Civiel recht overig

Wrakingsverzoek ongegrond.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/452642 HA RK 26-196 (E)
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10083
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wrakingsverzoek ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: C/02/452642 HA RK 26-196

beslissing van 13 oktober 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoekster]

gevestigd te [plaats], Turkije

verzoekster

(gemachtigde: mr. B. Aydin).

1 Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:

 de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met zaaknummer C/02/428299 / HA ZA 24-614,

 het proces-verbaal van contra-enquête, gehouden op 24 september 2026, met daarin het wrakingsverzoek,

 het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 24 september 2026 waarin staat dat zij niet in de wraking berust,

 de schriftelijke verklaringen van 1 en 3 oktober 2026 van de twee tolken die bij de contra-enquête van 24 september 2026 betrokken waren,

 de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van verzoekster van 7 oktober 2026,

 de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op de zitting van 7 oktober 2026 in Breda, waarbij aanwezig waren: de gemachtigde van verzoekster (en als toehoorder mr. E. Sengül, de gemachtigde van de wederpartij in de hoofdzaak).

2 Het verzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hermans (hierna: de rechter), optredend als handelsrechter in de bovengenoemde hoofdzaak. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door, althans namens, verzoekster uiteen zijn gezet tijdens de contra-enquête van 24 september 2026, en zijn toegelicht door middel van de verklaringen van de betrokken tolken, de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek en tijdens de behandeling op de zitting van de wrakingskamer.

2.2

De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten en de standpunten

3.1

Tijdens de contra-enquête van 24 september 2026 is er een aantal getuigen gehoord. Bij het horen van de tweede getuige is door de gemachtigde van verzoekster aan deze getuige een e-mail voorgehouden. Volgens het proces-verbaal van de contra-enquête heeft verzoekster kort daarna de rechter gewraakt, met als grond dat de rechter tegen de tolk heeft gezegd: “ik weet niet welke aanwijzing u de getuige geeft”.

3.2

Op 1 en 3 oktober 2026 is door de wrakingskamer van elk van de twee tolken die bij deze contra-enquête betrokken waren een schriftelijke verklaring ontvangen. Hierin staat dat zij geen persoonlijke of zakelijke band hebben met de procespartijen in de hoofdzaak, en dat zij met elkaar hebben afgesproken om het tolken af te wisselen vanwege de verwachte duur van de contra-enquête. De rechter heeft tijdens de contra-enquête verrast gereageerd op het afwisselen. De getuige moest bij het voorhouden van de e-mail zoeken naar zijn bril, waardoor de tolk die op dat moment aan het tolken was deze e-mail voor deze getuige is gaan voorlezen om hem toegang te geven tot de inhoud ervan. Dat de rechter vervolgens heeft gesproken over het geven van aanwijzingen, is door de tolken opgevat als onterechte twijfel aan hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Hier is na het indienen van het wrakingsverzoek door de tolken een opmerking over gemaakt, waarbij de rechter heeft ontkend deze bewoordingen te hebben gebruikt.

3.3

In de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van 7 oktober 2026 wordt dezelfde weergave van de gang van zaken gegeven. Daarbij stelt verzoekster dat de rechter ook op eerdere zittingen in deze zaak opmerkingen heeft gemaakt die niet kunnen. Volgens verzoekster gaat de uitlating van de rechter richting de tolk over het geven van aanwijzingen te ver, en kan deze niet worden geschaard onder het voeren van regie. Als een rechter vervolgens de gang van zaken ontkent, kan volgens verzoekster niet van een procespartij worden verlangd nog vertrouwen te hebben in de onpartijdigheid van een rechter. Verzoekster stelt dat het niet anders kan zijn dan dat de rechter met de opmerking heeft willen zeggen dat zij denkt dat de verzoekster met de tolken vooraf afspraken heeft gemaakt over de gewenste inhoud van de getuigenverklaring.

3.4

Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster hieraan toegevoegd dat het proces-verbaal van de contra-enquête niet volledig is, aangezien de reactie van de tolken op de opmerking van de rechter en de ontkenning van de rechter over de gebruikte bewoordingen ontbreekt. Verder heeft verzoekster aangegeven dat de rechter met de opmerking richting de tolk ook impliciet heeft gezegd dat de getuige niet te goeder trouw is. De gemachtigde van de wederpartij, die als toehoorder aanwezig was, heeft desgevraagd tijdens de wrakingszitting niet met zekerheid kunnen bevestigen welke bewoordingen de rechter heeft gebruikt en of zij deze later heeft ontkend.

3.5

De gewraakte rechter heeft meegedeeld dat zij niet in de wraking berust, en heeft door ziekte geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om schriftelijk dan wel tijdens de zitting van de wrakingskamer nader op het wrakingsverzoek te reageren.

4 De beoordeling

4.1

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2

Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.3

Verder merkt de wrakingskamer allereerst op dat voor zover de bij de contra-enquête betrokken tolken zich in hun beroepseer en goede naam voelen aangetast deze omstandigheid geen grond kan vormen voor wraking. Deze tolken zijn namelijk geen partij zoals bedoeld in artikel 36 Rv. Het klachtrecht is de geëigende weg om hier indien gewenst opvolging aan te geven.

4.4

Op grond van artikel 37 Rv moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (lid 1), en moeten alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen (lid 3). De wrakingskamer moet de beoordeling daarom richten op de gang van zaken tijdens de contra-enquête op het moment dat het wrakingsverzoek door verzoekster is ingediend. Voor zover de gang van zaken op dat moment later is toegelicht kan de wrakingskamer dat in de beoordeling betrekken. Wat de rechter zou hebben gezegd op eerdere zittingen, of nadat het wrakingsverzoek is ingediend, kan de wrakingskamer echter niet in de beoordeling betrekken.

4.5

De wrakingskamer is van oordeel dat niet gebleken is van zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid van de rechter. Ook als ervan uit moet worden gegaan dat de rechter tegen één van de tolken heeft gezegd: “ik weet niet welke aanwijzingen u de getuige geeft”, kan daaruit niet worden afgeleid dat zij jegens verzoekster vooringenomenheid koestert. Verzoekster kan namelijk niet worden gevolgd in de visie dat uit een dergelijke formulering niets anders kan worden afgeleid dan dat de rechter veronderstelt dat de getuige niet te goeder trouw is.

4.6

Dit leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

5 Beslissing

De wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met zaaknummer C/02/428299 / HA ZA 24-614 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is genomen op 13 oktober 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Leppens en mr. Van Alphen, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om deze

beslissing mede te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.