Personen- en familierecht

Inschrijving school, inschrijving BRP adres en vordering tot terugplaatsing bij de vrouw. Vorderingen…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
C/02/448080 / KG ZA 26-244
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. G.S de Haas te Geertruidenberg, mr. R.F.P Scheele te Numansdorp
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6637
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Inschrijving school, inschrijving BRP adres en vordering tot terugplaatsing bij de vrouw. Vorderingen afgewezen, spoedeisend belang ontbreekt

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer: C/02/448080 / KG ZA 26-244

Vonnis in kort geding van 19 juni 2026

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat: mr. G.S. de Haas te Geertruidenberg,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Numansdorp,

over de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.

De voorzieningenrechter merkt als informant aan:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Tilburg,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),

[de oma mz] ,

hierna te noemen de oma mz.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met negen producties van 19 mei 2026;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met tien producties van 1 juni 2026;

- de aanvullende productie van 4 juni 2026 van mr. R.F.P. Scheele

- de ter zitting overhandigde pleitnota van mr. G.S. de Haas;

- de ter zitting overhandigde pleitnota van mr. R.F.P. Scheele.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting op 5 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast zijn verschenen de oma mz, een vertegenwoordiger van de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna te noemen [minderjarige] .

2.2.

De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 november 2024 is, voor zover thans van belang, bepaald dat [minderjarige] bij de man zal verblijven als volgt:

- in de oneven weken van vrijdagavond 18.30 uur tot dinsdagochtend, aanvang kinderopvang of school;

- in de even weken van maandagavond einde kinderopvang of school, tot dinsdagochtend, aanvang kinderopvang of school;

waarbij de ouder bij wie [minderjarige] het laatst verblijft, [minderjarige] naar de andere ouder brengt, telkens om 18.30 uur, met een voor-/uitloop van maximaal 15 minuten.

Tevens maakt een regeling voor de zorg- en opvoedingstaken gedurende een deel van de vakanties en feestdagen deel uit van de beschikking, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.7. van die beschikking is overwogen.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugbescherming Brabant met ingang van 23 april 2026 tot 23 juli 2026.

2.5.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 30 april 2026 is [minderjarige] voorlopig aan de man toevertrouwd. Ook is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] voorlopig recht hebben op (door de grootmoeder (mz)) begeleid contact met elkaar in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op de zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur, waarbij de man [minderjarige] naar de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige] naar de man terugbrengt, welk contact onder regie van de GI kan worden uitgebreid en aangepast middels professioneel begeleide omgang, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.7. van het vonnis is overwogen.

2.6.

Op 16 april 2026 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/447321 / FA RK 26-2029) strekkende tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en het wijzigen van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag over [minderjarige] door de man.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. (vervangende) toestemming te geven om [minderjarige] in de BRP in te schrijven op het woonadres van de man;

II. (vervangende) toestemming te geven om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool] te [woonplaats 1] aan [adres 1] ;

III. met veroordeling van de vrouw in de kosten en nakosten van dit geding.

3.2.

De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.

In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat [minderjarige] per direct, dan wel binnen 10 dagen, terug geplaatst moet worden door man (vader) bij de vrouw (moeder) thuis op [adres 2] te [woonplaats 2] met dwangsom van €500 per dag dat de man niet meewerkt aan deze terugplaatsing bij moeder;

II. met veroordeling van de man in de kosten en nakosten van dit geding

4 De standpunten

Standpunt van de man

4.1.

Door en namens de man is in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Tijdens een eerdere zitting van 11 mei 2026 in een kort geding procedure kwamen partijen er samen niet uit waar [minderjarige] naar school zou moeten en bij wie zij ingeschreven zou moeten zijn in de BRP. Afspraak was toen om deze beslissing over de schoolvakantie heen te tillen. Daarbij is echter onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijk situatie van de man. [minderjarige] is namelijk plotseling bij hem geplaatst en de huidige situatie vraagt veel van de man en zijn partner. De man werkt fulltime, waardoor de man telkens een oppas binnen zijn netwerk moet regelen voor [minderjarige] . Inmiddels is er daarnaast sprake van een voorlopige ondertoezichtstelling. De jeugdbeschermer adviseert dringend om [minderjarige] op korte termijn naar school te laten gaan en haar in te schrijven in de BRP op de plek waar zij feitelijk verblijft, oftewel bij de man. De man wil dit advies van de GI opvolgen. Ook [minderjarige] zelf heeft er veel behoefte aan om naar school te gaan. Dat zou goed zijn voor haar ontwikkeling. De partner van de man kan [minderjarige] naar school brengen en ophalen, omdat de kinderen van de partner naar dezelfde school gaan. De man is van mening dat deze zaken niet tot na de vakantie kunnen worden uitgesteld. Op dit moment is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de man en is er een voorlopige zorgregeling vastgesteld. Deze regeling loopt momenteel gewoon. De man wil verder duidelijkheid krijgen over wat er is gebeurd met [minderjarige] . In de komende tijd kan er verder onderzoek worden gedaan door de GI naar de opvoedsituaties van partijen en wat het beste is voor [minderjarige] . Dit onderzoek is nodig, voordat [minderjarige] terug kan gaan naar de vrouw. Tot die tijd is het echter van belang dat [minderjarige] bij de man verblijft en dat zij naar school kan gaan in de buurt van de man. De man staat verder achter het uitbreiden van de omgang tussen [minderjarige] en de vrouw. De oma mz zou [minderjarige] voor de omgang op kunnen komen halen bij de man. De man is namelijk overdag aan het werk en iemand anders past dan op [minderjarige] , voornamelijk de partner van de man. Het lukt de man echter niet om de overdracht van [minderjarige] aan de oma mz uit te besteden aan iemand anders.

Standpunt van de vrouw

4.2.

Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. Partijen zijn het tijdens de zitting van 23 april 2026 erover eens geworden om de beslissing over de schoolgang uit te stellen tot na de zomervakantie van 2026. Ook de Raad adviseerde om dit te doen. De voorzieningenrechter heeft toen dezelfde vordering van de man als deze vordering afgewezen. Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden sinds het vonnis van 30 april 2026. Daarnaast is er geen spoedeisend belang en horen de vorderingen van de man niet thuis in een kort geding procedure. Na het vonnis is gewezen zal [minderjarige] uiteindelijk nog maximaal vier weken naar school gaan, waarna het zomervakantie is. [minderjarige] zou in plaats daarvan ook nog naar de kinderopvang kunnen gaan. Als er wel spoedeisend belang is, stelt de vrouw voor om [minderjarige] in te schrijven op de school [school] te [woonplaats 2] . Daar is [minderjarige] al ingeschreven, aangezien beide partijen daar in het verleden toestemming voor hebben gegeven. Ook is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder in [woonplaats 2] . Indien de man [minderjarige] niet kan of wil halen en brengen naar de school in [woonplaats 2] , kan de oma mz dat doen.

4.3.

Indien de vordering van de man tot vervangende toestemming inschrijving school wordt afgewezen, is er geen grond meer voor de vordering tot het wijzigen van het adres van [minderjarige] . Er is daarnaast geen sprake van spoedeisend belang. Ook maakt de man niet duidelijk waar [minderjarige] zal gaan wonen, als zij wordt ingeschreven op het BRP adres van de man. Daarnaast kan de uitkomst van de lopende bodemprocedure worden beïnvloed door [minderjarige] in te laten schrijven op het adres van de man. De vrouw wil dat de omgang uitgebreid wordt en dat [minderjarige] terug bij haar en de oma mz komt wonen. Er was éénmalig een zorgelijke situatie, waarna de man [minderjarige] onterecht bij zich hield en de vrouw geen mogelijkheid kreeg om [minderjarige] te zien. [minderjarige] heeft momenteel een beperkte, maar fijne omgang met de vrouw en wil zelf terug naar de vrouw. De man is echter al meerdere keren tegen de voorlopige zorgregeling en de aan de GI toegekende opbouw van de omgang ingegaan. De vrouw stelt dat [minderjarige] per direct terug kan wonen bij de vrouw en anders binnen tien dagen met opbouw vanuit de GI. Uit niets blijkt dat de situatie bij de vrouw onveilig zou zijn. De hulpverlening van [hulpverlening] komt één keer per week langs bij de vrouw en kan zicht krijgen op de thuissituatie van de vrouw. Indien het nodig is, wil de vrouw iedere week getest worden op drugs om aan te tonen dat zij geen drugs gebruikt. De vrouw stelt dat de GI onvoldoende regie heeft genomen in het onderzoeken van de (vermoedelijke) zorgen en het terugwerken naar een plaatsing van [minderjarige] bij de vrouw. De vrouw vordert verder een dwangsom per dag dat de man niet meewerkt aan de terugplaatsing, omdat de man onbetrouwbaar is in het nakomen van afspraken. Daarnaast dient de man te worden veroordeeld in de proceskosten, omdat hij onnodig procedeert en hiermee de onderlinge verhoudingen enkel onder druk worden gezet.

Advies van de Raad

4.4.

Namens de Raad wordt aangevoerd dat [minderjarige] voorlopig aan de man is toevertrouwd en dat het daardoor de verantwoordelijkheid van de man is om er voor te zorgen dat [minderjarige] wordt opgevangen, indien de man aan het werk is. Eerder waren partijen het erover eens om de schoolkeuze over de zomervakantie heen te tillen. De Raad ziet geen reden om [minderjarige] nu voor een korte periode naar school te laten gaan bij de man in de buurt, terwijl het de bedoeling is om terug te werken naar de vrouw en beide partijen toestemming hebben gegeven voor de inschrijving van [minderjarige] op een school in [woonplaats 2] . De Raad adviseert [minderjarige] nog niet naar school te laten gaan tot na de zomervakantie, zodat de komende tijd de omgang tussen [minderjarige] en de vrouw kan worden uitgebreid. De Raad begrijpt niet dat de omgang nog niet is uitgebreid, met name nu [minderjarige] niet naar school of opvang gaat, de vrouw beschikbaar is en er al hulpverlening is betrokken vanuit [hulpverlening] . De oma mz kan [minderjarige] ophalen bij de man en naar de vrouw brengen. Op de dagen dat [minderjarige] geen omgang heeft, kan [minderjarige] naar haar oude kinderopvang. Op die manier kan de man worden ontlast in de zorg voor [minderjarige] . Daarnaast vindt de Raad het onacceptabel dat de man de gemaakte afspraken over de omgang niet nakomt. De Raad vindt verder dat de GI nog onvoldoende zicht heeft gekregen op de zorgen, waarop de voorlopige ondertoezichtstelling gebaseerd is. Er is al enige tijd hulpverlening vanuit [hulpverlening] betrokken bij de vrouw. [hulpverlening] biedt ook opvoedondersteuning. Verder kan de vrouw via de huisarts of thuis getest worden op drugs.

Standpunt van de GI

4.5.

Namens de GI wordt aangevoerd dat er veel wantrouwen is tussen partijen. De vrouw is bang dat de man [minderjarige] bij zich houdt en de man is bang dat [minderjarige] niet veilig is bij de vrouw. Wel hebben beide partijen veel liefde voor [minderjarige] en staan zij open voor hulpverlening. Komende week staat er een afspraak gepland, waarbij er gekeken zal worden welke hulpverlening het meest passend wordt geacht. Er is namelijk hulpverlening nodig, voordat [minderjarige] terug kan naar de vrouw. De GI acht het in het belang van [minderjarige] om op dit moment naar school te gaan in de buurt van de man, ondanks dat zij dan maar kort naar school kan in verband met de zomervakantie. De man wordt namelijk af en toe overvraagd in de zorg voor [minderjarige] . Dat er uiteindelijk sprake kan zijn van een schoolwisseling over enige tijd, maakt voor kinderen van de leeftijd van [minderjarige] niet uit. Het is goed voor [minderjarige] om met leeftijdsgenoten om te gaan. Verder kan de omgang tussen [minderjarige] en de vrouw uitgebreid worden na school.

Standpunt van de oma mz

4.6.

De oma mz geeft aan dat [minderjarige] de vrouw heel erg mist. Op dit moment is er twee uur per week contact tussen [minderjarige] en de vrouw. [minderjarige] geeft vaak aan dat zij naar school wil, omdat een aantal kinderen waar [minderjarige] mee omging op de peuterspeelzaal ook naar school gaan. De oma mz geeft aan dat [minderjarige] staat ingeschreven op de basisschool in [woonplaats 2] , omdat partijen daar beide toestemming voor hebben gegeven, en dat [minderjarige] daar direct kan starten. [minderjarige] nu voor een korte periode naar school laten gaan in [woonplaats 1] , vindt de oma mz niet in haar belang. [minderjarige] zal namelijk, ondanks dat zij nu bij de man verblijft, uiteindelijk terug gaan wonen bij de vrouw en alsnog in [woonplaats 2] naar school gaan. Wat de oma mz betreft, kan [minderjarige] per direct al terug bij de vrouw wonen.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor nadere bewijslevering.

De inschrijving op het adres van de man en inschrijving [basisschool] in [woonplaats 1]

5.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen in conventie. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het (recente) vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 30 april 2026. Partijen zijn tijdens de zitting van 23 april 2026 in die procedure samen tot de conclusie gekomen dat de schoolkeuze voor [minderjarige] over de zomervakantie heen zal worden getild, in lijn met het advies van de Raad tijdens die zitting. De voorzieningenrechter heeft daarom eerder de vordering van de man ter verkrijging van vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [woonplaats 1] afgewezen. Het is op dit moment nog steeds onduidelijk waar [minderjarige] uiteindelijk haar hoofdverblijf zal hebben. In het vonnis van 30 april 2026 is al overwogen dat het niet in het belang van [minderjarige] is om over een tijdje opnieuw geconfronteerd te worden met een ingrijpende verandering, zoals een wisseling van school. Het enkele feit dat de GI heeft geadviseerd om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [woonplaats 1] en op het adres van de man, leidt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toe dat er sprake is van spoedeisend belang. Ook het feit dat de man praktische problemen ervaart, nu [minderjarige] niet meer naar de kinderopvang gaat, maakt niet dat er sprake is van spoedeisend belang bij het gevorderde. Verder heeft de man onvoldoende onderbouwd wat het spoedeisend belang is ten aanzien van de vordering tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man. Hierbij neemt de voorzieningenrechter mee dat het hoofdverblijf van [minderjarige] in de bodemprocedure nader zal worden besproken. De voorzieningenrechter oordeelt dat de situatie sinds het vonnis van 30 april 2026 niet is veranderd en dat de man derhalve onvoldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen in conventie.

5.3.

De voorzieningenrechter begrijpt dat het goed zou zijn voor [minderjarige] om naar school te gaan, ondanks dat er nog maar een korte periode van school zal zijn vóór de zomervakantie. De voorzieningenrechter stelt vast dat beide partijen toestemming hebben gegeven voor de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [woonplaats 2] . Indien beide partijen van mening zijn dat [minderjarige] naar school dient te gaan, kan [minderjarige] naar de school in [woonplaats 2] gaan. Hierbij heeft de oma mz aangegeven [minderjarige] te kunnen ophalen bij de man en naar school te kunnen brengen. Indien de man dit echter niet wil, is het de verantwoordelijkheid van de man om ervoor te zorgen dat [minderjarige] wordt opgevangen, nu [minderjarige] voorlopig aan hem is toevertrouwd. De Raad heeft hierover tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] eventueel alsnog naar haar oude kinderopvang kan, zodat de man wordt ontlast in de zorg voor [minderjarige] .

Terugplaatsing van [minderjarige] bij de vrouw

5.4.

Ten aanzien van de vordering in reconventie van de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zorgen, waarop de voorlopige ondertoezichtstelling is gebaseerd, nog steeds aanwezig zijn. [minderjarige] heeft een hoeveelheid drugs binnen gekregen op het moment dat de vrouw de verantwoordelijkheid had over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Voordat er voldoende duidelijkheid is over deze situatie en hoe dit heeft kunnen gebeuren, kan er wat de voorzieningenrechter betreft geen sprake van zijn dat [minderjarige] nu per direct, of binnen tien dagen, teruggaat naar de vrouw. De voorzieningenrechter wil daarbij wel benadrukken dat het aan de GI is om hierin actie te ondernemen en zicht te krijgen op de situatie. De voorzieningenrechter is het volledig met de Raad eens dat er de komende periode vanuit de GI bezien moet worden of de omgang tussen [minderjarige] en de vrouw kan worden uitgebreid met behulp van de al betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlening] . Daarbij kan de vrouw middels drugstesten aantonen dat zij geen middelen gebruikt, indien de GI dat wenst. De praktische bezwaren van de man tegen het uitbreiden van de omgang wegen daarnaast niet op tegen het belang voor [minderjarige] om (meer) omgang te hebben met de vrouw.

Proceskosten

5.5.

In hetgeen over en weer namens partijen is aangevoerd, waaronder dat het advies van de GI kennelijk mede aanleiding was voor de man om deze procedure te starten, ziet de voorzieningenrechter tot slot aanleiding om te oordelen dat de kosten van partijen tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal dit dan ook op onderstaande wijze bepalen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen in conventie en reconventie af;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gessel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.

[afbeelding niet beschikbaar]

[afbeelding niet beschikbaar]