Arbeidsrecht

Partijen hebben op de mondelinge behandeling een regeling bereikt m.b.t. de financiële afwikkeling. Zij…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 november 2025

Zaakgegevens

Op 10 november 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
10 november 2025
Datum publicatie
13 november 2025
Zaaknummer
11809119 \ AZ VERZ 25-31 (E)
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:7847
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Partijen hebben op de mondelinge behandeling een regeling bereikt m.b.t. de financiële afwikkeling. Zij hebben de kantonrechter verzocht om nog een beslissing te nemen m.b.t. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat wordt toegewezen omdat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam is verstoord.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer / rekestnummer: 11809119 \ AZ VERZ 25-31

Beschikking van 10 november 2025

in de zaak van

STICHTING VOORTGEZET ONDERWIJS ZEEUWS-VLAANDEREN,

te Terneuzen,

verzoekende partij,

verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

hierna te noemen: SVOZ,

gemachtigde: mr. C.A.M. van Vught, Christon van Vught Rechtspraktijk B.V.,

tegen

[persoon] ,

te [plaats],

verwerende partij,

verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

hierna te noemen: [persoon],

gemachtigde: mr. F.F.J. van Dijk en mr. M.A. Breewel-Witteveen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek

- de mondelinge behandeling van 3 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een minnelijke regeling getroffen. De inhoud van die regeling is in een proces-verbaal vastgelegd. Partijen hebben met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspraak verzocht. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is de uitspraak bepaald op vandaag.

1.3.

Partijen hebben op 3 en respectievelijk 5 november 2025 per e-mail nog een reactie ingediend met betrekking tot de mondelinge behandeling.

2 Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek

2.1.

SVOZ verzoekt de arbeidsovereenkomst met [persoon] te ontbinden, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat van SVOZ in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [persoon] valt daarvan geen verwijt te maken. Ook is herplaatsing niet mogelijk dan wel ligt dit niet in de rede. SVOZ heeft gesteld dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. SVOZ heeft verzocht de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 te ontbinden.

2.2.

[persoon] refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.

3 De beoordeling

3.1.

Mede gelet op de referte van [persoon] zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 januari 2026. Uit de standpunten van partijen blijkt namelijk dat er een redelijke grond is voor ontbinding, aangezien de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van SVOZ als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing van [persoon] is daarbij niet mogelijk. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [persoon] niet verwijtbaar. Het verzoek houdt geen verband met het bestaan van een opzegverbod. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. Deze afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

3.2.

[persoon] heeft op 3 november 2025 verzocht SVOZ te veroordelen tot betaling van € 1.048,38 bruto wegens wettelijke verhoging en € 10,41 wegens wettelijke rente. Op de mondelinge behandeling is dit tussen partijen afgesproken, maar is deze afspraak abusievelijk niet opgenomen in de vaststellingsovereenkomst. SVOZ heeft op 5 november 2025 hiermee ingestemd. Aangezien partijen hierover overeenstemming hebben bereikt zal dit worden toegewezen zoals verzocht.

3.3.

Gelet op de uitkomst van deze procedure is het redelijk dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2026,

4.2.

veroordeelt SVOZ om aan [persoon] te betalen € 1.048,38 bruto wegens wettelijke verhoging en € 10,41 wegens wettelijke rente,

4.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 10 november 202