Ondernemingsrecht
Duurzame ontwrichting in de samenwerking tussen vennoten vof na beëindiging affectieve relatie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10016 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/ondernemingsrecht/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2026-10016
Zaakgegevens
Op 4 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 4 september 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/451038 / KG ZA 26-423
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Ondernemingsrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C.R.J. de Bont en mr. H.M.J. Simonis, S.H.R.B. Wahlbrinck
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10016
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Duurzame ontwrichting in de samenwerking tussen vennoten vof na beëindiging affectieve relatie.
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/451038 / KG ZA 26-423
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
1 [eisende partij 1] ,
hierna te noemen [eisende partij 1] ,
2. [eisende partij 2],
hierna te noemen [eisende partij 2] ,
3. [eisende partij 3],
hierna te noemen [eisende partij 3] ,
allen te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisende partijen] ,
advocaat: mr. C.R.J. de Bont en mr. H.M.J. Simonis
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: S.H.R.B. Wahlbrinck
1 De zaak in het kort
Tussen [eisende partij 1] en [gedaagde partij] heeft een affectieve relatie bestaan. Zij zijn, samen met [eisende partij 2] en [eisende partij 3] , de ouders van [eisende partij 1] , vennoot van de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] ”. Nadat de affectieve relatie tussen [eisende partij 1] en [gedaagde partij] medio 2025 is geëindigd, hebben partijen onderhandeld over de uittreding van [gedaagde partij] als vennoot per streefdatum 1 oktober 2025. [gedaagde partij] heeft vanaf 1 oktober 2025 zijn werkzaamheden voor de vennootschap beëindigd en hij heeft het terrein van de vennootschap -behoudens een uitzondering- niet meer betreden. Partijen hebben over de uittreding geen overeenstemming bereikt. [eisende partijen] hebben zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een duurzame ontwrichting in de samenwerking die is toe te rekenen aan [gedaagde partij] . [gedaagde partij] betwist dat en stelt dat hij nog steeds volwaardig vennoot is van de vennootschap. De vorderingen strekken ertoe voorzieningen te treffen vooruitlopend op de uittreding van [gedaagde partij] als vennoot. De voorzieningenrechter zal de vorderingen toewijzen. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de conceptdagvaarding waarop de vrijwillige verschijning van [gedaagde partij] betrekking heeft, met producties 1 t/m 28,
- de vrijwillige verschijning van [gedaagde partij] ,
- de akte tot wijziging van eis en het in geding brengen van producties 29 tot en met 40,
- de akte indienen producties 1 tot en met 8 van [gedaagde partij] ,
- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eisende partijen] ,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde partij] .
3 De feiten
Tussen [eisende partij 3] en [eisende partij 2] bestond sinds 1995 een samenwerkingsverband, dat vanaf 2004 wordt gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma genaamd ” [V.O.F.] ” (hierna: de VOF).
[eisende partij 1] (de dochter van [eisende partij 3] en [eisende partij 2] ) en [gedaagde partij] zijn per 1 januari 2019 toegetreden tot de VOF als vennoot, een en ander volgens de onderhandse VOF-akte van 29 september 2019.
In de VOF akte staat, (voor zover van belang):
“ Artikel 5
Tijdens de duur van de samenwerking is het een vennoot verboden zaken, zowel roerende als onroerende, en vermogensrechten, aan de vennootschap voor bedrijfsvreemde doeleinde te onttrekken, zonder toestemming van iedere vennoot.
(…)
Artikel 13
1. De overeenkomst van vennootschap eindigt:
(…)
i door duurzame ontwrichting van de vennootschappelijke samenwerking, welke situatie ten aanzien van de vennoten sub 1 en 2 in ieder geval aanwezig wordt geacht bij scheiding van tafel en bed, bij scheiding en bij het metterwoon verlaten door een van hen van de echtelijke woning.
(…)
2. De overeenkomst van vennootschap eindigt niet indien de vennootschap uit twee of meer vennoten bestaat en zich één van de hiervoor vermelde feiten voordoet. Zij eindigt echter wel indien voornoemde feiten zich gelijktijdig voordoen ten aanzien van alle vennoten of ten aanzien van allen vennoten op één na. De vennoot aan wie één van de hiervoor vermelde feiten kan worden toegerekend, wordt geacht uit de vennootschap te zijn getreden.”.
[gedaagde partij] heeft sinds 2015 een eenmanszaak in de entertainmentbranche ( [eenmanszaak] ). [gedaagde partij] heeft op 8 januari 2025 een bedrag van € 120.000,00 overgeboekt van de betaalrekening van de VOF naar zijn privérekening in verband met de aankoop door hem in privé van het bedrijfspand [adres] . Daarnaast heeft hij dat pand meeverzekerd op de bedrijfspolis van de VOF en de verzekeringspremies van de VOF-rekening voldaan.
Tussen [gedaagde partij] en [eisende partij 1] heeft vanaf begin 2017 een liefdesrelatie bestaan. Deze is halverwege 2025 geëindigd.
Sinds juli 2025 hebben partijen onder begeleiding van de accountant van de VOF, ( [accountant] ) gesproken over en werkafspraken gemaakt met betrekking tot het uittreden van [gedaagde partij] als vennoot van de VOF per streefdatum 1 oktober 2025. Zij hebben zowel fysieke gesprekken gevoerd als uitvoerig gecorrespondeerd via e-mail. Daarbij is gesproken/geschreven over de overdracht van de werkzaamheden van [gedaagde partij] , de verdeling en de financiële afwikkeling. Daarbij is [gedaagde partij] bijgestaan door zijn [adviseur] .
[gedaagde partij] heeft vanaf 1 oktober 2025 geen werkzaamheden meer verricht voor de VOF. Vanaf deze datum is de administratie door [eisende partij 1] van [gedaagde partij] overgenomen in een nieuw
systeem.
Na 1 oktober 2025 is de communicatie tussen [gedaagde partij] en [accountant] voortgezet, waarbij [adviseur] als adviseur betrokken is gebleven. Bij e-mail van 5 november 2025 heeft [accountant] aan partijen een concept ‘spoorboekje uittreden vennoot” doen toekomen, met vermelding van de door ieder van partijen gemaakte opmerkingen.
Eind december 2025 is [adviseur] met pensioen gegaan. [gedaagde partij] wordt vanaf dan bijgestaan door zijn advocaat, mr. Wahlbrinck. Op 29 december 2025 heeft [accountant] aan partijen de financiële cijfers van de VOF gestuurd en een overzicht van de vaste activa en specificatie eigen vermogen per 30 september 2025.
[accountant] heeft mr. Wahlbrinck op 7 januari 2026 de laatste versie toegestuurd van het “spoorboekje uittreden vennoot”. In reactie daarop heeft mr. Wahlbrinck [accountant] op 8 januari 2026 bericht dat [gedaagde partij] de uitdrukkelijke wens heeft zijn werkzaamheden bij [V.O.F.] voort te zetten, al dan niet in aangepaste vorm en dat [gedaagde partij] nog steeds onverkort vennoot is met alle daarbij behorende rechten en verplichtingen zoals voortvloeiend uit de wet en de geldende VOF-overeenkomst. Daarbij heeft mr. Wahlbrinck aangegeven op korte termijn een uittredingsvoorstel met betrekking tot de uittreding van [gedaagde partij] als vennoot van [V.O.F.] tegemoet te willen zien.
[eisende partijen] hebben in het kader van de financiële afwikkeling mr. Schouten, fiscalist bij Vermetten Accountants en Adviseurs, ingeschakeld. Deze heeft aan mr. Wahlbrinck namens [eisende partijen] een uittredingsvoorstel toegestuurd.
Mr. Wahlbrinck heeft bij e-mail van 26 maart 2026 aan mr. Schouten het voorstel afgewezen en hij heeft, voor zover van belang, geschreven:
“ [gedaagde partij] heeft zich steeds bereid getoond zijn werkzaamheden voort te zetten en heeft zich vanaf oktober 2025 ook expliciet zo opgesteld, desnoods in aangepaste vorm. Het is juist de familie geweest die hem eenzijdig de toegang tot de onderneming heeft ontzegd. [gedaagde partij] heeft zich daarbij coöperatief opgesteld, in de veronderstelling dat dit een tijdelijke situatie zou betreffen. Van een situatie waarin voortzetting van de samenwerking objectief onmogelijk of onaanvaardbaar is, is dan ook geen sprake. De hoge drempel voor duurzame ontwrichting wordt hiermee bij lange na niet gehaald. Dit betekent dat de vof-overeenkomst onverkort van kracht is en jegens [gedaagde partij] wordt voortgezet. Van een rechtsgeldige beëindiging of uittreding is thans geen sprake. In dat licht is ook het standpunt dat 1 oktober 2025 is overeengekomen als uittredingsdatum onhoudbaar. [gedaagde partij] heeft nimmer ingestemd met zijn uittreding, laat staan met een concrete datum. Aan het hanteren van deze datum ontbreekt iedere juridische grondslag. De bepalingen uit de vof-overeenkomst die zien op afrekening bij uittreding zijn daarmee thans niet van toepassing.”
Tussen (de advocaten van) partijen heeft vervolgens nog correspondentie plaatsgevonden. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
[eisende partijen] zijn voornemens om een bodemprocedure tegen [gedaagde partij] op te starten met betrekking tot de definitieve gerechtelijke vaststelling van de uittreding van [gedaagde partij] en de waardering en de afwikkeling van zijn vennootschapsaandeel.
4 Het geschil
Van de Avoird vorderen, na wijziging van eis, als voorlopig voorziening, samengevat:
I. [gedaagde partij] te verbieden om, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van [eisende partijen] , zelfstandig betalingen of overboekingen te verrichten vanaf de bankrekening(en) van de VOF,
II. [gedaagde partij] te verbieden om, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van [eisende partijen] , zelfstandig verplichtingen aan te gaan namens of ten laste van de VOF, daaronder begrepen het aangaan van overeenkomsten met derden,
telkens gedurende 6 maanden na betekening van dit vonnis en vervolgens voor zolang er nog geen rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan in de door [eisende partijen] op te starten bodemprocedure, een en ander op straffe van een dwangsom,
III. [gedaagde partij] te veroordelen om onverkort en onherroepelijk medewerking te verlenen aan primair de wijziging van de inschrijving van zijn bevoegdheid ten aanzien van de VOF in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, inhoudende dat hij per 1 oktober 2025 geen vennoot meer van de VOF is,
subsidiair de wijziging van de inschrijving ten aanzien van de VOF in het handelsregister van de Kamer van Koophandel inhoudende beperking van zijn bevoegdheid tot nihil,
door binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de daarvoor benodigde formulieren onherroepelijk te ondertekenen en alle overige medewerking te verlenen die nodig is om deze wijzing(en) bij de Kamer van Koophandel door te voeren, een en ander op straffe van een dwangsom,
IV. [gedaagde partij] te veroordelen de sleutels die toegang bieden tot het onroerend goed dat de VOF in gebruik heeft aan [eisende partijen] te retourneren, daaronder begrepen alle kopieën, afgietsels en/of mallen die in zijn bezit zijn of via hem in het bezit van derden zijn gekomen, een en ander op straffe dwangsom,
V. [gedaagde partij] te veroordelen om schriftelijk aan [eisende partijen] opgaaf te doen van het aantal kopieën dat hij van de sleutels heeft laten maken en wie daarover beschikt, een en ander op straffe van dwangsom,
VI. [gedaagde partij] te verbieden om, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van [eisende partijen] of hun gemachtigde, zelfstandig namens of vanuit de VOF te communiceren met derden, een en ander voor de duur van zes maanden na betekening van dit vonnis en vervolgens voor zolang er nog geen rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan in de door [eisende partijen] op te starten bodemprocedure, een en ander op straffe van een dwangsom,
VII. in goede justitie één of meer andere beslissingen te nemen die de voorzieningen-rechter geraden acht,
VIII. [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde partij] heeft daartegen verweer gevoerd. Op dat verweer en de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
algemeen kader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partijen] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
spoedeisend belang
[eisende partijen] hebben gesteld een spoedeisend belang te hebben bij hun vorderingen omdat door toedoen van [gedaagde partij] sprake is van een duurzame ontwrichting in de vennootschappelijke samenwerking, althans dat hij in ieder geval niet meer onbelemmerd in de dagelijkse exploitatie kan terugkeren. [eisende partijen] hebben al vanaf juli 2025 met [gedaagde partij] onderhandeld over een uittredingstraject -inhoudende uittreding van [gedaagde partij] als vennoot per 1 oktober 2025- en partijen hebben daar ook naar toe gewerkt. [eisende partijen] hebben de onderneming ook feitelijk per 1 oktober 2025 zonder [gedaagde partij] voortgezet. Nadat eind 2025 tussen partijen een discussie is ontstaan over de financiële afwikkeling van de uittreding is [gedaagde partij] zich op het standpunt gaan stellen dat er sprake is van een status quo inhoudende dat hij als een volwaardig vennoot gezien zou moeten worden en dat hij onverkort zou kunnen en willen terugkeren naar de VOF en haar dagelijkse werkzaamheden. Voor [eisende partijen] betekent dit een escalatie op emotioneel vlak dat een grote negatieve impact heeft en partijen alleen maar verder uit elkaar drijft. [eisende partijen] zijn daarom genoodzaakt een bodemprocedure aanhangig te maken. De uitkomst daarvan kan niet worden afgewacht. [gedaagde partij] heeft nog steeds de sleutels van het terrein en de gebouwen en hij heeft gedreigd de boel kort en klein te slaan, zodat [eisende partijen] zich niet meer veilig voelen op het terrein. Ook heeft hij toegang tot internetbankieren. Hij maakt maandelijks € 1.000,00 naar zichzelf over terwijl daar geen grondslag voor is. [gedaagde partij] zou tijdens de looptijd van de bodemprocedure nog maandenlang bedragen van de bankrekening van de VOF naar zichzelf kunnen overboeken, de terreinen en gebouwen van de VOF kunnen betreden en de VOF aan allerlei verplichtingen kunnen verbinden, waardoor de VOF schade zou kunnen lijden. Dit is een onwenselijke situatie die in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure moet stoppen. Het is in het belang van de continuïteit van de VOF dat [eisende partijen] hun bedrijfsvoering kunnen uitvoeren zonder belemmeringen.
[gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat het spoedeisend belang bij de vorderingen ontbreekt. Partijen zijn vanaf juli 2025 met elkaar in gesprek en er hebben zich sindsdien geen relevante wijzigingen voorgedaan. Vanaf oktober 2025 communiceert hij niet met derden namens de VOF, heeft hij geen vertegenwoordigingshandelingen meer verricht namens de VOF en komt hij op verzoek van [eisende partijen] niet meer op het terrein van de VOF. Wel wil hij de mogelijkheid behouden om toegang te hebben tot de goederen van zijn eenmanszaak die op het terrein van de VOF opgeslagen liggen.
Hij maakt rechtsgeldig maandelijks een bedrag van € 1.000,00 van de VOF aan zichzelf over ten titel van een voorschot op de winst. Indien mocht blijken dat [gedaagde partij] niet rechtsgeldig het maandelijkse voorschot op de winst overmaakt kunnen [eisende partijen] dit verrekenen met de openstaande vordering van € 32.007,00 (eigen vermogen) die [gedaagde partij] heeft op de VOF. De VOF lijdt daarom geen schade. Bovendien is niet gebleken dat de VOF in enige financiële nood komt door de overboeking.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de door [eisende partijen] overgelegde correspondentie tussen [accountant] en partijen is voldoende aannemelijk geworden dat partijen sinds juli 2025 hebben toegewerkt naar uittreding van [gedaagde partij] als vennoot van de VOF per 1 oktober 2025 en dat partijen daarnaar hebben gehandeld. Niet aannemelijk is dat dit onder druk van [eisende partijen] is gebeurd, zoals door [gedaagde partij] is gesteld. Bovendien werd [gedaagde partij] in dit traject bijgestaan door zijn [adviseur] . Pas nadat [adviseur] eind 2025 als adviseur is gestopt, is [gedaagde partij] zich op het standpunt gaan stellen dat hij nog steeds volwaardig vennoot is van de VOF en dat hij onverkort zou kunnen en willen terugkeren naar de VOF en haar dagelijkse werkzaamheden. Dit gewijzigde standpunt van [gedaagde partij] heeft geleid tot een escalatie van het geschil tussen partijen en voorkomen moet worden dat de situatie verder escaleert. Het is ook in het belang is van de VOF dat er duidelijkheid wordt verkregen. De
voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat [eisende partijen] voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. De omstandigheid dat [eisende partijen] hebben gewacht met het instellen van de vorderingen doet aan het spoedeisend belang niet af (HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2391, NJ 2001/602 (Impag/Marvin Glass) en HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553, NJ 2003/78 (Groningen/Reilman).
duurzame ontwrichting
[eisende partijen] stellen dat er sinds medio 2025 sprake is van een duurzame ontwrichting van de vennootschappelijke samenwerking die aan [gedaagde partij] is toe te rekenen. Dat blijkt onder meer uit de volgende omstandigheden en gedragingen van [gedaagde partij] :
a de overboeking van het bedrag van € 120.000,00 van de VOF rekening naar de privérekening van [gedaagde partij] ten behoeve van de aankoop van een privépand zonder de voorafgaande toestemming van [eisende partijen] , wat in strijd is met artikel 5 van de VOF-akte,
b de verzekering van dat pand op de bedrijfspolis van de VOF en betaling van de verzekeringspremies van de rekening van de VOF, wat ook in strijd is met artikel 5 van de VOF-akte,
c het doen van privé-onttrekkingen (boodschappen) ten laste van de VOF,
d de opslag van goederen van de eenmanszaak van [gedaagde partij] op het terrein van de VOF,
e het afsluiten van Instagram account van de VOF voor [eisende partijen] ,
f de weigering de beheerdersrollen van diverse apps over te dragen,
g ongewenste aanwezigheid op het bedrijf op 15 oktober 2025.
Deze omstandigheden en gedragingen hebben de samenwerking binnen de VOF en het onderlinge vertrouwen tussen de vennoten ernstig en blijvend aangetast. Dit betekent volgens [eisende partijen] dat [gedaagde partij] op grond van artikel 13 lid 2 van de VOF-akte wordt geacht uit de VOF te zijn getreden. Partijen zijn daar ook vanuit gegaan en zij hebben daar ook naar gehandeld. Zij hebben zich vanaf juli 2025 steeds gefocust op en zijn uitgegaan van de uittredingsdatum 1 oktober 2025 en zij hebben daar naartoe gewerkt. Dit blijkt uit de correspondentie van [accountant] met partijen. Alleen de waardering van het aandeel van [gedaagde partij] in de VOF en afwikkeling daarvan resteerde nog. De VOF-akte is zo ingericht dat in een dergelijke situatie de continuïteit van de onderneming zoveel mogelijk gewaarborgd is. [eisende partijen] hebben feitelijk -ingevolge artikel 13 lid 2 van de VOF-akte- de onderneming sinds 1 oktober 2025 voortgezet. [gedaagde partij] heeft geen enkele grond om de voortzetting van de VOF alsnog te gaan frustreren door banktoegang, vertegenwoordigingsbevoegdheid, sleutels of andere feitelijke machtsposities te behouden. Ook bestaat er geen grond voor de maandelijkse overboeking van € 1.000,00. Ten slotte wijzen [eisende partijen] op de door hun overgelegde verklaringen van (ouders van) cliënten en personeelsleden van de vennootschap, waaruit blijkt dat terugkeer van [gedaagde partij] op de zorgboerderij ongewenst is.
[gedaagde partij] betwist dat er sprake is van een duurzame ontwrichting laat staan een duurzame ontwrichting in de zin van de VOF-overeenkomst. Volgens [gedaagde partij] hebben [eisende partijen] ook pas het standpunt ingenomen dat daarvan sprake is nadat partijen er onderling niet in zijn geslaagd om tot een ordentelijk einde van de samenwerking te komen. Met betrekking tot de door [eisende partijen] genoemde omstandigheden en gedragingen stelt hij het volgende:
ad a en b: de aankoop is met [eisende partijen] besproken -onder meer tijdens Kerst 2024- en hij heeft van hen goedkeuring gekregen om € 120.000,00 aan het vermogen van de VOF te onttrekken. Dit bedrag is in de jaarrekening 2025 ten laste van zijn eigen vermogen geboekt. [eisende partijen] hebben dit niet laten corrigeren. Zij hebben ook pas 8 maanden na de overboeking hierop geacteerd. Door de Rabobank is op 4 maart 2025 een bevestiging gestuurd dat het pand wordt meegenomen onder de bedrijfspolis van de VOF. De bevestiging is ook gestuurd naar de infomail van de VOF, een mailbox waartoe [eisende partijen] toegang hadden. De aankoop en verwerking van het pand op de bedrijfspolis heeft dus niet buiten het zicht van hen plaatsgevonden,
ad c: beide partijen maken zich mogelijk schuldig aan privéonttrekkingen. Bovendien gaat het slechts om kleine bedragen,
ad d: partijen hebben afgesproken dat hij goederen op de locatie van de VOF mocht opslaan en dat door hem in ruil daarvoor tweejaarlijks een festival op het terrein van de VOF wordt georganiseerd,
ad e: hij heeft binnen enkele uren nadat hij het wachtwoord van het Instagram-account had gewijzigd dit weer teruggedraaid,
ad f: hij was en is nog vennoot van de VOF en hoeft dus niet zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de beheerdersrollen van diverse apps,
ad g: hij kwam voor de verjaardag van [eisende partij 1] en is direct vertrokken toen hem duidelijk werd gemaakt dat hij niet welkom was.
De omstandigheden en gedragingen kunnen zowel afzonderlijk als in samenhang bezien niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van een duurzame ontwrichting. Dit betekent dat artikel 13 van de VOF-akte niet van toepassing is en dat hij niet is uitgetreden als vennoot van de VOF. De datum 1 oktober 2025 is door [accountant] en tussen partijen slechts genoemd in verband met de overstap naar een nieuw boekhoudsysteem en niet als datum van uittreding/verdeling. Nu hij nog vennoot is, is hij rechtsgeldig vertegenwoordiger van de VOF en is hij bevoegd binnen de grenzen van de wet en de VOF-overeenkomst (i) bedragen (aan zichzelf) over te maken, (ii) zelfstandig verplichtingen namens de VOF aan te gaan, (iii) in het handelsregister van de Kamer van Koophandel te staan als vertegenwoordiger van de VOF, (iv) te beschikken over de sleutels van de VOF, en (v) te communiceren naar derden namens de VOF. Ook heeft hij recht op het maandelijks voorschot van € 1.000,00, nu partijen daarover in het verleden een afspraak hebben gemaakt die nog steeds geldt.
Volgens [gedaagde partij] hebben [eisende partijen] hem na het verbreken van de liefdesrelatie met [eisende partij 1] systematisch van en uit de VOF verwijderd en hem uiteindelijk verzocht niet meer op de locatie van de VOF te komen. Aan dat verzoek heeft hij onverplicht voldaan. [gedaagde partij] is van mening dat het verbreken van de liefdesrelatie los gezien moet worden van de zakelijke samenwerking die partijen met elkaar hebben. In de VOF-akte is hierover ook bewust niets geregeld, anders dan met betrekking tot de beëindiging van de relatie tussen [eisende partij 3] en [eisende partij 2] . [gedaagde partij] wil graag, al dan niet in aangepaste vorm, in de hoedanigheid van vennoot zijn werkzaamheden bij de VOF voortzetten.
overwegingen voorzieningenrechter:
De voorzieningenrechter stelt vast dat er tussen de vennoten van de VOF een geschil is ontstaan, dat zij vanaf juli 2025 onder begeleiding van [accountant] hebben toegewerkt naar uittreding van [gedaagde partij] en dat zij daarover nog geen overeenstemming hebben bereikt. Ook staat vast dat [gedaagde partij] per 1 oktober 2025 zijn werkzaamheden voor de VOF heeft beëindigd, dat hij daarna niet meer op het terrein van de VOF is geweest (met uitzondering van een beoogd verjaardagsbezoek in oktober 2025) en dat de activiteiten van de VOF vanaf 1 oktober 2025 door [eisende partijen] alleen zijn voortgezet.
De omstandigheid dat [gedaagde partij] nog steeds invloed op de exploitatie van de VOF kan uitoefenen door het doen van overboekingen (aan zichzelf of aan derden) en ook door de mogelijkheid om de VOF te binden, terwijl daarover discussie bestaat tussen partijen, staat aan een goede afwikkeling van zijn uittreding in de weg.
[gedaagde partij] heeft op 8 januari 2025 een bedrag van € 120.000,00 overgeboekt van de VOF-rekening naar zijn privérekening. Hij stelt dat hij daarvoor de goedkeuring had van [eisende partijen] , maar die betwisten dat en door [gedaagde partij] is niets overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Uit de omstandigheid dat de overboeking achteraf in de boekhouding van de VOF is verwerkt kan de goedkeuring niet worden afgeleid. Bovendien was [gedaagde partij] degene die zich binnen de VOF bezighield met de administratie, wat maakt dat de omstandigheid dat de overboeking aanvankelijk niet door de andere vennoten is opgemerkt niet onbegrijpelijk is.
Aannemelijk is dat [gedaagde partij] hiermee in strijd met artikel 5 van de VOF-akte heeft gehandeld.
Door [eisende partijen] zijn negen verklaringen overgelegd van (ouders van) cliënten en personeelsleden van de vennootschap met betrekking tot het gedrag van [gedaagde partij] op de zorgboerderij. In deze verklaringen wordt een beeld geschetst dat cliënten en personeel zich niet veilig voelden in zijn nabijheid. Hoewel [gedaagde partij] de inhoud van deze verklaringen betwist ondersteunen deze wel het standpunt van [eisende partijen] dat uittreding van [gedaagde partij] onvermijdelijk is.
Op grond van voormeld strijdig handelen met de VOF-akte en de blijkens de verklaringen verweten gedragingen Van [gedaagde partij] is vooralsnog niet uit te sluiten dat deze samen al toereikend zijn voor de bodemrechter om tot het oordeel te komen dat er sprake is van duurzame ontwrichting van de vennootschappelijke samenwerking in de zin van artikel 13 lid 1 van de VOF-akte welke, voorlopig oordelend, aan [gedaagde partij] kan worden toegerekend.
De overige onder a t/m g genoemde omstandigheden en gedragingen hoeven daarom geen bespreking meer.
Dit betekent dat op grond van artikel 13.2 van de VOF-akte [gedaagde partij] wordt geacht uit de vennootschap te zijn getreden. Gelet op wat hiervoor onder 5.7. is overwogen gaat de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, uit van de uittredingsdatum 1 oktober 2025.
Daarnaast valt ook een afweging van belangen van partijen uit in het voordeel van [eisende partijen] . Zij hebben vanaf 1 oktober 2025 de feitelijke leiding van de VOF. [gedaagde partij] heeft zijn werkzaamheden voor de VOF per 1 oktober 2025 gestaakt en is daarna niet meer op het bedrijf geweest. De VOF is gebaat bij rust en continuïteit wat naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen mogelijk is als [gedaagde partij] niet meer op de zorgboerderij komt, hij geen invloed op de exploitatie van de VOF kan uitoefenen door het doen van overboekingen (aan zichzelf of aan derden) en hij de VOF niet meer kan binden. De rust en de continuïteit van de VOF wegen zwaarder dan het door [gedaagde partij] gestelde belang dat hij als vennoot nog steeds werkzaamheden wil blijven uitvoeren voor de vennootschap. Hoewel [gedaagde partij] zich vanaf oktober 2025 niet meer op het terrein van de VOF heeft begeven en zijn werkzaamheden heeft beëindigd, rechtvaardigt zijn thans ingenomen standpunt dat hij volledig bevoegdheid heeft de vrees dat hij op enig moment daadwerkelijk weer de werkzaamheden op de zorgboerderij gaat oppakken. Anders dan [gedaagde partij] kennelijk meent, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gezamenlijke voortzetting van de vennootschap gelet op de huidige slechte verstandhouding tussen partijen niet realistisch.
Bij deze stand van zaken zal de voorzieningenrechter in afwachting van overeenstemming tussen partijen of een gerechtelijke beslissing over de uittreding van [gedaagde partij] als vennoot van de VOF bij wege van ordemaatregel de vorderingen toewijzen met inachtneming van het volgende.
[eisende partijen] hebben ten aanzien van de gevorderde verboden en veroordelingen onder meer gevorderd dat deze moeten gelden zolang er nog geen rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan in de door eisers op te starten bodemprocedure betreffende de definitieve gerechtelijke vaststelling van de uittreding van [gedaagde partij] . Deze vordering is in tijd te onbepaald, omdat niet duidelijk is gemaakt wanneer [eisende partijen] een bodemprocedure zullen opstarten. De voorzieningenrechter zal daarom als voorwaarde van deze toe te wijzen verboden en veroordelingen in de beslissing opnemen dat [eisende partijen] die bodemprocedure uiterlijk drie maanden na betekening van dit vonnis tegen [gedaagde partij] aanhangig moeten maken. Indien binnen die periode van drie maanden geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt blijft de periode dat [gedaagde partij] zich moet houden aan de verboden en veroordelingen dus beperkt tot maximaal zes maanden na betekening van dit vonnis, zoals in de beslissing is weergegeven.
Vordering III primair, om [gedaagde partij] te veroordelen tot medewerking aan wijziging van de zijn inschrijving als vennoot van de VOF in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, inhoudende dat hij per 1 oktober 2025 geen vennoot meer is van de VOF komt neer op een constitutief of declaratoir oordeel ten aanzien van de uittreding. Voor een dergelijk oordeel is in deze kort gedingprocedure geen plaats, zodat deze vordering wordt afgewezen. De subsidiaire vordering om de inschrijving van de bevoegdheid van [gedaagde partij] te beperken tot nihil/EUR 0,- wordt toegewezen, nu hij niet meer feitelijk betrokken zal zijn bij de exploitatie van de VOF.
dwangsommen
De voorzieningenrechter acht een prikkel tot nakoming nodig. Wel zullen de opgelegde dwangsommen met betrekking tot een aantal vorderingen worden gematigd en gemaximeerd zoals in de beslissing is weergegeven.
proceskosten
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partijen] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt verweerder om, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van eisers, zelfstandig betalingen of overboekingen te verrichten vanaf de bankrekening(en) van de VOF, in welke vorm dan ook, hetzij naar zijn eigen bankrekening, hetzij naar derden, een en ander voor de duur van zes maanden na betekening van dit vonnis en vervolgens voor zolang er nog geen rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan in de door eisers binnen drie maanden na betekening van dit vonnis tegen verweerder aanhangig gemaakte bodemprocedure, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 50.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;
verbiedt verweerder om, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van eisers, zelfstandig verplichtingen aan te gaan namens of ten laste van de VOF, daaronder begrepen het aangaan van overeenkomsten met derden, een en ander voor de duur van zes maanden na betekening van dit vonnis en vervolgens voor zolang er nog geen rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan in de door eisers binnen drie maanden na betekening van dit vonnis tegen verweerder aanhangig gemaakte bodemprocedure, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van
€ 50.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;
veroordeelt verweerder om onverkort en onherroepelijk medewerking te verlenen aan de wijziging van de inschrijving van zijn bevoegdheid ten aanzien van de VOF in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, inhoudende beperking van zijn bevoegdheid tot nihil/EUR 0,-, door binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de daarvoor benodigde formulieren onherroepelijk te ondertekenen en alle overige medewerking te verlenen die nodig is om deze wijziging bij de Kamer van Koophandel door te voeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor dag dat hij hier niet aan voldoet, met een maximum van € 20.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;
veroordeelt verweerder om de sleutels die toegang bieden tot het onroerend goed dat de VOF in gebruik heeft aan eisers te retourneren, daaronder begrepen alle kopieën, afgietsels en/of mallen die in zijn bezit zijn of via hem in het bezit van derden zijn gekomen, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 10.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;
veroordeelt verweerder om schriftelijk aan eisers opgaaf te doen van het aantal kopieën dat hij van de sleutels heeft laten maken en wie daarover beschikt, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 10.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;
verbiedt verweerder om, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van eisers of hun gemachtigde, zelfstandig namens of vanuit de VOF te communiceren met derden, een en ander voor de duur van zes maanden na betekening van dit vonnis en vervolgens voor zolang er nog geen rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan in de door eisers binnen drie maanden na betekening van dit vonnis tegen verweerder aanhangig gemaakte bodemprocedure, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 25.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt verweerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
|
6.10. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026. |
||