Bestuursprocesrecht
Varia, tijdelijke parkeervergunning afgewezen
Rechtbank Rotterdam, 5 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13891 · Rechtbank Rotterdam · 5 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/proces-verbaal/ecli-nl-rbrot-2026-13891
Zaakgegevens
Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/75
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Proces-verbaalProces-verbaalHet schriftelijke verslag van de zitting, soms met de mondelinge uitspraak van de rechter erin.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:13891
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Varia, tijdelijke parkeervergunning afgewezen
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/75
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tijdelijke parkeervergunning. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 1 november 2025 afgewezen. Met een besluit van 9 december 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2026 op een zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser woont in een appartementencomplex in [locatie 1] op het adres [straatnaam]. Hij werkt in [locatie 2] als wijkverpleegkundige.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij als wijkverpleegkundige in [locatie 2] een sleutelberoep uitvoert en hij daarvoor zijn auto nodig heeft.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. De rechtbank licht dit hierna toe.
Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat bij het adres waarvoor eiser de aanvraag heeft gedaan, sprake is van een gebouw waarvoor een omgevingsvergunning is verleend met gebruik van een bijzondere vrijstelling van de parkeereis. Het college heeft de afwijzing uitvoerig toegelicht in het bestreden besluit. Dat eiser, gelet op de toepasselijke regels, niet in aanmerking komt voor een parkeervergunning, heeft hij op zichzelf niet bestreden.
De rechtbank begrijpt dat eiser van mening is dat het college op grond van de hardheidsclausule of op grond van het evenredigheidsbeginsel tot een andere beslissing had moeten komen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Hoewel de rechtbank onderkent dat het niet beschikken over een parkeervergunning voor eiser nadelige gevolgen kan hebben, wijkt eisers situatie niet voldoende wezenlijk af van andere gevallen waarin een groot belang bij een parkeervergunning bestaat.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.