Bestuursrecht overig
Rechtbank Utrecht · Voorlopige voorziening · Bestuursrecht overig
Rechtbank Utrecht, 2 november 2000
ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8046 · Rechtbank Utrecht · 2 november 2000
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-utrecht/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbutr-2000-aa8046
Zaakgegevens
Op 2 november 2000 heeft de Rechtbank Utrecht in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank UtrechtRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 november 2000
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- SBR 00/2095 VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8046
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT
sector bestuursrecht
nr. SBR 00/2095 VV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:
Verzoeker 1, verzoeker 2 en verzoeker 3, verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, verweerder.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Het verzoek heeft betrekking op een weigering van verweerder om aan verzoekers een huisvestingsvergunning te verstrekken en op het op 1 november 2000 gegeven bevel van de Officier van Justitie om de woonwagenstandplaats "Texel" te Utrecht voor 2 november 2000 om 12.00 uur, te ontruimen.
1.2 Het verzoek is op 2 november 2000 in een openbare zitting behandeld, waar verzoeker 1 in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P. van Doorn, ambtenaar der gemeente.
2. BESLISSING
Aan het slot van de behandeling van het verzoek heeft de president:
2.1 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
3. GRONDEN
3.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van ene bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing op de opsporing van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.
3.3 Geoordeeld wordt dat in het onderhavige geval geen besluit tot weigering van de gevraagde huisvestingsvergunning, en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, voorligt. In dat verband wordt opgemerkt dat de mededeling door de firma Broekhuizen en Wit aan het Openbaar Ministerie dat verzoekers illegaal standplaatsen hebben ingenomen op de woonwagenstandplaats "Texel", niet als een appellabel rechtsoordeel kan worden aangemerkt, maar moet worden gezien als de feitelijke mededeling dat verzoekers niet beschikken over een huisvestingsvergunning.
Voorts is in het onderhavige geval geen sprake van een bestuursdwangaanschrijving van de zijde van verweerder, maar van een ontruimingsbevel van de Officier van Justitie.
Dat ontruimingsbevel staat ingevolge het bepaalde in artikel 1:6 van de Awb niet ter beoordeling van de bestuursrechter, aangezien het bevel in het kader van een strafrechtelijk traject is gegeven.
Tot slot kan ook niet worden geconcludeerd dat sprake is van het - ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb appellabele - niet tijdig van een besluit op het verzoek van verzoekers van 30 oktober 2000 om een huisvestingsvergunning heeft genomen, nu de wettelijke beslistermijn nog niet is verstreken.
3.4 Gezien het vorenoverwogene kan niet worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag of zich een situatie als bedoeld in artikel 26 van de Huisvestingswet voordoet.
3.5 Gelet op het voorgaande zijn er geen termen aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening en is voorts geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.
De mondeling uitspraak is gewezen door mr. T. Dompeling, fungerend president, op
2 november 2000 in aanwezigheid van de griffier mr. R.C. Stijnen.
Aldus opgemaakt door de griffier.