Verbintenissenrecht

Kosten medische behandeling in België

Rechtbank Rotterdam, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
12271258 CV EXPL 26-15131
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14749
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kosten medische behandeling in België

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12271258 CV EXPL 26-15131

datum uitspraak: 23 oktober 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht
Universitaire Ziekenhuizen KU Leuven,

vestigingsplaats: Leuven,

eiseres,

gemachtigde: [naam 1] (Modero gerechtsdeurwaarders Amsterdam),

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: [naam 2].

De partijen worden hierna ‘ziekenhuis Leuven’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1 De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 29 mei 2026, met bijlagen;

  • het mondelinge antwoord, met bijlage;

  • de repliek, met bijlagen;

  • de dupliek, met bijlage.

2 De beoordeling

De kern van de zaak en de beslissing

2.1.

[gedaagde] heeft een IVF-behandeling ondergaan in ziekenhuis Antwerpen. In dat kader is genetisch onderzoek verricht in ziekenhuis Leuven. De rekening daarvoor bedraagt € 994,71 en ziekenhuis Leuven wil dat [gedaagde] die betaalt, vermeerderd met een schadebedrag en rente. [gedaagde] wil de rekening niet betalen omdat het onderzoek volgens haar niet noodzakelijk was voor het eenmalige IVF-traject in Antwerpen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de rekening wel moet betalen en legt haar beslissing hieronder uit.

De kantonrechter is bevoegd en Belgisch recht is van toepassing

2.2.

Ziekenhuis Leuven is in België gevestigd. De zaak heeft daarmee een internationaal karakter. Daarom moet de kantonrechter eerst vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is, en zo ja, welk recht van toepassing is.

2.3.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 van die verordening bevoegd om van deze zaak kennis te nemen, omdat [gedaagde] in Nederland woont en geen van de uitzonderingssituaties zoals bedoeld in de artikelen 7 tot en met 26 van de verordening zich voordoet. En omdat [gedaagde] in [woonplaats] woont, is de kantonrechter in Rotterdam bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

2.4.

Het in deze zaak toepasselijke recht moet worden vastgesteld aan de hand van de Rome I-Verordening. Als partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt een overeenkomst inzake dienstverlening zoals hier aan de orde op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en sub b van die verordening beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. In dit geval is dat België en dus is het Belgische recht van toepassing.

Wat er is gebeurd

2.5.

[gedaagde] en haar partner hadden in Nederland enkele IVF-trajecten zonder succes doorlopen. Daarna zijn ze naar ziekenhuis Antwerpen gegaan voor een nieuwe poging. Zij zijn geholpen door gynaecoloog [naam 3] (hierna: [naam 3]). Op 21 januari 2025 vond het eerste contact plaats.

2.6.

Op 23 januari 2025 heeft [gedaagde] een e-mail ontvangen waarin onder meer staat:

“Hierbij een raming van de kosten:

Voorbereidende onderzoeken:

Bloedafname

• Vrouw, volledig labo: 160 €

• Man, volledig labo: 90 €

Genetisch onderzoek

• Vrouw: 705 € - 1000 €

• Man: 705 € -1000 €
(…)
Opmerking:

De vermelde prijzen zijn onder voorbehoud, deze kunnen onderhevig zijn aan prijswijzigingen, indexaanpassingen, .

Steeds zal er een kostendekkend voorschot gevraagd voor iedere start van consultatie, onderzoek, labo,ophaling van medicatie, opname, ... zowel voor Sint Augustinus als UZ Leuven.”

2.7.

[naam 3] heeft opdracht gegeven voor genetisch onderzoek in ziekenhuis Leuven. Dat onderzoek is op 17 februari 2025 verricht.

2.8.

Op 26 maart 2025 heeft ziekenhuis Leuven het onderzoeksresultaat aan [naam 3] gestuurd. Op 12 mei 2025 heeft ziekenhuis Leuven vervolgens een factuur opgemaakt van het genetisch onderzoek en naar [gedaagde] verstuurd.

Onderzoek was medisch relevant

2.9.

De kantonrechter stelt op basis van het dossier vast dat [gedaagde] en haar partner na drie mislukte IVF-behandelingen een ander ziekenhuis, namelijk ziekenhuis Antwerpen, benaderden. [naam 3] heeft in haar mail van 4 augustus 2026 opgeschreven dat sprake was van ‘onverklaarde subfertiliteit’. Zij heeft begrepen en mocht ook begrijpen dat [gedaagde] niet alleen een nieuwe IVF-behandeling wilde maar ook onderzoek wilde laten doen naar een mogelijke oorzaak van de eerdere mislukte IVF-behandelingen. [naam 3] heeft onder meer genetisch onderzoek laten verrichten om een genetische oorzaak aan te tonen of uit te sluiten. Deze genetische testen werden volgens haar ingezet in het kader van herhaald implantatiefalen. In de e-mail van 23 januari 2025 aan [gedaagde] is dat genetisch onderzoek ook opgenomen als voorbereidend onderzoek.

2.10.

In de periode tussen januari 2025 en maart 2025 is blijkbaar het IVF-traject opgestart. De kantonrechter gaat ervan uit dat [naam 3] beschikte over de resultaten van het genetisch onderzoek op het moment dat de eicelpunctie plaatsvond. Dat heeft ziekenhuis Leuven gesteld en [gedaagde] heeft dat niet voldoende weersproken. Uit de gang van zaken leidt de kantonrechter af dat het genetisch onderzoek blijkbaar niet noodzakelijk was voor de voorbereidingen voor een IVF (die waren al begonnen) maar wel voor de uitvoering. De uitslag was vervolgens kennelijk geen belemmering voor de eicelpunctie en de terugplaatsing. Als uit het genetisch onderzoek wél een genetische oorzaak voor de mislukte IVF-behandelingen was gekomen, was de eicelpunctie en/of terugplaatsing niet doorgegaan, zo begrijpt de kantonrechter. In elk geval valt uit het dossier niet op te maken dat het genetisch onderzoek uitsluitend is verricht voor eventuele tweede en latere IVF-pogingen in ziekenhuis Antwerpen – die [gedaagde] niet wilde - en dat ligt ook niet voor de hand.

2.11.

Dat [naam 3] een genetische oorzaak wilde uitsluiten bij een stel dat een aantal mislukte IVF-behandelingen had ondergaan, oordeelt de kantonrechter als medisch relevant. De omstandigheid dat [naam 3] de uitslag van het genetisch onderzoek niet (op papier) aan [gedaagde] zou hebben meegedeeld, is verder niet bepalend voor de vraag of [gedaagde] de factuur voor het onderzoek moet betalen. Hetzelfde geldt voor het geval [gedaagde] onvoldoende op de hoogte zou zijn (gesteld) over de rol van het onderzoek in het IVF-traject in ziekenhuis Antwerpen omdat ziekenhuis Leuven daarin geen rol heeft gespeeld. Vast staat dat het genetisch onderzoek is uitgevoerd door ziekenhuis Leuven en dat [gedaagde] vooraf wist wat de kosten voor dat onderzoek waren.

[gedaagde] moet rente en kosten betalen

2.12.

[gedaagde] voert tot slot aan dat zij de factuur niet (meer) verwachtte vanwege de betalingsafspraken die waren gemaakt. In de e-mail van 23 januari 2026 is opgenomen dat alle medische kosten moeten worden voorgeschoten en [gedaagde] heeft de factuur van ziekenhuis Leuven achteraf gekregen en geen voorschot betaald. Ook daarom was zij verbaasd over die factuur. Alle andere kosten die in verband stonden met de behandeling heeft zij wel bij vooruitbetaling voldaan, aldus [gedaagde].

2.13.

De betalingsverplichting voor de factuur verandert niet doordat achteraf is gefactureerd in plaats van vooraf. [gedaagde] heeft bovendien niet betwist dat zij de factuur van 12 mei 2025 heeft ontvangen maar heeft toen niet geprotesteerd tegen betaling achteraf. Vervolgens heeft zij een herinnering van 7 juli 2025 en aanmaningen ontvangen, maar ook naar aanleiding daarvan is niet gereageerd of betaald. [gedaagde] had kosten en rente kunnen voorkomen door eerder te reageren.

Schadebeding

2.14.

Op grond van het schadebeding dat is opgenomen in de betalingsvoorwaarden eist ziekenhuis Leuven een bedrag van € 89,74 omdat [gedaagde] de factuur niet tijdig heeft betaald. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of dat beding als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereen-komsten moet worden beschouwd. Het beding is niet oneerlijk. Het geëiste bedrag is overeenkomstig de wettelijke tarieven zoals bepaald in artikel XIX.4 van het Wetboek van Economisch recht. Vaststaat dat [gedaagde] te laat heeft betaald. Het bedrag van € 89,74 is dan ook toewijsbaar.

Rente

2.15.

De Belgische wettelijke consumentenrente wordt toegewezen, omdat ziekenhuis Leuven genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] moet betalen de rente van € 62,91die ziekenhuis Leuven heeft berekend tot en met 6 mei 2026.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.16.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan ziekenhuis Leuven moet betalen op € 127,08 aan dagvaardingskosten, € 350,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 837,08. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.17.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat ziekenhuis Leuven dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan ziekenhuis Leuven € 1.147,36 te betalen, vermeerderd met de Belgische consumentenrente over € 1.084,45 vanaf 6 mei 2026 tot de dag van betaling;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van ziekenhuis Leuven worden begroot op € 837,08;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken.

70720

Productie 5 bij repliek Productie 1 bij dagvaarding Productie 4 bij repliek