Personen- en familierecht

In kort geding niet-ontvankelijk in verzoek schorsing net gewijzigde voorlopige voorzieningen…

Rechtbank Rotterdam, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
18 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/723550 / KG ZA 26-764
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. A. Kaynak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14236
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

In kort geding niet-ontvankelijk in verzoek schorsing net gewijzigde voorlopige voorzieningen, proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht

Zittingsplaats Rotterdam

Zaaknummer: C/10/723550 / KG ZA 26-764

Vonnis in kort geding van 17 september 2026

in de zaak van

[naam man] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Kaynak,

tegen

[naam vrouw] ,

te [plaats 1] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Koçak.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 4 augustus 2026 met bijlagen;

  • het bericht van de man van 24 augustus 2026;

  • de nadere akte tot wijziging c.q. aanvulling vorderingen van 26 augustus 2026 met bijlagen van de man;

  • het bericht van de man van 28 augustus 2026 met bijlagen;

  • de conclusie van antwoord van de vrouw van 1 september 2026 met producties.

1.2

De zaak is behandeld op 3 september 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .

1.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnota overgelegd, die zij heeft voorgedragen. Deze is aan het dossier gevoegd.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats 2] (Turkije) met elkaar gehuwd.

2.2

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] (Saoedi-Arabië);

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] (Saoedi-Arabië);

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] (Saoedi-Arabië).

2.3

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2025 is tussen partijen in het

kader van voorlopige voorzieningen bepaald dat de man en de vrouw om de week

gedurende een week bij uitsluiting van de ander gerechtigd zijn tot het gebruik van de

echtelijke woning aan [adres] te Rotterdam (hierna: echtelijke woning), met

het bevel aan de ander om de woning in de betreffende week te verlaten en een verbod om

de woning te betreden. Daarnaast is bepaald dat de minderjarigen gedurende de week dat de

man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft, aan de man worden

toevertrouwd en gedurende de week dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke

woning heeft, aan de vrouw worden toevertrouwd.

2.4

Bij beschikking van 18 augustus 2026 is de beschikking van 31 oktober 2025 gewijzigd in die zin, dat de vrouw met ingang van 25 augustus 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, met bevel aan de man de woning te verlaten en verbod deze verder te betreden. Verder is bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd en is deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De verzoeken van de man inzake de toevertrouwing van de minderjarigen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zijn afgewezen.

2.5

De man heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding ingediend (zaak- en rekestnummer: C/10/709086 / FA RK 25-8185). Deze bodemprocedure zal worden behandeld op de mondelinge behandeling van 11 december 2026.

2.6

De raad heeft op 22 juli 2026 een verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing betreffende de minderjarigen ingediend (zaak- en rekestnummer C/10/723707 JE RK 26-1440). De behandeling staat gepland op 23 september 2026.

2.7

Partijen hebben de Syrische nationaliteit.

3 Het geschil

3.1

De man vordert (zoals gewijzigd/aangevuld) het volgende:

Primair:

I. De tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2026 te schorsen, althans de vrouw te gebieden verdere uitvoering aan die beschikking te staken en gestaakt te houden, in ieder geval totdat in het onderhavige kort geding is beslist, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen moment;

II. te bepalen dat de man met onmiddellijke ingang voorlopig bij uitsluiting gerechtigd is tot

het gebruik van de echtelijke woning, met bevel aan de vrouw de woning te verlaten en deze

niet opnieuw te betreden, totdat in de echtscheidingsprocedure dan wel anderszins door de

bevoegde rechter nader is beslist;

III. te bepalen dat de minderjarigen met onmiddellijke ingang voorlopig aan de man worden toevertrouwd, totdat door de bevoegde rechter nader is beslist;

IV. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag, dan wel

gedeelte daarvan, dat zij in strijd handelt met het onder I, II en III gevorderde, met een

maximum van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te

bepalen dwangsom en maximum;

V. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, waaronder de kosten

van deze procedure en een salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente

indien en voor zover deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis

zijn voldaan.

Subsidiair

VI. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 3] met onmiddellijke ingang voorlopig aan de man toe te

vertrouwen;

VII. ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] een concrete, gefaseerde en zo nodig professioneel begeleide

contactregeling tussen haar en de man vast te stellen, gericht op daadwerkelijk herstel van

het contact tussen vader en dochter;

VIII. de man voorlopig bij uitsluiting gerechtigd te verklaren tot het gebruik van de echtelijke woning, met bevel aan de vrouw de woning te verlaten en deze niet opnieuw te betreden;

IX. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, waaronder de kosten van deze procedure en een salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt kort gezegd dat sprake is van een verkapt hoger beroep en dat er (daarom) geen grond is voor een schorsing/wijziging van de voorlopige voorzieningen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1

Naar de voorzieningenrechter begrijpt, vordert de man de tenuitvoerlegging van de beschikking van 18 augustus 2026 te schorsen en gewijzigde voorlopige voorzieningen te treffen ten aanzien van het gebruik van de woning, de toevertrouwing van de minderjarigen en (subsidiair) – bij toevertrouwing van de zonen aan de man – een zorgregeling tussen hem en de dochter vast te stellen.

4.2

Ter beoordeling ligt eerst voor of de man kan worden ontvangen in zijn vordering, gegeven de hiervoor onder 2.4. vermelde op 18 augustus 2026 gegeven (afwijzende) beslissing op verzoeken van de man over dezelfde onderwerpen. De voorzieningenrechter oordeelt op dit punt het navolgende.

4.3

Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan een beschikking houdende voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Rv, op verzoek van de echtgenoten of van één van hen door de rechtbank worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

4.4

De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij wijziging van een voorlopige voorziening moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden (zie Kamerstukken II 1985/86, 19 242, nr. 3, p. 18 en 19). Daarmee wordt onder meer voorkomen dat sprake is van een verkapt hoger beroep. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of intrekking kan leiden. Dit betekent dus dat strenge eisen gelden ten aanzien van de stelplicht van de partij die om wijziging verzoekt.

4.5

In de beschikking van 18 augustus 2026 is afwijzend beslist op de verzoeken van de man te bepalen dat hij met uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de vrouw te verbieden die woning verder te betreden. Alsmede op zijn subsidiaire verzoek te bepalen dat geen van partijen het uitsluitend gebruik van de woning krijgt, zodat de aanvankelijk bestaande birdnestingsregeling kan worden voortgezet, onder begeleiding van de betrokken hulpverleningsinstanties en met dien verstande dat beide partijen gehouden zijn de afspraken daarover strikt na te leven.

4.6

De man stelt ontvankelijk te zijn omdat zich na de beslissing van 18 augustus 2026 nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan. De man heeft (gedwongen) de woning op 24 augustus 2026 in plaats van 25 augustus 2026 moeten verlaten waarbij de situatie tussen partijen is geëscaleerd. De bestaande verzorgingssituatie met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 3] is abrupt geëindigd en er bestaat geen enkele vastgestelde zorg- of contactregeling tussen de man en de kinderen.

4.7

Anders dan de man betoogt, is geen sprake van omstandigheden die na dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. De door de man benoemde wijzigingen zijn geen rechtens relevante feiten waarop de uitspraak geschorst en tijdelijk gewijzigd dient te worden. Het vertrek van de man uit de echtelijke woning een dag eerder was voorzienbaar en had met de reeds betrokken hulpverlening ook niet tot escalatie hoeven leiden. Dat dit een dag eerder is dan in de beschikking staat, is onvoldoende om als relevante wijziging aan te merken. Ten aanzien van het (ontbreken van) een contactregeling van de man met de minderjarigen staat vast dat hieraan onder regie van de betrokken hulpverlening vorm wordt gegeven en dat voor elk kind maatwerk nodig is. Nog daargelaten dat de man in het kort geding – ook desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling – geen zorgregeling verzoekt, zal dit onderwerp tijdens de komende mondelinge behandelingen van het verzoek tot ondertoezichtstelling en (later) het verzoek tot echtscheiding aan bod komen.

4.8

De voorzieningenrechter benadrukt dat een kort geding is bedoeld voor voorlopige beslissingen met een spoedeisend karakter. Een kort geding leent zich niet voor een uitgebreid onderzoek of een regeling in het belang is van een minderjarige. Voor een uitgebreid onderzoek is de aanhangige bodemprocedure de aangewezen weg. In dit geval constateert de voorzieningenrechter dat partijen tot op heden niet in staat zijn om het overleg met elkaar te vinden. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling benoemt zijn partijen pittig en geven zij als ouders geen duimbreedte toe. Regie van hulpverlening is noodzakelijk om een contactregeling tot stand te brengen.

4.9

De voorzieningenrechter concludeert dat de bezwaren van de man tegen de beslissing van 18 augustus 2026 reeds bekend en meegewogen zijn bij die beslissing. Het is niet aan de voorzieningenrechter om daarover in deze procedure opnieuw te beslissen. Dat zou immers een verkapt hoger beroep inhouden. Niet is gebleken dat de omstandigheden na de uitspraak zijn gewijzigd. De voorlopige voorzieningen regeling moet worden uitgevoerd totdat partijen anders zijn overeengekomen of totdat anders door de rechtbank anders is beslist. Gelet op het voorgaande zal de man niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten

4.10

Als uitgangspunt geldt dat in familiezaken de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken omdat de man de kosten voor de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter nodeloos heeft veroorzaakt. De vrouw heeft op 21 april 2026 het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen ingediend, waarin de man verweer heeft gevoegd met zelfstandige verzoeken. Op 21 juli 2026 is dit besproken tijdens de mondelinge behandeling waarna op 18 augustus 2026 een beschikking is gegeven. Intussen is de man op 4 augustus 2026 een kort geding gestart over dezelfde onderwerpen, waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard.

4.11

De kosten van de procedure aan de zijde van de vrouw zijn begroot op:

griffierecht € 93,-

salaris advocaat volgens het liquidatietarief € 760,- +

Totaal € 853,-

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

verklaart de man niet-ontvankelijk;

5.2

veroordeelt de man in de kosten van de procedure, aan de zijde van de vrouw begroot op € 853,-;

5.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wierink en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.