Bestuursrecht overig

Spoedeisendheid niet toegelicht.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juli 2026

Zaakgegevens

Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
2 juli 2026
Datum publicatie
2 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3279 PW VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5905
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Spoedeisendheid niet toegelicht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/3279


uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen


[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis (college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet.

1.1.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.

2.2.

Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 19 juni 2026 gesteld dat hij afhankelijk is van liefdadigheid en dat hij een schuld heeft opgebouwd bij VenantiusSpaar BV van € 17.600,-.

2.3.

De griffier heeft verzoeker op 23 juni 2026 gevraagd om zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten. Daarbij is verzocht om een volledig overzicht van verzoekers financiële situatie, waaruit blijkt van zijn inkomsten, schulden en vaste lasten, spaargelden of andere vermogensbestanddelen, met bewijsstukken, waaronder bankafschriften van de afgelopen twee maanden.

2.4.

Verzoeker heeft op 23 juni 2026 gereageerd op dit verzoek. Daarin is gesteld dat verzoeker momenteel wekelijks een voedselpakket van JOTA in [plaats] ontvangt en dat hij sinds 30 maart 2026 uitstel van huurbetaling heeft gekregen. Verzoeker heeft geweigerd om bankafschriften over te leggen, onder meer omdat hij dit privacy-schending vindt.

2.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet van hem kan worden verlangd dat hij de uitkomst van de bezwaarprocedure afwacht. Het door de griffier gevraagde overzicht van verzoekers financiële situatie ontbreekt. Ook als verzoeker geen bankafschriften wil overleggen, kan hij mogelijk door middel van andere bewijsstukken aantonen dat hij in een acute noodsituatie verkeert. Dit heeft hij nagelaten. Daardoor kan niet worden aangenomen dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarprocedure noodzakelijk maakt.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens gebrek aan spoedeisend belang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 2 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.