Belastingrecht

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2021

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
8 oktober 2021
Datum publicatie
1 oktober 2021
Zaaknummer
BRE-21_928
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:4982
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 21/928

uitspraak van 8 oktober 2021

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal,

de heffingsambtenaar.

Betreft

Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.

Motivering

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer].

Naar aanleiding van de brief van de heffingsambtenaar waarin tegemoet is gekomen aan belanghebbende, heeft belanghebbende het beroep ingetrokken en opgemerkt dat hij gelet op die brief, ervanuit gaat dat de heffingsambtenaar ook de kosten van bezwaar bedoeld te vergoeden.

De heffingsambtenaar heeft vervolgens aangegeven het door belanghebbende betaalde griffierecht en redelijkerwijs gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden.

De rechtbank gaat, gelet op de reactie van de heffingsambtenaar, ervan uit dat de gemaakte proceskosten in bezwaar meegenomen kunnen worden in de beoordeling.

De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand vast op € 506,50. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 265 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,5).

Belanghebbende heeft € 49,00 aan griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de heffingsambtenaar te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De heffingsambtenaar moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende van € 506,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 8 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, r.o. 4.6.4