Bestuursrecht overig
Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker is marktondernemer en heeft een uitnodiging gekregen voor…
Rechtbank Rotterdam, 29 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7519 · Rechtbank Rotterdam · 29 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-7519
Zaakgegevens
Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Datum publicatie
- 29 juni 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/4851
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7519
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker is marktondernemer en heeft een uitnodiging gekregen voor het kiezen van een nieuwe marktplaats. Hij is het daar niet mee eens. Het griffierecht is niet op tijd betaald. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Bovendien is er nog geen sprake van een besluit.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4851
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Inleiding
1. Het college heeft op 8 mei 2026 een e-mail gestuurd naar Rotterdamse marktondernemers met als onderwerp ‘vooraankondiging plaatskiezen centrummarkt’. Hierin staat dat er opnieuw plaatsen gekozen moeten worden op de centrummarkt, vanwege de renovatie van de centrale bibliotheek. Het plaatskiezen zal plaatsvinden op 29 juni 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Het college heeft op 2 juni 2026 een e-mail gestuurd naar Rotterdamse marktondernemers met als onderwerp ‘uitnodiging opnieuw plaatskiezen markt centrum’. Dit betreft een uitnodiging voor het plaatskiezen voor vasteplaatshouders van de branches consumptie en kramerij voor 29 juni 2026. Op 5 juni 2026 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
4. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 10 juni 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL blijkt dat geprobeerd is om de aangetekend verzonden brief op 12 juni 2026 te bezorgen, maar dat dit niet is gelukt. De brief kon vanaf 13 juni 2026 worden afgehaald bij een PostNL-punt. Verzoeker heeft de brief niet afgehaald en heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Is er sprake van een besluit?
6. De voorzieningenrechter vindt het belangrijk om verzoeker nog het volgende mee te geven. Verzoeker kan bezwaar maken en beroep instellen tegen een besluit. Er is (kort gezegd) sprake van een besluit als daarmee een bepaald rechtsgevolg intreedt. Verzoeker heeft een plaats op de centrummarkt. Hij twee e-mails gekregen om een nieuwe plaats te kiezen, maar die e-mails hebben op dit moment nog geen gevolgen voor hem; hij heeft namelijk nog geen andere plaats toegewezen gekregen. Er is met die e-mails nog geen rechtsgevolg ingetreden en dus is er geen sprake van een besluit. Pas als verzoeker een nieuwe plaats wordt toegewezen, zal er sprake zijn van een rechtsgevolg. De schriftelijke toekenning of bevestiging van een nieuwe plaats is dan wel een besluit. Als verzoeker het niet eens is met die nieuwe plaats, dan kan hij daartegen bezwaar maken en de gronden aanvoeren die hij nu tegen de e-mails heeft aangevoerd. Met andere woorden: verzoeker is op dit moment te vroeg met het instellen van procedures.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te tekenen
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: