Bestuursrecht overig
Verzoek om een voorlopige voorziening. Toekenning van een bijstandsuitkering aan verzoeker met een…
Rechtbank Rotterdam, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8306 · Rechtbank Rotterdam · 10 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-8306
Zaakgegevens
Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Datum publicatie
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/3813
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8306
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om een voorlopige voorziening. Toekenning van een bijstandsuitkering aan verzoeker met een niet-rechthebbende partner. De uitkering is afgestemd zodat verzoeker een uitkering krijgt die qua hoogte gelijk is aan de norm voor een alleenstaande. De rechtbank heeft (de gemachtigde van) verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang met financiële stukken te onderbouwen. Verzoeker heeft geen financiële stukken ingeleverd. Het spoedeisend belang is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast ligt het verstrekken van een hogere uitkering niet voor de hand. De uitkering is namelijk niet bedoeld om te voorzien in het levensonderhoud van verzoekers niet-rechthebbende partner. Het verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3813
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.
Inleiding
1. Verzoeker en zijn partner [naam] hebben op 9 februari 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd. Met het bestreden besluit van 25 april 2026 heeft het college aan verzoeker een bijstandsuitkering toegekend en geoordeeld dat zijn partner geen recht heeft op een uitkering. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
4. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat verzoekers partner geen geldige verblijfsvergunning heeft en daarom geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Aan verzoeker heeft daarom recht op een bijstandsuitkering van 50% van de gehuwdennorm. Daarnaast is de uitkering afgestemd op verzoekers persoonlijke situatie, waardoor hij een uitkering krijgt die gelijk is aan de norm voor een alleenstaande.
5. Verzoeker voert aan dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechtbank heeft (de gemachtigde van) verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang te onderbouwen met een overzicht van zijn inkomsten en vaste lasten, en een bewijsstuk van het saldo van zijn bank- en spaarrekening. Verzoeker heeft vervolgens aangevoerd dat hij aanzienlijke betalingsachterstanden en schulden heeft. Zijn partner is niet in staat om inkomsten te genereren, waardoor zij volledig afhankelijk zijn van de aan verzoeker toegekende uitkering. Volgens verzoeker beschikt het college over gegevens waaruit de structurele en problematische financiële situatie blijkt.
6. Verzoeker heeft de door de rechtbank gevraagde financiële stukken niet ingeleverd. Hij heeft daarom het spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat verzoeker in beginsel rond zou moeten kunnen komen van een bijstandsuitkering die qua hoogte gelijk is aan de norm voor een alleenstaande. Het verstrekken van een hogere uitkering ligt niet voor de hand. De uitkering is namelijk niet bedoeld om te voorzien in het levensonderhoud van verzoekers niet-rechthebbende partner. De conclusie is dan ook dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: