Omgevingsrecht

Rechtbank Overijssel · Eerste aanleg - meervoudig · Omgevingsrecht

Rechtbank Overijssel, 24 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
24 augustus 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummer
ZWO 22/1507
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5694
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hersteluitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 22/1507


hersteluitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats], eisers ([eiser 1] en [eiser 2]),

gemachtigde: [gemachtigde],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder (GS).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Bio Verwerker Anerveen B.V. (BVA), uit Anerveen,

gemachtigde: mr. dr. D.G.J. Sanderink.

Overwegingen

1. Het is de rechtbank gebleken dat de uitspraak van 24 augustus 2026 een kennelijke fout bevat.

2. In de uitspraak van 24 augustus 2026 heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] een schadevergoeding van € 1.500 te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep. Zowel in rechtsoverweging 16.4 van de uitspraak als in het dictum onder het kopje ‘Beslissing’ staat dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die schadevergoeding moet betalen. Dat is onjuist. De minister van Justitie en Veiligheid moet worden veroordeeld tot het betalen van de schadevergoeding van € 1.500.

3. De rechtbank herstelt dit in deze hersteluitspraak.

Beslissing

De rechtbank herstelt de uitspraak van 24 augustus 2026, met kenmerk ZWO 22/1507, als volgt.

1. In rechtsoverweging 16.4 wordt de volgende zin:

‘Omdat de overschrijding geheel is toe te rekenen aan de rechterlijke fase, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) deze schadevergoeding betalen.’

vervangen door:

‘Omdat de overschrijding geheel is toe te rekenen aan de rechterlijke fase, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) deze schadevergoeding betalen.’

2. Onder het kopje ‘Beslissing’ wordt de volgende regel:

‘veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [eiser 1] en [eiser 2] een schadevergoeding van € 1.500 te betalen.’

vervangen door:

‘veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [eiser 1] en [eiser 2] een schadevergoeding van € 1.500 te betalen.’

De rechtbank laat voor het overige de uitspraak van 24 augustus 2026 ongewijzigd.

Aan deze hersteluitspraak is een exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en

mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak

is uitgesproken in het openbaar op

griffier

de voorzitter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Voorts brengt deze uitspraak geen wijziging in de termijn voor hoger beroep tegen de oorspronkelijke uitspraak.