Omgevingsrecht
Toewijzing verzoek voorlopige voorziening hangende bezwaar, omgevingsvergunning verbouwen gemeentelijk…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6960 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 27 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/omgevingsrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-6960
Zaakgegevens
Op 27 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 27 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/3443
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6960
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzing verzoek voorlopige voorziening hangende bezwaar, omgevingsvergunning verbouwen gemeentelijk monument, bopa, etfal, motiveringsgebrek, mondelinge uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3443
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats].
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een verleende omgevingsvergunning aan Schepens voor het verbouwen van een voormalige leerlooierij naar een woonhuis aan de [adres].
Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend met het besluit van 22 mei 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat het te verbouwen pand een gemeentelijk monument is en verzoekster stelt dat de vergunde verbouwing leidt tot onherstelbare beschadiging van het monumentale pand. Het pand is volgens verzoekster de laatste drielaagse leerlooierij die nog bewaard is gebleven en heeft bijzondere betekenis voor het dorp. Voorts heeft verzoekster onder meer aangevoerd dat geen aandacht is geweest voor verkeers- en parkeeroverlast en dat bewoning van het pand niet past in het gemeentelijk beleid.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar zoon [de zoon], mr. S.M.J. Janssens en ing. [persoon] namens het college en [derde-partij].
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Het beoordelingskader
2. Tussen partijen is niet in geschil dat het te verbouwen pand een gemeentelijk monument is dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Ook niet in geschil is dat de aanvraag van Schepens alleen als een bopa kan worden vergund.
Artikel 13, eerste lid, van de gemeentelijke Erfgoedverordening bepaalt dan dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Van belang is verder dat een vergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting met partijen besproken dat hij niet de beschikking had over alle relevante stukken. Hij moet het dus doen met de stukken die in het dossier zitten en wat partijen op zitting hebben verteld. De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit. De reden is dat de motivering van de verleende omgevingsvergunning en afwijking van het bestemmingsplan wel erg summier en algemeen is. In het bestreden besluit is niet toegelicht waarom het college vindt dat het verlenen van een omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een motiveringsgebrek kan worden hersteld in bezwaar, maar als het gaat om monumentale waarden die mogelijk onherstelbaar veranderd worden, dan kan dat toch reden zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van het positieve advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van 3 februari 2026, maar daarin is in het geheel geen woord gewijd aan het feit dat het hier gaat om een bouwplan waarin wordt voorzien in wijzigingen aan het monument. In het bestreden besluit wordt slechts verwezen naar dat advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, zodat ook in het besluit niet tot uiting komt dat en waarom het belang van de monumentenzorg zich niet tegen het verlenen van de vergunning verzet.
De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de motiveringsgebreken in het te nemen besluit op bezwaar kunnen worden hersteld, maar gelet op de aanwezige monumentale waarden in het pand, oordeelt de voorzieningenrechter dat, zolang het bestreden besluit niet volledig is heroverwogen in bezwaar, er doorslaggevend gewicht moet worden toegekend aan het verzoek van verzoekster om die monumentale waarden – voorlopig – te behouden.
Conclusie en gevolgen
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe schorst het bestreden besluit tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden.
.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026 door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: