Belastingrecht
Niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 februari 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1133 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbzwb-2023-1133
Zaakgegevens
Op 9 februari 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 9 februari 2023
- Datum publicatie
- 21 februari 2023
- Zaaknummer
- 19/538 e.v.
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1133
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 19/538 tot en met 19/546
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, gevestigd in [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de volgende uitspraken op bezwaar:
-
De uitspraken van de inspecteur van 18 december 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) voor de jaren 2011 tot en met 2015, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde boeten en in rekening gebrachte heffings- en belastingrente (aanslagnummers eindigend op: F01.1501, F01.2502, F01.3502, F01.4501, F01.5502);
-
De uitspraak van de inspecteur van 25 januari 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag OB voor het jaar 2014, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer eindigend op: F014502);
-
De uitspraak van de inspecteur van 18 december 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2012 alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer [aanslagnummer]27.0112);
-
De uitspraak van de inspecteur van 18 december 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag Vpb voor het jaar 2013 alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer [aanslagnummer]36.0112);
-
De uitspraak van de inspecteur van 18 december 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag Vpb voor het jaar 2014 alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde verzuimboete en in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer [aanslagnummer]46.0112);
Zitting
De rechtbank heeft de beroepen op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur], [inspecteur], [inspecteur] en [inspecteur].
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
1 Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
2 Gronden
Ter zitting heeft de inspecteur een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd. Hieruit blijkt dat op 19 augustus 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat belanghebbende met ingang van 26 juni 2020 is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig waren.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende door haar ontbinding, bij gebrek aan baten, is opgehouden te bestaan ingevolge artikel 2:19, eerste en vierde lid, van het BW. Van een verzoek tot heropening van de vereffening is niet gebleken, ook niet met het oog op de onderhavige procedure, zodat belanghebbende niet is herleefd ingevolge artikel 2:23c, eerste lid, van het BW. Bovendien is niet gebleken van het bestaan van een aan de ontbonden rechtspersoon toekomende bate welke aanleiding zou kunnen zijn de vereffening te heropenen. In dat geval staat vast dat de rechtspersoon ten name van wie de aanslag is vastgesteld, de aanslag niet zal betwisten en evenmin zal betalen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het procesbelang aan de beroepen is komen te ontvallen door de ontbinding van belanghebbende.
Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, en mr. drs. M.H. van Schaik en mr. D.A. Hage, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier op 9 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.