Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Voorlopige voorziening · Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 december 2021

Zaakgegevens

Op 13 december 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 december 2021
Datum publicatie
14 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4996 VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:6358
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet-Ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/4996 ONBEK VV

uitspraak van 13 december 2021 van de voorzieningenrechter op het verzoekschrift van

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 18 november 2021 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Artikel 8:81 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:6 van de Awb, bepaalt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van een verzoek. De indiener van het verzoek moet dan wel de gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

2. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat niet aan alle vereisten werd voldaan en verzoeker daarom bij brief van 18 november 2021 een termijn gegund om een kopie van het besluit waarmee het verzoek om een voorlopige voorziening verband houdt over te leggen. Tevens is aan verzoeker gevraagd een kopie van zijn bezwaarschrift over te leggen. Zonder de gevraagde gegevens kan de rechtbank het verzoek niet in behandeling nemen. Zo weet de rechtbank in deze zaak bijvoorbeeld niet tegen welke besluit verzoeker wil opkomen en wie de andere partij is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd op de brief van 18 november 2021. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 13 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.