Personen- en familierecht

Kort geding. Toewijzing verhuisverbod. Ouders leven nu nog in gezinsverband samen. Door verhuizing zal het…

Rechtbank Rotterdam, 6 juli 2026

Zaakgegevens

Op 6 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721415 / KG ZA 26-585
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. M.B Chylinska te Zaandam, mr. D. Abotay te Schiedam
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8573
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Toewijzing verhuisverbod. Ouders leven nu nog in gezinsverband samen. Door verhuizing zal het leven van de minderjarigen ingrijpend veranderen. De vrouw heeft onvoldoende oog gehad voor de impact ervan op de minderjarigen en de man.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Familierecht

Zaaknummer: C/10/721415 / KG ZA 26-585

Vonnis in kort geding van 6 juli 2026

in de zaak van

[naam man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

advocaat: mr. M.B. Chylinska te Zaandam,

tegen

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

advocaat: mr. D. Abotay te Schiedam.

Partijen worden hierna ook de man en de vrouw genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding, betekend op 15 juni 2026;

  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met productie van 21 juni 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat (via beeld- en geluidverbinding)

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Rijnmond (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam]

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij zijn de ouders van:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014;

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015.

2.3.

De man heeft de minderjarigen erkend.

2.4.

De vrouw oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.

2.5.

Partijen wonen samen met de minderjarigen in de woning in [locatie 1] .

3 Het geschil

3.1.

De man vordert in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:

I. de vrouw te verbieden om met de minderjarigen haar hoofdverblijfplaats te verplaatsen buiten een straal van 20 kilometer gemeten vanaf het huidige woonadres van partijen te [locatie 1] , althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen straal;

II. voor zover de vrouw al met de minderjarigen is verhuisd of gedurende de procedure

verhuist, haar te bevelen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis met de minderjarigen terug te verhuizen naar [locatie 1] dan wel naar een woonplaats gelegen binnen een straal van 20 kilometer van het huidige woonadres van partijen;

III. te bepalen dat de vrouw gehouden is de man vooraf schriftelijk te informeren over iedere voorgenomen wijziging van de woonplaats van de minderjarigen;

IV. aan de onder I, II en III genoemde veroordelingen een dwangsom te verbinden van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw in strijd handelt met het vonnis, met een maximum van € 50.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

V. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure;

VI. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer in conventie en vordert voorwaardelijk – voor het geval zij niet naar [locatie 2] mag verhuizen met de minderjarigen – in reconventie:

I. de man te veroordelen om de woning binnen 24 uur na betekening van het vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen korte termijn, te verlaten en verlaten te houden;

II. te bepalen dat de vrouw gerechtigd is het uitsluitend gebruik van de woning, samen met de minderjarigen, voort te zetten;

III. de man te verbieden de woning opnieuw te betreden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vrouw of zonder nadere rechterlijke beslissing, behoudens voor zover het betreft het ophalen van persoonlijke zaken op vooraf gemaakte afspraak;

IV. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,- per overtreding en/of voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij handelt in strijd met het onder II. en IV. (naar de voorzieningenrechter begrijpt, het onder I. en III.) gevorderde, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

V. de man te veroordelen in de proceskosten, althans de proceskosten tussen partijen te compenseren op een wijze die de voorzieningenrechter juist acht.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer in reconventie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

De vrouw heeft bevestigd dat zij op korte termijn met de minderjarigen wil verhuizen naar [locatie 2] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man daarmee voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering om de vrouw te verbieden om met de minderjarigen te verhuizen op straffe van een dwangsom. De man is ontvankelijk in zijn vorderingen, zodat de voorzieningenrechter hierna overgaat tot een inhoudelijke beoordeling.

4.2.

Partijen leven in gezinsverband samen in een woning in [locatie 1] , maar de relatie tussen hen is inmiddels geëindigd. Volgens de vrouw zijn partijen al niet meer samen sinds de zomer van vorig jaar, wat de man op zijn beurt betwist. Volgens hem zijn zij recent uit elkaar gegaan. De vrouw wil niet langer met de man samenwonen en is van plan om met de minderjarigen te verhuizen naar [locatie 2] omdat haar familie daar woont. Zij heeft uitgelegd dat partijen ongeveer twee jaar geleden hebben besproken om samen te verhuizen naar [locatie 2] , maar dat ze uiteindelijk hebben besloten om dat niet te doen. De man wilde Zuid-Holland niet verlaten, mede omdat de moeder van de man ziek is. De vrouw heeft recentelijk bij de man kenbaar gemaakt zij op korte termijn alsnog met de minderjarigen zal verhuizen naar [locatie 2] . Zij kan in [locatie 2] tijdelijk, voor de eerste drie weken, bij haar zus wonen en haar stiefvader is ondertussen op zoek naar een permanente plek voor haar en de minderjarigen. De man maakt zich grote zorgen over de voorgenomen verhuizing. Hij speelt een actieve rol in het leven van de minderjarigen en ziet hen dagelijks nu zij nog in gezinsverband samenleven. Hij is bang om het intensieve contact met de minderjarigen te verliezen. Ook worden de minderjarigen op deze manier uit hun vertrouwde school- en sociale omgeving gehaald, zonder dat daar enige noodzaak voor is. Bovendien vindt hij [locatie 2] geen geschikte plek voor de minderjarigen; de omgeving is niet goed en er was sprake van drugsgerelateerde omstandigheden in de kring van bekenden van de vrouw. Volgens hem is de vrouw jaren geleden juist daarom ook vertrokken uit [locatie 2] .

4.3.

De voorzieningenrechter benadrukt dat het de vrouw in beginsel vrij staat haar leven naar eigen wens in te richten en haar woonplaats te kiezen. De wens om weer in de buurt van haar familie te wonen is invoelbaar. Omdat zij het eenhoofdig gezag heeft, heeft zij ook de bevoegdheid om over de woonplaats van de minderjarigen te beslissen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt die vrijheid begrensd door de belangen van de minderjarigen, die niet onaanvaardbaar in het gedrang mogen komen. Daarbij gaat het in het bijzonder om het recht op omgang tussen de minderjarigen en hun ouder zonder gezag (hier: de man). Verder is de vrouw gehouden vóór het nemen van een belangrijke beslissing omtrent de minderjarigen die de omgangsregeling met de man betreft, de man te raadplegen. Een verhuizing naar [locatie 2] , op ruim 120 kilometer afstand, valt daaronder.

4.4.

Desgevraagd heeft de vrouw verklaard dat zij slechts eenmaal, ruim twee maanden geleden en in een ruzie, tegen de man heeft gezegd dat zij met de kinderen naar [locatie 2] zou gaan. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw de man onvoldoende heeft betrokken bij haar plannen om te verhuizen naar [locatie 2] , zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat partijen onder één dak wonen. De man had het graag anders gezien. Zo heeft hij tijdens mondelinge behandeling verteld dat hij recent in aanmerking kwam voor een andere (huur)woning, maar dat hij dit aanbod heeft afgeslagen. Als hij geweten had waar de vrouw mee bezig was geweest dan had hij misschien andere keuzes kunnen maken.

4.5.

Partijen zijn het erover eens dat de affectieve relatie tussen hen is over is. Dat maakt het waarschijnlijk, of zelfs noodzakelijk, dat een van hen zal gaan verhuizen. Die omstandigheid maakt echter niet dat de voorgenomen verhuizing naar [locatie 2] automatisch urgent is. De vrouw heeft aangevoerd dat zij zorgen heeft over de thuissituatie en dat sprake is van ruzies en escalaties in het bijzijn van de minderjarigen. Volgens haar zou de politie en Veilig Thuis meerdere keren betrokken zijn geweest en heeft zij in het verleden enige tijd in een opvang verbleven als gevolg van de ruzies. Hoewel de man niet betwist dat partijen wel eens een hoog oplopende woordenwisseling hebben, betwist hij de ernst van de door de vrouw gestelde situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter lag het, vanwege de betwisting door de man, op de weg van de vrouw om haar stellingen nader onderbouwen. Zij had daar op zijn minst een begin mee kunnen maken door de politiemutaties, de meldingen bij Veilig Thuis of documentatie van de opvang over te leggen. Dat heeft zij niet gedaan. Wel heeft de vrouw een verslag overgelegd van een diagnostisch traject wat [minderjarige 3] bij Ancoz heeft gevolgd. Dat verslag is echter al van geruime tijd geleden, te weten 3 juli 2025. Daarnaast beschrijft het verslag weliswaar dat vanuit Ancoz zorgen zijn geuit over de thuissituatie, maar zonder dat die zorgen (concrete en actuele) handen en voeten hebben gekregen. Ten slotte heeft de raad kenbaar gemaakt dat de minderjarigen bij de raad niet bekend zijn. De voorzieningenrechter kan dan ook op grond van de stukken niet vaststellen dat er sprake is van een onveilige thuissituatie. De aard van de procedure verzet zich tegen nader onderzoek op dit punt.

4.6.

Door de voorgenomen verhuizing naar [locatie 2] zal het leven van de minderjarigen ingrijpend veranderen. Niet alleen zullen zij dan verhuizen naar een plek die ruim 120 kilometer van hun vertrouwde omgeving ligt, maar tegelijkertijd worden zij daarmee (voor het eerst) geconfronteerd met de feitelijke breuk tussen hun ouders. Voor een dergelijk verhuizing is een goede voorbereiding vereist. Niet gebleken is dat daarvan sprake is geweest. De voorzieningenrechter vindt dat de vrouw onvoldoende oog heeft voor de impact die deze gebeurtenissen zullen hebben op de minderjarigen en de man. De minderjarigen verliezen door de voorgenomen verhuizing hun vertrouwde omgeving, het sociale netwerk, de school en het dagelijks contact dat zij nu met hun vader hebben. Hoewel de vrouw stelt dat zij afspraken wil maken met de man over een omgangsregeling, staat vast dat zij daartoe nog geen enkel initiatief heeft genomen. Ook tijdens de mondelinge behandeling kon de vrouw niet concreet aangeven hoe zij dat voor zich ziet. Dat vindt de voorzieningenrechter in dit geval extra kwalijk, temeer de vrouw het liefst zo snel mogelijk uit [locatie 1] wil vertrekken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorzienbaar is dat de contacten tussen de man en de minderjarigen bij de voorgenomen verhuizing aanzienlijk zullen verminderen terwijl de man er juist naar wil streven om op een gelijkwaardige wijze betrokken te blijven bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

4.7.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorgenomen verhuizing van de minderjarigen op korte termijn naar [locatie 2] niet in hun belang kan worden geacht. De vrouw zal daarom worden verboden om met de minderjarigen te verhuizen naar deze stad, alsook naar een andere plaats buiten een straal van 20 kilometer vanaf het huidige woonadres van partijen te [locatie 1] . Vordering I van de man wordt daarmee toegewezen. De voorzieningenrechter ziet ook voldoende aanleiding om een dwangsom te verbinden aan het verbod nu de vrouw op korte termijn wil vertrekken, zij reeds een tijdelijke woning heeft geregeld en zicht heeft op een permanente plek en de minderjarigen zijn ingeschreven op een nieuwe school in [locatie 2] en uitgeschreven op hun school in [locatie 1] . De voorzieningenrechter acht een financiële prikkel noodzakelijk om te voorkomen dat de vrouw - zonder een bodemprocedure af te wachten - toch met de minderjarigen verhuist. De gevorderde dwangsom zal wel beperkt en gemaximeerd worden zoals hierna vermeld.

4.8.

De voorzieningenrechter acht een bodemprocedure noodzakelijk om met meer informatie een gedegen oordeel te kunnen geven over of de voorgenomen verhuizing wel of niet in het belang van de minderjarigen is. Een kort geding procedure leent zich naar zijn

aard niet voor een definitief oordeel over zo’n ingrijpende kwestie. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij voornemen heeft om op korte termijn een bodemprocedure te starten ter verkrijging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Ook de vrouw is van plan om een bodemprocedure te starten ter verkrijging van toestemming om te verhuizen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gevorderde verhuisverbod kan worden toegewezen totdat in een bodemprocedure is beslist, of door partijen anderszins wordt overeengekomen.

4.9.

Omdat vaststaat dat de vrouw ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet is verhuisd, zal het door de man onder II gevorderde bevel tot terugverhuizing enkel worden toegewezen voor het geval dat de vrouw gedurende de procedure, te weten in de periode tussen de mondelinge behandeling en de dag van deze uitspraak, verhuist. Alsdan zal zij worden bevolen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis met de minderjarigen terug te verhuizen naar [locatie 1] of omgeving. In lijn met hetgeen de voorzieningenrechter in 4.7. heeft overwogen, zal ook hieraan een dwangsom worden verbonden.

4.10.

De vordering (III) van de man om te bepalen dat de vrouw gehouden is om de man vooraf schriftelijk te informeren over iedere voorgenomen wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij gebrek aan (spoedeisend) belang afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daarover bovendien al het een en ander overwogen in rechtsoverweging 4.3.

5
5. De beoordeling in reconventie

5.1.

Omdat de voorzieningenrechter in conventie de vrouw heeft verboden om te verhuizen, waaronder naar [locatie 2] , komt hij toe aan de beoordeling van de vorderingen in reconventie.

5.2.

De conclusie van antwoord tevens eis in reconventie is door de rechtbank ontvangen op 21 juni 2026. De man heeft bezwaar gemaakt tegen behandeling van de vorderingen in reconventie. Hij stelt dat hij door de late indiening van het stuk onvoldoende tijd had voor een behoorlijke voorbereiding en daardoor in zijn verdediging is geschaad.

5.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt de man, gelet op de reeds verleende verkorte dagvaardingtermijn en de samenhang met de vorderingen in conventie, niet onredelijk bemoeilijkt in zijn verweer in reconventie. De voorzieningenrechter acht de behandeling van de vorderingen in reconventie daarom niet in strijd met de goede procesorde. De vorderingen worden hierna daarom inhoudelijk behandeld.

5.4.

Vaststaat dat partijen nog samen met de minderjarigen in de woning wonen, terwijl de relatie inmiddels is beëindigd. Zoals hiervoor al is overwogen, maakt dat het waarschijnlijk of zelfs noodzakelijk dat een van hen op termijn zal gaan verhuizen. De vrouw vordert in deze procedure om het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te kennen, op straffe van een dwangsom. Dat er onderling spanningen zijn, staat tussen partijen niet ter discussie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw echter onvoldoende onderbouwd dat de huidige leefsituatie onhoudbaar is geworden, zodanig dat dat toewijzing van haar vorderingen zou rechtvaardigen. De voorzieningenrechter verwijst daarbij ook naar dat wat hij in conventie heeft overwogen onder rechtsoverweging 4.5. Dat leidt ertoe dat de vorderingen in reconventie van de vrouw worden afgewezen.

6 Proceskosten in conventie en reconventie

6.1.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In dat wat door partijen is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

verbiedt de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen buiten een straal van 20 kilometer gemeten vanaf het huidige woonadres van partijen te [locatie 1] , dit alles totdat in een nog te starten bodemprocedure anders is beslist, of door partijen anderszins wordt overeengekomen;

7.2.

beveelt de vrouw, in het geval zij gedurende deze procedure verhuist, met de minderjarigen terug te verhuizen naar [locatie 1] dan wel een woonplaats gelegen binnen een straal van 20 kilometer van het huidige woonadres van partijen, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;

7.3.

veroordeelt de vrouw tot betaling van een dwangsom aan de man van € 250,- per keer of dag dat zij niet aan het in 7.1. en 7.2. uitgesproken verbod of bevel voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

7.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

In reconventie

7.7.

wijst de vorderingen af;

7.8.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.