Civiel recht overig

Meervoudige kamer. Gezagsbeëindiging. De Raad heeft onderzoek gedaan en besloten geen verzoek tot beëindiging…

Rechtbank Overijssel, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/345584 / FA RK 26-538
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6262
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Meervoudige kamer. Gezagsbeëindiging. De Raad heeft onderzoek gedaan en besloten geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader te doen. De GI is het hier niet mee eens en heeft de Raad op grond van artikel 1:267 lid 2 BW verzocht de rechter om een oordeel te vragen of een beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De rechtbank wijst het verzoek af. Het gezag van de ouders blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Almelo

Zaaknummer: C/08/345584 / FA RK 26-538

Beschikking van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad,

gevestigd te Almelo,

met betrekking tot

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen: [minderjarige 2].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. F. Pool,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

advocaat mr. R.W. Hoevers, en

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Hengelo (O).

De rechtbank merkt als informanten aan:

gezinshuisouders [gezinsouders],

hierna te noemen: de gezinshuisouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres, en

mevrouw [grootouder vz 1]/en haar partner de heer [grootouder vz 2],

hierna te noemen: grootouders vaderszijde,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. T. Seker.

1 Het verloop van de procedure

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de raad (met bijlagen), ontvangen op 3 maart 2026;

  • het verweerschrift van de moeder (met bijlagen), ontvangen op 28 april 2026;

  • de brief (met bijlagen) van de GI, ontvangen op 26 mei 2026;

  • de brief (met bijlagen) van de moeder, ingediend door mr. Krol, ontvangen op 28 mei 2026;

  • de brief (met bijlagen) van de GI, ontvangen op 11 augustus 2026;

  • de brief (met bijlagen) van de GI, ontvangen op 18 augustus 2026.

1.2 Op 7 september 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door mr. Pool;

  • mr. Hoevers namens vader;

  • mevrouw [gezinsouders], namens de gezinshuisouders;

  • de grootouders, bijgestaan door mr. Seker;

- [naam 1] namens de raad;

- [naam 2] namens de GI.

De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van de moeder van Actifaid.

1.3 Na de mondelinge behandeling is op 7 september 2026 met toestemming van de rechtbank een brief van de GI met bijlagen.

2 De feiten

2.1

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn sinds 12 januari 2021 uit huis geplaatst. Ze wonen sinds 24 mei 2022 in het gezinshuis van de gezinshuismoeders [gezinsouders].

2.3

Bij beschikking van 7 april 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het advies van de raad moet worden gevolgd, inhoudende dat dit perspectief in het gezinshuis ligt.

2.4

Bij beschikking van 18 maart 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de beschikking van 7 april 2023 bekrachtigd.

2.5

De GI heeft op 2 mei 2025 de raad verzocht onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel van zowel vader als moeder.

2.6

Bij beschikking van 3 november 2025 heeft deze rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de duur van een jaar tot 9 november 2026.

2.7

De raad heeft onderzoek gedaan en is tot de conclusie gekomen dat op dit moment geen gezagsbeëindigende maatregel nodig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.8

De GI heeft op 24 februari 2026 de raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is, omdat de raad niet tot een verzoek tot beëindiging van het gezag overgaat.

2.9

De GI heeft zich bij brief van 21 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3 Het verzoek van de raad

3.1

De raad vraagt het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. De raad heeft onderzoek gedaan. De raad overweegt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sensitieve meisjes zijn met ieder hun eigen problematiek en kwetsbaarheden. Binnen het kader van de hulpverlening is aandacht voor de kindproblematiek en wordt hulpverlening ingezet.

3.2

Vóór de uitspraak van het hof van 18 maart 2025 was sprake van een situatie waarin de ouders de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis niet konden accepteren en de kinderen daarmee werden belast. De ouders (met name moeder) geven tijdens het raadsonderzoek aan dat zij nu geaccepteerd hebben dat de kinderen niet bij hen wonen. Hoewel moeder dit een moeilijke beslissing blijft vinden, wil zij de kinderen niet langer belasten met haar diepste wens om zelf voor hen te kunnen zorgen. De medewerkers van Curess die de omgang begeleiden geven aan dat de omgang al lange tijd goed en positief verloopt. De moeder uit zich ook in het bijzijn van Curess verbaal niet (meer) negatief over de gezinshuisouders. Meer dan voorheen probeert de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te laten voelen dat zij achter de plaatsing staat. De raad ziet op basis hiervan geen directe noodzaak om het gezag van moeder op dit moment te beëindigen.

3.3

De vader heeft zich (al eerder dan moeder) neergelegd bij het feit dat de kinderen niet bij hem opgroeien, zodat ook ten aanzien van de vader hierin geen directe aanleiding bestaat om het gezag te beëindigen. De positie van de vader is anders dan die van de moeder nu hij geen invulling geeft aan zijn gezagspositie, vanwege zijn eigen problematiek en afwezigheid in het leven van de kinderen. Er zijn geen actuele voorbeelden (na de uitspraak van het hof van 18 maart 2025) waaruit aantoonbaar naar voren komt dat de ouders niet in het belang van hun kinderen handelen (door niet samen te werken of toestemming te weigeren).

3.4

De moeder voelt zich niet gehoord door de jeugdbeschermer en de gezinshuisouders. De jeugdbeschermer en de gezinshuisouders hebben geen vertrouwen in ouders (met name moeder). De raad ziet mogelijkheden én kansen in het herstellen van het onderlinge vertrouwen. Dit zou een positieve bijdrage kunnen leveren aan het invulling geven van de gezagspositie door beide ouders en hun rol als ouder op afstand. Indien het de moeder blijvend lukt om haar houding richting kinderen, gezinshuisouders en GI positief te houden dan kunnen de kinderen uit het loyaliteitsconflict komen. De raad is hierdoor van mening dat het inzetten op herstel van vertrouwen meer bijdraagt aan het opheffen van het loyaliteitsconflict dan het op dit moment uitspreken van een gezagsbeëindigende maatregel.

3.5

De raad kan zich voorstellen dat het helpend kan zijn in het proces van herstel van vertrouwen als er meer kennis aanwezig is over de persoonlijke problematiek van ouders. Vanwege hun beperkte leerbaarheid hebben zij beperkte verandermogelijkheden. Dit vraagt van professionele betrokkenen een grote inzet. De raad geeft als overweging mee om gebruik te maken van de expertise van de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. Omdat de raad betrokkenen adviseert om met elkaar een nieuwe weg in te slaan nu het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds de uitspraak van het hof duidelijk is, wil de raad de vader de mogelijkheid bieden om hiervan mee te profiteren. De raad maakt zich zorgen over welk effect het heeft op de kinderen wanneer een gezagsbeëindiging van de vader wordt verzocht, maar niet voor de moeder, en de ouders daarmee in een ongelijke positie komen te staan. Vooralsnog lijkt het erop dat dit strijd verhogend gaat werken en dat dit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen maar meer onduidelijkheid en onrust gaat opleveren.

3.6

De raad herhaalt het advies vanuit het NIFP-rapport dat de moeder hulp zoekt voor zichzelf, zodat zij beter kan omgaan met stress en emoties en haar eigen trauma’s kan verwerken, zodat dit door kan werken in de contacten met de kinderen en de gezinshuisouders. Een verbetering van haar emotieregulatie zal bijdragen aan een meer positieve interactie met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de omgangsmomenten en een constructievere samenwerking met de gezinshuisouders mogelijk maken. Tevens adviseert de raad de vader om hulp te zoeken bij zijn verslavingsproblematiek, zodat hij leert om beter aan te sluiten bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en daarmee de kwaliteit van zijn contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan verbeteren.

4 Het standpunt van de GI

4.1

De GI is het niet eens met de visie en de conclusie van de raad. De GI acht een beëindiging van het gezag van de ouders noodzakelijk. De GI onderbouwt dit als volgt.

4.2

Binnen dit dossier is vanaf de start van de ondertoezichtstelling in 2018 in de grondhouding van de ouders niets veranderd ten aanzien van hun kijk op een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, het geven van toestemming, angst voor de GI, hulpverlening het liefst willen mijden, het tonen van zelfbepalend gedrag en het ontbreken aan inzicht en vaardigheden. Deze houding bestaat al acht jaar en blijkt een vast patroon te zijn, waarin met name moeder een juridische strijd heeft gevoerd. Het is naar de mening van de GI dan ook niet aannemelijk dat moeder daar nu een andere houding in zal aannemen en zal samenwerken. De GI ervaart onverminderd strijd vanuit de moeder in de samenwerking, waarmee zij niet uitstraalt naar de kinderen de plaatsing bij gezinshuisouders te accepteren. Bovendien is het volgens de GI ongeloofwaardig dat de moeder instemt met deze plaatsing, gezien haar reacties tijdens de zitting bij het hof waarin zij nog steeds aangaf dat de kinderen bij haar teruggeplaatst hoorden te worden. Bovendien bleef moeder tijdens de evaluatie met Curess in augustus 2025 bij haar opvatting dat de kinderen nog steeds bij haar teruggeplaatst kunnen worden. Dat vindt de GI zorgelijk en dient niet het belang van de kinderen. Door de ontbrekende acceptatie en daarmee (emotionele) toestemming van moeder, blijven de kinderen geconfronteerd met loyaliteitsproblematiek.

4.3

Deze houding van moeder belemmert de samenwerking en is niet in het belang van de kinderen, omdat de moeder hiermee niet uitstraalt naar de kinderen de plaatsing van hen bij gezinshuisouders te accepteren en er nog steeds geen rust ontstaat voor de kinderen. De GI is van oordeel dat de kinderen recht hebben op rust, stabiliteit, continuïteit en een verder ongestoorde hechting en ontwikkeling. Daar komt bij dat het niet lukt om hulpverleningstrajecten die de kinderen echt nodig hebben soepel te laten verlopen, bijvoorbeeld doordat ouders het niet eens worden over het nog aan te leveren levensverhaal van de kinderen.

4.4

Als het gezag van de ouders blijft voortduren houdt dat tevens in dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd kunnen worden tot aan het 18e levensjaar van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder kan dan rechtsmiddelen blijven gebruiken met als gevolg dat de strijd doorgaat. De doelstelling van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing is een terugplaatsing bij (één van) de ouders. Volgens de GI schuurt dat, omdat de verwachting kan blijven bestaan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] teruggaan naar de moeder. De GI heeft binnen dit dossier het totaaloverzicht en volgens de GI zijn het verleden, heden en de toekomst verbonden met elkaar. Er kan niet zomaar een streep onder het verleden en recente heden worden getrokken waarmee het belaste verleden voor deze kinderen, die daar schade aan hebben ondervonden en ondervinden, genegeerd wordt.

4.5

De huidige jeugdbeschermer wil graag verbonden blijven bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de voogd van hen worden als het gezag van de ouders beëindigd wordt.

5 Het verweer van de moeder

5.1

De moeder voert verweer. Ze verzoekt de rechtbank om haar gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet te beëindigen. De moeder stelt dat het niet noodzakelijk is en daarmee in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), om haar gezag te beëindigen.

5.2

De moeder stemt wel degelijk volledig in met het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezinshuisouders en zij ziet in dat de gezinshuisouders goed voor hen zorgen. Zoals bij de meeste ouders - in een vergelijkbare situatie - het geval zal zijn, koestert moeder diep van binnen nog altijd de volgens haar natuurlijke wens om op enig moment weer geheel zelf voor de minderjarigen te kunnen zorgen. Zij begrijpt echter dat dit thans niet mogelijk is en haar handelen laat zien dat moeder deze wens niet probeert te verwezenlijken. Zo geeft moeder aan dat zij de minderjarigen niet belast met uitspraken over het al dan niet bij moeder komen wonen, hetgeen de raad ook erkent. Dat de verwachting niet langer gerechtvaardigd is dat moeder binnen de voor de minderjarigen aanvaardbare termijn zelf de opvoeding en verzorging over hen op zich zal kunnen nemen, betwist moeder niet. Dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen is verstreken is volgens moeder op zichzelf staand onvoldoende reden om haar gezag te beëindigen. Volgens de moeder zijn er sinds de beschikking van het hof geen situaties geweest waarin aantoonbaar naar voren komt dat de ouders niet in het belang van hun kinderen handelen.

5.3

Volgens de moeder is het voldoende duidelijk dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezinshuisouders ligt. Dat een gezagsbeëindiging pas echt voor duidelijkheid zal zorgen betwist moeder. Met de raad is moeder van mening dat het inzetten op het vertrouwen nu het meest van belang is voor het opheffen van het loyaliteitsconflict van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder staat daarvoor open en heeft ook meerdere keren toenadering gezocht tot de gezinshuisouders. Dat de gezinshuishouders vanwege het verleden wat huiverig zijn op dit vlak respecteert moeder. Toch zal zij zich blijven inzetten om het vertrouwen te herstellen. De GI heeft volgens haar helaas tot nu toe niets ingezet om tot een betere samenwerking te komen. Zij hoopt alsnog op een betere samenwerking met de GI en de gezinshuisouders.

6 Het verweer van de vader

6.1

De vader was niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling. De advocaat van vader heeft namens hem gezegd dat vader zich aansluit bij het standpunt van moeder. De vader wil het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behouden. De vader wil graag meer zijn vaderrol op zich nemen. Het afgelopen half jaar heeft een positieve verandering plaatsgevonden. De ouders kunnen beter met elkaar communiceren. De vader heeft geen gezagsbeslissingen gefrustreerd. Er liggen nog kansen en er kan hulpverlening ingezet worden om verder te werken aan de onderlinge samenwerking tussen de ouders, de gezinshuisouders en de GI. De vader realiseert zich, net als de moeder, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezinshuisouders zullen opgroeien. De vader vindt het kwalijk dat hij wordt neergezet als iemand waar niet mee te praten valt. Als de kinderen vader nodig hebben dan is hij er, op zijn eigen manier, voor de kinderen.

7 Het standpunt van de gezinshuisouders

7.1

De gezinshuisouders zijn van mening dat een gezagsbeëindiging in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder kan niet goed inschatten wat de kinderen nodig hebben. Ook lukt het de moeder niet om de gezinshuisouders te ondersteunen in de manier waarop zij handelen voor de meiden. Er is geen toestemming voor het vastleggen van belangrijke informatie over het verleden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De samenwerking tussen gezinshuisouders en moeder is ingewikkeld en kent een geschiedenis van veel onrust en conflicten. Het lukt de gezinshuisouders niet om een goed contact met moeder aan te gaan. Op dit moment is er geen rechtstreeks contact met de moeder. Ook het nemen van beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloopt moeizaam. Moeder zorgt regelmatig voor veel onrust bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Hoewel er misschien tegen hen wordt gezegd dat zij bij het gezinshuis mogen blijven wonen, voelen de kinderen dat niet. Ze zijn de controle over hun leven kwijtgeraakt en ze zijn nog steeds bang dat ze op enig moment toch ergens anders moeten gaan wonen. Ze hebben geen vertrouwen dat ze altijd bij de gezinshuisouders mogen blijven. Het traject rondom het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de overplaatsingen hebben hen beschadigd. De gezinshuisouders hebben al vaak herhaald dat ze bij de gezinshuisouders kunnen en mogen blijven, maar toch twijfelen ze daaraan. De kinderen hebben behoefte aan rust en duidelijkheid. De gezinshuisouders verwachten dat de strijd tussen alle volwassenen wordt opgeheven door een gezagsbeëindigende maatregel.

7.2

De gezinshuisouders vinden het belangrijk dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] duidelijkheid krijgen over wie de verantwoordelijkheid draagt voor de beslissingen die voor hun ontwikkeling noodzakelijk zijn. De afhankelijkheid van toestemming voor belangrijke zaken zorgt bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor onrust, terwijl ze juist behoefte hebben aan een opvoedsituatie waarin langdurige continuïteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid centraal staan. Daarom moet de voogdij bij de GI komen te liggen. Ook in de toekomst hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverlening en zorg nodig. De ouders zijn op dit moment nog financieel verantwoordelijk, wat ervoor zorgt dat (aanvullende) zorgkosten voor rekening van het gezinshuis komen als de zorgpolis bepaalde kosten niet dekt en de ouders die kosten niet betalen. Als de GI de voogdij heeft dan kunnen de gezinshuisouders en de GI direct inzetten wat nodig is voor hen. Het is voor gezinshuisouders moeilijk te bevatten waarom de raad het advies heeft gegeven om niet tot gezagsbeëindiging over te gaan. Zij hebben het concept raadsrapport niet van tevoren ontvangen en hebben zich niet kunnen inlezen, ondanks een verzoek van de GI aan de raad om dit voor de bespreking aan de gezinshuisouders toe te zenden.

8 Het standpunt van de grootouders vaderszijde

8.1

De grootouders zijn zeer betrokken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ze genieten van het contact dat ze met elkaar hebben. De grootouders zien dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar zij zien ook twijfels bij hen over de plek waar ze mogen opgroeien. De grootouders zijn blij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis wonen. Ze kunnen zich daar goed ontwikkelen. Hoewel oma vindt dat de GI tot zover goede beslissingen heeft genomen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is zij ook bang dat de jeugdbeschermer de omgang steeds verder zal verminderen wanneer de GI de voogdij krijgt. Oma is de meest stabiele factor in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ze heeft goede contacten met de GI en de gezinshuisouders. Oma heeft elke drie weken omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Oma wil daarom eigenlijk het liefst zelf de volledige voogdij, maar ze beseft dat zij daartoe geen verzoek kan doen. Als de raad tot de conclusie komt dat de voogdij bij de GI moet worden belegd zal oma zich daarbij neerleggen.

9 De beoordeling

De processuele positie van de GI

9.1

De rechtbank merkt de GI aan als belanghebbende in deze procedure. De beslissing op grond van artikel 1:267, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW) heeft rechtstreeks gevolgen voor de door de GI te vervullen taken, omdat bij een gezagsbeëindiging van de ouders niet langer sprake zal zijn van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing, maar van een voogdijmaatregel.

Het wettelijk criterium

9.2

De raad en de GI hebben verschillende visies over de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. De raad ziet daartoe geen noodzaak, maar de GI wel.

9.3

Volgens artikel 1:267, tweede lid, BW heeft de GI de mogelijkheid om, in het geval er een verschil van mening bestaat tussen de raad en de GI over de vraag of een gezagsbeëindiging aangewezen is, de raad te verzoeken aan de rechtbank een oordeel te vragen ten aanzien van de noodzaak van deze maatregel. De rechtbank kan vervolgens ambtshalve de gezagsbeëindiging uitspreken.

9.4

De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW het gezag van een ouder beëindigen, indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

9.5

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt de rechtbank dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouder de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

9.6

De rechtbank stelt voorop dat beëindiging van het gezag een maatregel is die diep ingrijpt in het leven van zowel de ouders waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige over wie het gezag wordt uitgeoefend.

Het oordeel van de rechtbank

9.7

Voor de rechtbank staat vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een zeer belaste voorgeschiedenis hebben. Ze hebben in hun eerste levensfase ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en zij hebben geen veilige en stabiele opvoedsituatie gehad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn al op zeer jonge leeftijd uit huis geplaatst en hebben verschillende woonplekken gehad. Inmiddels verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ruim vier jaar in het huidige gezinshuis. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben begeleid contact met hun ouders. Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is sprake van hechtingsproblematiek en gedragsproblemen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Ook is PTSS vastgesteld bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. In het gezinshuis ontwikkelen de kinderen zich goed en zij kunnen daar blijven wonen. Het perspectief van de kinderen ligt bij de gezinshuisouders. Dat is ook door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vastgesteld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gebaat bij de rust en regelmaat die zij aangeboden krijgen. De huidige stabiliteit helpt hen zich veilig te voelen en zich te ontwikkelen. Dit is terug te zien op school en bij de speltherapie.

9.8

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De ouders zijn niet in staat de verantwoordelijkheid en opvoeding over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen. In zoverre is formeel voldaan aan de wettelijke vereisten voor een gezagsbeëindiging.

Dat neemt echter niet weg dat de maatregel van gezagsbeëindiging een ingrijpende maatregel is, die slechts kan worden uitgesproken indien deze noodzakelijk is en minder vergaande maatregelen onvoldoende soelaas bieden (artikel 8 EVRM). Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. In het geval van een gezagsbeëindiging moet daadwerkelijk gebleken zijn dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Een gezagsbeëindiging is namelijk een zeer zwaar middel dat alleen in uitzonderlijke gevallen dient te worden toegepast. Dat het perspectief niet bij de niet-verzorgende ouder ligt betekent niet zonder meer dat het gezag van die ouder beëindigd moet worden.

9.9

Naar het oordeel van de rechtbank is op dit moment niet gebleken dat de gezagsbeëindiging noodzakelijk is en dat het doel van een gezagsbeëindiging in dit geval niet kan worden bereikt met minder vergaande maatregelen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

9.10

Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] essentieel dat zij zich verder kunnen hechten in het gezinshuis en dat zij zich veilig voelen. De gezinshuisouders bieden de kinderen deze veiligheid en weten adequaat en sensitief om te gaan met hun problematiek. De ouders (met name moeder) hebben moeite gehad met de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis. De moeder heeft de kinderen in het verleden belast met haar wens om zelf voor hen te willen zorgen en moeder is wantrouwend geweest over de verzorging en opvoeding door gezinshuisouders. De moeder lijkt na de uitspraak van het hof van maart 2025 over het perspectiefbesluit eindelijk de berusting te hebben gevonden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis opgroeien. De rechtbank constateert dat de moeder ná de uitspraak van het hof in ieder geval naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft uitgedragen dat hun perspectief in het gezinshuis ligt. Dit wordt door Curess en Actifaid bevestigd. De rechtbank is ook niet gebleken van andere signalen. Tijdens de mondelinge behandeling bleek uit mededelingen van gezinshuismoeder [gezinsouders] en de GI dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kennelijk toch onzekerheid ervaren over de plek waar zij opgroeien. De rechtbank stelt vast dat alle betrokkenen duidelijk naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitdragen dat zij in het gezinshuis blijven wonen. Toch is het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijkbaar moeilijk om dit te geloven. Deze onzekerheid over waar ze opgroeien komt mogelijk voort uit trauma’s bij de kinderen zelf, waardoor zij mogelijk nog geen vertrouwen hebben dat zij ergens kunnen blijven. Dat een gezagsbeëindiging van de ouders meer duidelijkheid geeft over hun verblijf in het gezinshuis is niet gebleken. De kinderen zullen nu het verschil tussen ouders die wel of die geen gezag (meer) over hen hebben nog niet kennen.

9.11

Dat de jeugdbeschermer en de gezinshuisouders na eerdere ervaringen sceptisch zijn of moeder daadwerkelijk blijft uitdragen naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat hun perspectief bij de gezinshuisouders ligt, is begrijpelijk. Het lijkt er nu echter wel op dat moeder voorzichtig een verandering laat zien. Of zij het volhoudt om dit uit te dragen naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden bezien. De moeder moet in ieder geval de kans krijgen om te laten zien dat zij dit kan blijven uitdragen. Gelet op de huidige houding van moeder is gezagsbeëindiging niet noodzakelijk. De rechtbank merkt op dat als toch blijkt dat moeder in negatieve patronen blijft zitten en aan de kinderen gaat trekken, de situatie in de toekomst dan wellicht anders kan worden en dat gezagsbeëindiging dan mogelijk wel noodzakelijk zal zijn.

9.12

Uit de stukken en hetgeen over dit onderwerp ter zitting is besproken blijkt niet dat de ouders gezagsbeslissingen frustreren waardoor gezagsbeëindiging noodzakelijk zou zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI een toelichting gegeven over de situatie in het afgelopen half jaar ten aanzien van de omgang, de inzet van ‘Words and Pictures’, de discussie tussen de moeder en de gezinshuisouders over ziektekosten en de klacht die de moeder bij de GI heeft ingediend over de samenwerking. De rechtbank is van oordeel dat ook hieruit niet blijkt dat de ouders gezagsbeslissingen frustreren. Deze voorbeelden gaan niet over de invulling van het gezag. Tot nu toe kon alle hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met toestemming van de ouders worden ingezet. Volgens de GI en de gezinshuisouders verloopt de inzet van hulpverlening moeizaam. De ouders hebben blijkbaar wel hun toestemming gegeven om traumatherapie in te zetten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Dat de ouders een verschillende beleving hebben van het verleden kan lastig zijn voor het vastleggen van het levensverhaal van de kinderen en de vormgeving van de therapie, maar ook dit staat los van het gezag. Deze situatie zal niet wijzigen door een gezagsbeëindiging, want de ouders zullen het oneens blijven over hetgeen zich in het verleden heeft afgespeeld. De hulpverlening zal vanaf september 2026 een deel van het verhaal vertellen via ‘Words and Pictures’ en zodoende verder werken aan het verwerken van de trauma’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

9.13

De rechtbank stelt vast dat de situatie tussen de ouders, de gezinshuisouders en de jeugdbeschermer zeer gespannen is. De samenwerking en het contact tussen hen staat onder druk door hetgeen zich in het verleden heeft afgespeeld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren dat de belangrijke volwassenen (hun ouders, de gezinshuisouders en de jeugdbeschermer) verschillen van mening over wat goed is voor hen en hoe eenieder betrokken kan zijn bij hun verzorging, ontwikkeling en opvoeding. De rechtbank is met de raad en anders dan de GI van oordeel dat een investering in het herstel van het contact tussen de ouders (met name moeder), de gezinshuisouders en de jeugdbeschermer op dit moment op zijn plaats is. Zowel de GI als de ouders zeggen te willen samenwerken, maar feitelijk komt dat kennelijk nog niet goed van de grond. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is van belang dat zij contact met alle belangrijke mensen in hun leven kunnen hebben zonder in een loyaliteitsconflict te worden betrokken of te moeten kiezen. Het is van groot belang dat alle betrokkenen constructief met elkaar in gesprek (blijven) gaan en dat zij een goed contact met elkaar hebben. Deze op overleg gerichte houding wordt van zowel de ouders als de GI en de gezinshuisouders verwacht. De rechtbank realiseert zich dat dit veel inzet en energie vergt van zowel de ouders als de jeugdbeschermer, maar allen zijn dit aan de kinderen verplicht. Hoewel de moeder recent heeft gezegd meer in verbinding te willen zijn met de gezinshuisouders en meer wil samenwerken, houden de gezinshuisouders dat op dit moment helaas wellicht nog wat af vanwege de negatieve geschiedenis die zij hebben met de moeder. De jeugdbeschermer zal meer dan tot nu toe is gebeurd moeten investeren om de relatie tussen alle volwassenen beter te krijgen.

9.14

De rechtbank zal dus niet ambtshalve de beëindiging van het gezag van de ouders uitspreken. Als gevolg van deze beslissing blijven de ouders belast met het ouderlijk gezag, zij het dat dit wordt beperkt door de voortzetting van de ondertoezichtstelling.

9.15

Omdat met name oma ook een belangrijke rol heeft gehad in deze procedure

Zal zij met instemming van alle betrokkenen ook een afschrift van deze beschikking ontvangen. Oma kan steunend zijn voor zowel de ouders als [minderjarige 1] en [minderjarige 2], want zij betekent heel veel voor de kinderen. Belangrijk is dat zij tijdens de omgangsmomenten tegen de kinderen zegt dat zij bij de gezinshuismoeders blijven wonen en daar zullen opgroeien. Daarmee ondersteunt zij de GI en de gezinshuismoeders.

10 De beslissing

10.1

De rechtbank stelt vast dat beëindiging van het gezag van de ouders niet noodzakelijk is.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026 door

mr. J.H. Olthof, mr. M. H. van der Lecq en mr. P.M.F. Schreurs, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. A.M. Albers als griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.