Bestuursrecht overig

Verzoek om een voorlopige voorziening. Het dagelijks bestuur heeft verzoeksters schuldhulpverlening beëindigd…

Rechtbank Rotterdam, 6 juli 2026

Zaakgegevens

Op 6 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 juli 2026
Datum publicatie
7 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4858
Procedure
Proces-verbaal
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8106
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening. Het dagelijks bestuur heeft verzoeksters schuldhulpverlening beëindigd omdat zij verschillende voorwaarden voor de schuldhulpverlening niet is nagekomen. Een andere rechter van deze rechtbank heeft een moratorium (afkoelingsperiode) toegekend waarmee ontruiming van verzoeksters woning wordt voorkomen. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. Verzoekster dient wel te beseffen dat dit mogelijk haar laatste kans is. Het verzoek wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/4858


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman),

en

het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS

(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 29 mei 2026 heeft het dagelijks bestuur verzoeksters schuldhulpverlening beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. D.A. IJpelaar als waarnemer van de gemachtigde van verzoekster en M. van Oorschot (bewindvoerder).

3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

4. Verzoekster is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft in 2022 deelgenomen aan het Project Ontruimingspreventie (POP-traject) om ontruiming van haar woning te voorkomen. Verzoekster heeft daarna weer nieuwe schulden opgebouwd, waaronder bij [Bedrijf] (de verhuurder van haar woning). De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft verzoekster in april 2026 daarom onder bewind gesteld.

5. Verzoekster heeft in april 2026 schuldhulpverlening aangevraagd. Het dagelijks bestuur heeft dit toegekend met het besluit van 13 april 2026. Daarbij zijn er aan verzoekster enkele verplichtingen opgelegd, waaronder dat zij niet naar het buitenland mag vertrekken en dat een aanvraag voor kort verblijf in het buitenland eerst zal worden besproken met de schuldhulpverlening, Minters Ontruimingspreventie en de verhuurder. Daarnaast moet verzoeksters bewindvoerder aangeven of de reis ook financieel haalbaar is. Verder heeft het dagelijks bestuur een plan van aanpak opgesteld en aan verzoekster gevraagd of zij die voor 28 april 2026 wil ondertekenen en terugsturen. Ook is verzoekster uitgenodigd voor een gesprek met de consulent schuldhulpverlening op 18 mei 2026.

6. Verzoekster is eind april 2026 naar Curaçao gegaan en heeft dit op 28 april 2026 meegedeeld aan haar bewindvoerder. Het dagelijks bestuur heeft dit op 13 mei 2026 vernomen. Verzoekster heeft het plan van aanpak niet ondertekend en is ook niet verschenen op de afspraak van 18 mei 2026.

7. Het dagelijks bestuur heeft verzoekster op 18 mei 2026 een herstelbrief gestuurd en haar in de gelegenheid gesteld om voor 26 mei 2026 het ondertekende plan van aanpak terug te sturen en een nieuwe afspraak te maken met de consulent schuldhulpverlening. In de brief staat dat de schuldhulpverlening zal worden beëindigd als verzoekster hier niet aan voldoet.

Waar gaat het in deze zaak om?

8. Het dagelijks bestuur heeft de schuldhulpverlening beëindigd, omdat verzoekster verschillende voorwaarden voor de schuldhulpverlening niet is nagekomen. Zij is zonder overleg met het dagelijks bestuur naar het buitenland vertrokken, heeft het plan van aanpak niet ingeleverd en heeft geen nieuwe afspraak gemaakt. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de schuldhulpverlening vooralsnog wordt voortgezet.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het dagelijks bestuur bevoegd was om de schuldhulpverlening te beëindigen. Verzoekster is namelijk meerdere voorwaarden voor de schuldhulpverlening niet nagekomen Tijdens de zitting is gesproken over de belangen van verzoekster. Verzoekster heeft toegelicht dat een andere rechter van deze rechtbank een moratorium (afkoelingsperiode) ter opschorting van de ontruiming van haar woning voor zes maanden heeft toegekend, omdat de lopende huur wordt betaald en kan worden betaald. Daarnaast speelde volgens verzoekster in de toekenning mee dat zij nog een procedure had lopen over de beëindiging van haar schuldhulpverlening. Verzoekster heeft door het moratorium de mogelijkheid gekregen om het schuldhulpverleningstraject (verder) op te starten. Het dagelijks bestuur heeft ook een belang. Er wordt veel tijd en moeite gestoken om verzoekster te helpen om van haar schulden af te komen, maar van verzoekster wordt ook een inspanning verwacht.

11. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeksters belangen op dit moment zwaarder wegen dan de belangen van het dagelijks bestuur. Verzoekster dient wel te beseffen dat dit mogelijk haar laatste kans is. Zij zal alle voorwaarden voor de schuldhulpverlening moeten nakomen, ook als die naar haar idee onzinnig zijn.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

13. De voorzieningenrechter vindt dat het dagelijks bestuur op zich een juiste beslissing heeft genomen door het schuldhulpverleningstraject te beëindigen. Na het bestreden besluit is er een moratorium toegekend en hierdoor valt de belangenafweging nu uit in het voordeel van verzoekster. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht, omdat het aan verzoekster zelf te wijten is dat zij deze procedure heeft moeten voeren.

14. Verzoekster is erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026 door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.