aangegeven dat zij wel tegen
[naam 1]
heeft gezegd dat zij niet wilde dat hij dealde, maar zij heeft daartegen verder niets ondernomen. De stelling in het verzoekschrift dat zij niet tegen
[naam 1]
was opgewassen volgt de voorzieningenrechter niet, nu uit het verslag van het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 28 maart 2022 volgt dat zij daar heeft aangegeven dat zij sterk genoeg is om ‘nee’ te zeggen, maar dat dit in deze zaak niet is gelukt, omdat zij zich mee heeft laten sleuren door het geld. Ten aanzien van
[naam 1]
overweegt de voorzieningenrechter dat de door hem geschetste omstandigheden waaronder hij is gaan dealen weliswaar verdrietig zijn, maar niet maken dat hij minder verwijtbaar is.

Inherent aan de sluiting van de woning is dat

[naam 1]
en
[naam 2]
deze moeten verlaten. Dit is naar vaste rechtspraak op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als zij een bijzondere binding hebben met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat
[naam 1]
en
[naam 2]
een zodanig bijzondere binding hebben met de woning, dat van hen niet verlangd kan worden om tijdelijk elders te verblijven. Dat
[naam 1]
en
[naam 2]
een hond hebben en een vijver met koikarpers acht de voorzieningenrechter voor het aannemen van een bijzondere binding met de woning onvoldoende reden.

Verder is van belang in hoeverre

[naam 1]
en
[naam 2]
zelf geschikte vervangende woonruimte kunnen regelen, maar is ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Ter zitting hebben
[naam 1]
en
[naam 2]
aangegeven dat zij na de woningsluiting voor een korte periode terecht kunnen bij vrienden om de eerste nood op te vangen. De gemachtigde van de burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat zij zich voor eventuele hulp bij het zoeken naar vervangende woonruimte in de sociale sector ook nog steeds – zoals ook eerder al is toegezegd – kunnen wenden tot de gemeente en/of
[naam 3]
. Dat zij op straat komen te staan ligt dan ook niet in de lijn der verwachting, mits zij ook daadwerkelijk van dat aanbod gebruik gaan maken. Dit laatste raadt de voorzieningenrechter verzoekers aan.

Conclusie

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter zal het sluitingsbevel in bezwaar in

stand blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan geen

grond.

De bij de uitspraak van 9 mei 2022 getroffen voorlopige voorziening (de schorsing van het

sluitingsbevel) dient dan ook te worden opgeheven. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de schorsing van het sluitingsbevel op te heffen met ingang van donderdag 14 juli 2022 om 10.00 uur.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter heft de op 9 mei 2022 uitgesproken schorsing van het sluitingsbevel op met ingang van 14 juli 2022 om 10.00 uur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

R.K. Witteveen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier de voorzieningenrechter

is verhinderd de uitspraak te

ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158